Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

willen - (wensen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

willen ww. ‘wensen’
Onl. willon ‘wensen, verlangen’, met zn. in thiadi thia uuiga uuilunt ‘de volkeren die oorlog willen’ [10e eeuw; W.Ps.], met infinitief in wille ich iemer gehugan thero sinero micholen genathon ‘wil ik steeds zijn grote genade gedenken’ [ca. 1100; Will.]; mnl. willen [1240; Bern.].
Os. willian, wellian; ohd. wellan, wellen (nhd. wollen); ofri. willa (nfri. wolle); oe. willan (ne. will ‘zullen’); on. vilja (nzw. välja); got. wiljan; alle oorspr. ‘willen, wensen’. Deze werkwoorden zijn alle afgeleid van de wortel pgm. *wel- ‘willen’. In de afzonderlijke talen hebben verschillende klankontwikkelingen en analogiewerkingen een rol gespeeld. Het preteritum, oorspr. met stamklinker *-i-, is in de meeste talen gevormd naar de andere preterito-presentia (*skulda ‘zou’, *kunþa ‘kon’ enz.): onl. wolda (nnl. wou(de), naast analogisch wilde), os. welda, ohd. wolta, ofri. welde, oe. wolde, on. vilda, got. wilda.
Bij dezelfde wortel hoort met ablaut ook pgm. *waljan- ‘kiezen’, waaruit: onl. *wellen (slechts één glosse uuelida ‘hij koos’ [10e eeuw; W.Ps.]); ohd. wellen (met een bijbehorend abstractum wala ‘keuze’, vanwaar nhd. Wahl en wählen ‘kiezen’); on. velja; got. waljan.
Verwant met: Latijn velle (perfectum voluī) ‘willen’; Grieks (Dorisch) lên ‘id.’; Sanskrit vrṇīte ‘hij kiest’; Avestisch -varətā ‘id.’; Litouws vélti ‘willen’; Oudkerkslavisch velěti ‘id., bevelen’ (Russisch velét'), voliti ‘kiezen, willen’ (Tsjechisch volit ‘kiezen’); < pie. *uelh1-, *ulh1-, *uolh1- ‘kiezen’ (LIV 677).
wil zn. ‘wens, verlangen’. Onl. willo in sinan uuilleon ‘zijn verlangen’ [811-12; CG II-1, 28], an uuillin thinin ‘volgens jouw wil’ [10e eeuw; W.Ps.], nah godes willan ‘naar Gods wil’ [ca. 1100; Will.]; mnl. wille in met goeden wille ‘gewillig, zonder tegenstand’ [1236; VMNW], quade wille ‘slechte verlangens’ [1270-90; VMNW], haer achterste wille ‘haar laatste wil, haar testament’ [1293; VMNW]. Afleiding van willen. ♦ gewild bn. ‘begeerd’. Vnnl. in Het deuntje wort herdruckt, en meer als oyt gewilt ‘... en (wordt) meer begeerd dan ooit’ [1635; iWNT]; nnl. ook attributief in Gewilde waar ‘artikelen waar veel vraag naar is’ [1727; iWNT]. Verl.deelw. van willen. ♦ willens bw. ‘opzettelijk’. Mnl. willens ‘uit eigen (vrije) wil’ [1240; Bern.], in willens oft onwillens ‘al dan niet vrijwillig’ [1284; VMNW], wie andren beghote met wine. Ogte met biere ... willens jn felheiden ‘wie een ander uit woede opzettelijk met wijn of met bier zou begieten’ [1292-93; VMNW], Dat elc mensche willents misdoet ‘dat elk mens opzettelijk zondigt’ [1440-60; MNW-R]; vnnl. willens ende wetens ‘opzettelijk’ [1503-16; iWNT]. Wrsch. afgeleid met bijwoordelijke -s (zie → -s 2) (oorspr. een genitiefuitgang) van de infinitief willen, of, waarschijnlijker, van het teg.deelw. willende, dus willendes > willents en door vereenvoudiging van de medeklinkercluster willens (WNT).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

willen* [wensen] {oudnederlands willan 901-1000, middelnederlands willen, wellen} oudengels willan, oudsaksisch willian, oudhoogduits wellen, wollen, oudfries willa, oudnoors vilja, gotisch wiljan; buiten het germ. latijn velle, grieks eldesthai, (< ∗weldesthai) [hopen], litouws viltis [idem], oudkerkslavisch voliti [willen], oudindisch vṛṇīte [hij kiest].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

willen ww., mnl. willen, onfrank. willan, os. willian, ofri. willa, oe. willan (ne. will), on. vilja, got. wiljan. — Daarnaast os. wellian, ohd. wellen naast wollen (nhd. wollen) ‘willen’, wel dezelfde vorm als ohd. wellen ‘kiezen’ (nhd. wählen) on. velja, got. waljan en dan te vergelijken met oi. causatief varāyati. — Het germ. praesens had oorspr. de vorm van een optatief, zoals blijkt uit got. wiljau, wileis, wili. — lat. volo, velle ‘willen’, oi. vṛṇāti, vṛṇītē, vṛṇōti ‘kiezen, wensen’, osl. voliti ‘willen’, lit. vẽlyju, vẽlyti ‘wensen, gunnen’, vgl. nog toch. A wäl, wlā-, Β w(a)lo ‘koning’ (IEW 1137).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

willen ww., mnl. willen. = onfr. willan, os. willian, ofri. willa, ags. willan (eng. will), on. vilja, got. wiljan “willen”. Hiernaast een infin.met e: ohd. wellen (ook al wollen, als in ’t Nhd.), os. wellian “id.”. Het praesens was oorspr. een optatief: got. wiljau, wileis, wili. ’t Wgerm. praeteritum komt met o-vocalisme, ook met ë, a voor. Verwant zijn behalve de bij wel II en wil besproken woorden: ohd. wala (nhd. wahl) v., on. val o. “keus”, mnl. (limb.) wēlen, onfr. ohd. wellen (nhd. wählen), on. velja, got. waljan “kiezen”, lat. volo “ik wil”, gr. (e)éldomai “ik verlang”, obg. volją, voliti “willen, liever willen” (= ohd. wellen, os. wellian, mnl. wēlen enz.), lit. pa-velt “hij wil”, oi. vṛṇîté, -ā́ti, -óti, -ute “hij kiest, begeert, bemint”, vára- “keus”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

willen 1 o.w. (verlangen), Mnl. id., Onfra. willan, Os. willian en wellian + Ohd. wellan, wollan (Mhd. wellen, wollen, Nhd. wollen: o uit e na w), Ags. willan (Eng. will), Ofri. willa, On. vilja (Zw. id., De. ville), Go. wiljan: Germ. wrt. wel + Skr. wrt. var = kiezen, Gr. éldesthai = verlangen, Lat. velle, Osl. voliti, Lit. velyti: Idg. wrt. u̯el. Het præsens ik wil is een bijvoegende wijze: Mnl. ik wille, du willes, hi wille.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wèlle (ww.) willen; Aajdnederlands willon <901-1000>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wil: s.nw. en ww., belang; strewe; testament; (as ww.) bereid wees; begeer, verlang, wens; Ndl. wil en willen (Mnl. wille en willen), Hd. wille en wollen, Eng. will, Got. wilja en wiljan, hou verb. m. Lat. volo, “ek wil”, en Gr. eldomai, “ek verlang, wens”; v. ook welkom.

wou: verl. tyd v. wil (q.v.).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Willen, van den Germ. wt. wel = willen, verwant met den Idg. wt. wel = wenschen. Zie Wel.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

willen. - Dit werkwoord is bedrijvend, het is dus verkeerd het te construeeren met eene bepaling met van, zooals in Zuid-Nederland vaak gedaan wordt, vooral door dagbladschrijvers. De afgekeurde constructie is ontleend aan het Fransch: maar fr. vouloir de - komt overeen met met Nederlandsch willen hebben. || Wij willen van geenen klassenstrijd, Manifest d. Kathol. Grondw. Vereeniging te Gent, 8 Oct. 1894. Wij willen van het eennamig stelsel niet en zullen ons er niet aan onderwerpen zoolang het … niet tot wet is gemaakt, Fondsenblad 26 Januari 1899, 1c.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

willen ‘wensen’ -> Javaans dialect wil ‘wensen, aangetrokken voelen tot’; Negerhollands wil, wel ‘wensen, houden van, liefhebben’; Skepi-Nederlands wel ‘wensen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

willen* wensen 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

u̯el-2, u̯lei-, u̯lē(i)- ‘wollen, wählen’, u̯olo- ‘Wahl’, u̯l̥ti-s ‘Wunsch’

A. Ai. unthemat. 3. Sg. Med. Aor. avr̥ta, Opt. vurīta, Partiz. urāṇá-; vr̥ṇītḗ, vr̥ṇnā́ti, vr̥ṇṓti, vr̥ṇutē ‘wählen, vorziehen, lieben’, vr̥tá- ‘gewählt, erwünscht’, vára- m. ‘Wunsch, Gegenstanddes Wunsches’, vara- ‘vorzüglich, -st, besser, best’, varīyaṁs- ‘besser’, variṣṭha- ‘best’, varya- ‘wählbar, vortrefflich, ausgezeichnet’, varaṇa- n. ‘das Wählen, Wünschen’, vāra- m. ‘Kostbares, Schatz’ usw., vŕ̥thā ‘vergeblich’, av. ap. var- ‘wählen, wollen’ (3. Pl. Prät. Med. varatā, Opt. vairīmaidī), vǝrǝn[a]- (1. Sg. Med. vǝrǝnē), vǝrǝnav- (3. Du. Med. vǝrǝnvaitē; Partiz. Perf. Pass. varǝta-, vairya- ‘der beste, köstlich, wert’; auch av. var- ‘glauben’;
arm. geł ‘Gefallen, Schönheit’ (vermutlich aus *u̯el-no-, vgl. cymr. gwell ‘besser’); ven. PN Volti-χnos, Voltiomnus, illyr. Voltius, Voltisa usw. (M. Lejeune BSL. 49, 41 ff.) aus *u̯l̥ti-;
gr. λείω, λήω ‘will’, nach Schwyzer Gr. Gr. 1, 676 aus *u̯lē(i)mi, Pl. *u̯lḙimé (?); lat. volō (*velō), vult (*velt), velle ‘wollen’ (Opt. velim), voluntas, -ātis f. ‘guter Wille’ (altes Partiz. *u̯olunt-tāt-s); nōlo, nevis, nevolt ‘ich will nicht’ (*ne-volō); mālō ‘ich ziehe vor’, rückgebildet nach mavolt (magis volt); umbr. eh-veltu ‘jubētō’, veltu ‘dēligitō’, ehvelklu ‘dēcrētum, ēdictum’;
mcymr. corn. bret. guell ‘besser’, ncymr. gwell (*u̯el-no- ‘Vorzug, Wahl’, oder zu u̯er-2, s. dort); gall. VN Vellavī, Catu-vellaunī (vgl. den ligur. ON Genava ‘Genf’: raet. VN Genauni);
got. wiljan, ahd. willu, wili, wëllan usw. ‘wollen’; got. wilja, ahd. uillo, willio usw. ‘Wille’; Kaus. Iter. got. waljan, aisl. velja, ahd. wellenwählen’ (= ai. varáyati ‘wählt für sich’, aksl. voliti); ahd. wala f., aisl. val n. ‘Wahl’ (: ai. vára- m.);
lit. pa-vélmi, 3. Sg. pa-vélt, Infin. pa-vélti ‘wollen, erlauben’, ablaut. viltìs f. ‘Hoffnung’ (*u̯l̥tis), viliúos ‘hoffe’; aksl. veljǫ, velė́ti ‘wollen, befehlen’, ablaut. volja f. ‘Wille’, davon voljǫ, voliti ‘wollen, wünschen’, im weiteren Ablaut do-vьljǫ, do-vъlěti ‘genügen’(*u̯olē-);
über got. waíla, ahd. wela, wola usw. ‘wohl’ vgl. Feist3 543.
B. d-Erweiterung (d-Präsens): gr. ἔλδομαι, hom. ἐέλδομαι ‘sehne mich, verlange nach etwas’, ἐέλδωρ n. ‘Wunsch, Verlangen’;
ir. fled, cymr. gwledd ‘Gastmahl, Fest’ (*u̯l̥dā); gall. PN Vlido-rīx.
С. p-Erweiterung: hom. ἔλπω ‘lasse hoffen’, ἔλπομαι, ἐέλπομαι ‘hoffe’, Perf. poet. ἔολπα; ἐλπίς, -ίδος f. ‘Hoffnung’, ἐλπίζω ‘hoffe’, hom. ἐλπωρή ‘Hoffnung’, tiefstufig *ἄλπιστος, Sup. zu ἀλπαλέος, dissim. ἀρπαλέος ‘erwünscht, reizend’, ἔπαλπνος ‘erwünscht’ (r/n-St.); lat. volup(e) Adv. ‘vergnüglich, gerne’, (*u̯olpi-, *u̯l̥pi-), voluptās ‘Vergnügen’;
fraglich hom. εἰλαπίνη ‘Fest’, äol. ἐλλαπίνα (*ἐ-ϝλαπ-ινᾱ?).

WP. I 294 f., WH. II 828 f., Trautmann 348 f., Specht KZ 62, 59 f., Vasmer 1, 180, 224, Frisk 78, 455, 485, 502 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal