Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

woud - (uitgestrekt ongeëxploiteerd bos)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

woud zn. ‘uitgestrekt ongeëxploiteerd bos’
Onl. walt ‘bos’ in in uualdo Bochonia ‘in het beukenbos’ [776-800; ONW], Also an uualde holto ‘zoals (men hakt) in het bos van bomen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. wout ‘bos’ in dor dat wout ende ouer dat velt ‘door het bos en over het veld’ [1260-80; VMNW]; nnl. woud ‘uitgestrekt bos’ in Woud, dusdaanig word een groot uitgestrekt Bosch, daar de Boomen, Heesters enz. in 't wild groeijen, genoemd [1777; iWNT].
Os. wald ‘bos’ (mnd. wolt); ohd. wald ‘bos’ (nhd. Wald ‘groot bos’); ofri. wald ‘bos’ (nfri. wâld); oe. weald, wald ‘bos’ (ne. wold ‘open landschap’); on. völlr ‘onontgonnen gebied, grasland’ (nzw. vall ‘weide’); < pgm. *walþu-. Engels wood < oe. wudu, ouder widu ‘bos; hout’ < pgm. *widu- is niet verwant.
Mogelijk verwant met Proto-Keltisch *welt- ‘gras’, waaruit: Welsh gwellt, Cornish gwels, Oudbretons guelt (Middelbretons geot).
De gemeenschappelijke betekenis in de Oudgermaanse taalfasen, en daarom wrsch. de oorspronkelijke, is ‘ongecultiveerd gebied, wildernis’. Afhankelijk van de locale bodemgesteldheid en de historische landschapsontwikkeling kon de betekenis per regio en in de loop van de tijd variëren. In het West-Germaans ontstond de betekenis ‘(ongeëxploiteerd) bos’, zoals nog in Duits Wald ‘groot bos’ (meestal ongeëxploiteerd en daarmee onderscheiden van een Forst), maar Engels wold (vooral een poëtisch woord en in toponiemen) is door de ontbossing vooral ‘open landschap’ gaan betekenen. Nederlandse toponiemen met -woud(e) (noordoostelijk -wold(e)) zijn grotendeels ontstaan op vochtige en dicht begroeide veen- en kleigebieden toen die in cultuur gebracht werden. In Friesland liggen enkele gebieden die met wâld worden aangeduid, onder meer Sânwâlden ‘Zevenwouden’ (15e eeuw), de Fryske Wâlden en de Dokkumer Wâlden. Deze liggen grotendeels op zandgronden en op oud hoogveengebied.
Door de verregaande ontbossing raakte het zn. woud in onbruik: in de Nieuwnederlandse periode werd het vooral in dichterlijke taal gebruikt (WNT) en kreeg het woord geleidelijk, en wellicht onder invloed van het Duits, de huidige betekenis ‘uitgestrekt, dichtbegroeid, ongeëxploiteerd bos’, met een bijdenkbeeld van ondoordringbaarheid, woestheid en onveiligheid (zoals in oerwoud, zie → oer-).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

woud* [bos] {in de vroegere bosnaam Seaeuuald (ligging onbekend) <793>, oudnederlands wald 901-1000, middelnederlands wout, wolt, walt} oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries wald, oudengels weald, oudnoors vǫllr [veld]; etymologie onzeker, kan verbonden worden met de groep van welsh gwallt, oudiers folt [haar], maar ook met latijn vallis [vallei], of ablautend met wild.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

woud znw. o., mnl. wout o., onfrank. wald, os. ohd. (nhd.), ofri. wald, oe. weald (ne. wold) m. ‘woud’, naast on. vǫllr m. ‘vlakte, veld, weiland’ < germ. *walþu.

De etymologie is onzeker. — 1. bij oi. vāṭa, vāṭi ‘tuin, park’, bij de idg. wt. *u̯el ‘draaien’, vgl. lat. vallis ‘dal’ (eig. ‘buiging naar binnen’?); weinig aannemelijk. — Bij oiers folt ‘haar’, kymr. gwallt ‘haar’, gwellt ‘gras’, osl. vlatǐ ‘haar’, opr. wolti ‘aar’, van de wt. *u̯el ‘haar, wol’, waarvoor zie: wol F. Solmsen KZ 42, 1909, 214). — Voor de bet. is belangrijk, dat in het nhd. wald ook betekent ‘de takken van de boom, de boomtop’, vgl. ook oe. (saksisch) weald ‘het loof, woud, heide’ en wald (anglisch) ‘open landstreek, weide, struikgewas’. Jost Trier, Venus (1963) 39-53 gaat daarom uit van de bet. ‘loofhoutbos bestemd om het loof te leveren voor de wintervoedering van het vee, waarin dus de jonge takken met het loof worden afgerist’. Het is verwant met het bnw. wild, dat aanduidt ‘alles wat in zulk een bos afgerukt kan worden’. — De verbinding met lat. saltus (< *su̯al-) ‘woudgebergte’ (Holthausen KZ 46 1909, 214) is onaannemelijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

woud znw. o., mnl. wout (d) o. = onfr. wald (m. o.?), ohd. (nhd.) os. ofri. wald, ags. weald (eng. wold) m. “woud”, on. vǫllr m. “campus”, germ. *walþu-. Grondbet. en etymologie onzeker. Was de oorspr. bet. “vlakte” of “welvende bodem”, dan bij lat. vallis “dal”, gr. wális, ḗlis; anderen hebben ier. folt “haar”, russ. wóloť “vezel”, opr. wolti “aar”, lit. váltis “haferspelte, haferrispe” (“woud” < “loof”; vgl. voor de bet. ’t ook hierbij hoorende gr. lásios “ruig, dicht begroeid, met loof bedekt”; hoogerop eventueel bij wol of walen) òf – van idg. *ghtol-tu- uitgaand – obg. *golĭ “tak” (čech. hůl enz.; maar hiermee is eer arm. kołr “id.” verwant: idg. g of g) gecombineerd. Gr. álsos “(heilig) woud” heeft nooit F-anlaut gehad, kan dus niet verwant zijn met woud.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

woud. De combinatie met lat. saltus ‘bergwoud’ (o.a. Holthausen KZ. 46, 178), waarbij een nevenvorm *sṷaltus moet aangenomen worden, is weinig overtuigend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

woud o., Mnl. wout, Onfra., Os. wald + Ohd. walt (Mhd. id., Nhd. wald), Ags. weald (Eng. wold en weald), Ofri. wald, On. vǫllr (Zw. vall, De. vold): oorspr. onzeker.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

woud s.nw.
Groot bos.
Uit Ndl. woud (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Wald (8ste eeu), Eng. wood (ongeveer 825).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

woud: groot bos bome; Ndl. woud (Mnl. wout), Hd. wald, Eng. wold, herk. hoërop omstrede.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

woud
Zie wold 'moerasbos, zompig bos'.

wold 'moerasbos, zompig bos'
Onl. wald, mnl. nnl. woud, oostnl. wold wijst op de vegetatie aan de randen van het onontgonnen veen, bestaande uit wilgenstruiken en laag geboomte, voornamelijk elzen en berken. Het wordt gekenschetst als een 'moerasbos' of een 'zompig, vochtig bos'. Als oorspronkelijke betekenis van germ. *walþu- reconstrueert men 'ongecultiveerd gebied, wildernis'. De gangbare opvatting ziet verdere verwantschap met Oudiers folt 'haar' en Welsh gwellt 'gras'. De Nederlandse woudgebieden lagen in bodemdepressies, waar de aanvoer van grond- en overstromingswater het ontstaan van moerassige wouden begunstigde. Pas nadat men de techniek van ontwatering had geleerd, kwam de ontginning van de woudgebieden op gang. De plaatsnamen met woud, wold dateren voor het merendeel uit de eerste tijd van de veenontginningen (8e-13e eeuw, en dan vooral 11e-13e eeuw). In de eigendomslijsten van de kloosters te Fulda en Werden komen ettelijke plaatsnamen in Nederland voor met walde of wolde (datief enkelvoud met plaatsaanduidende functie). De oudste attestatie is 793 kopie 10e eeuw Seæuuald, een samenstelling met sew 'zee, meer' (bos, ligging onbekend, in Gelderland of in de omgeving daarvan)1. Na de cultivering van de woudgebieden raakte het woord in onbruik en verschoof de betekenis tot 'uitgestrekt, dichtbegroeid en ongerept bos'.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 323.

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

Woud (Zwarte --) (vert. van Duits Schwarzwald)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

woud* natuurlijk bos 0793 [Claes]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

u̯el-4, u̯elǝ- in Worten für ‘Haar, Wolle’, auch ‘Gras, Ähre, Wald’, Beziehung zu *u̯el- ‘drehen’ (‘Kraushaar’ u. dgl.) oder *u̯el- ‘reißen, rupfen’ ist möglich, u̯l̥̄-nā ‘Wolle’, u̯ol-ko-, u̯ol-k̑o- ‘Faser’; u̯(o)l-to- ‘Haar’

A. Ai. ū́rṇā f. (vgl. ai. ū́rṇā-vábhi- ‘Spinne’, oben S. 1114) ‘Wolle’, av. varǝnā ds., gr. λῆνος, dor. λᾶνος n. ‘Wolle’, lat. lāna ds., lānūgō ‘Flaum des Bartes, Milchhaare’, got. wulla, ahd. wolla usw. ‘Wolle’, lit. vìlna ‘Wollfaser’, Pl. ‘Wolle’, lett. vilna ‘Wolle’, apr. wilna ‘Rock’, r.-ksl. vlъna, serb. vȕna ‘Wolle’; schwächere Ablautform *u̯lǝnā in cymr. gwlan, corn. gluan, bret. gloan (brit. Lw. ist mir. olann) ‘Wolle’;
andere Vokalstufe in lat. vellus, -eris ‘Vlies’ (villus ‘das zottige, wollige Haar der Tiere’) = ags. wil-mod ‘colus’ (d. i. ‘Wollstange’, wie wul-mod), wohl auch arm. gełmn ‘Wolle, Vlies’; Beziehung zu lat. vellere (u̯el-8) aus *u̯el-s-ō liegt nahe; *u̯lō- in gr. λῶμα n. ‘Saum, Gespint’, germ. *wlōha- (unter B) und idg. *u̯lō-ro- (u̯el-7) S. 1143.
B. Gutturalerweiterungen:
Ai. valká- m. ‘Bast, Splint’, valkala- ‘Bastgewand’, vr̥kala- n. ‘Bastgewand; ein bestimmtes Eingeweide’; isl. f., dän. lu ‘Tuchflocke, das Rauhe an Kleidern’, ags. as. wlōh ‘Faser, Franse, Flocke’ (germ. *wlōha-); aisl. lagðr ‘Büschel Wolle oder Нааг’ (*wlagaþa-); aksl. vlakno, russ. voloknó ‘Faser, Faden’; mit idg. k̑: ai. válśa- m. ‘Schößling, Zweig’ (dies weist auf ‘biegsame Rute’) und av. varǝsa-, npers. gurs = aksl. vlasъ, russ. volos ‘Haar’; zu einer von beiden Wzf. gehört gr. λάχνη f. ‘krauses Haar’ (*u̯l̥ksnā), λάχνος m. ‘Wolle’;
vgl. unter *u̯el- ‘drehen’ die ebenfalls auf *u̯olk- weisenden ags. wielgan ‘rollen’, ahd. wal(a)gōn.
C. Dentalerweiterungen:
Gr. λάσιος (*ϝλατιος, idg. *u̯l̥t-ii̯os) ‘dicht mit Wolle oder Haaren, auch Gestrüpp bewachsen’; air. folt ‘Haar’, cymr. gwallt, acorn. gols, abret. guolt ds., davon abret. guiltiat, guiliat, guoliat, mbret. guilchat ‘Schur, Tonsur’ und cymr. gwellaif, acorn. guillihim ‘Schere’, vielleicht auch cymr. gwellt, corn. gwels ‘Gras’, abret. gueltiocion ‘fenosa’ (oder zu mir. geltboth ‘pābulum’, gelid ‘grast’ S. 365, mit gw nach gwallt?);
ahd. as. wald ‘Wald’, ags. weald ds., aisl. vǫllr ‘Wiese’; nach E. Lewy (KZ. 40, 422) und Holthausen (KZ. 46, 178) würde Wald als *(s)u̯altus zu lat. saltus ‘Engpaß, Bergwald’, gehören, das dann von saltus ‘Sprung’ zu trennen wäre (oben S. 899), während Ernout-Meillet 2889 beide vereinigen (vgl. Pas de Calais usw); andere stellen Wald zu got. wilþeis ‘wild’, aisl. villr ‘wild, verrückt’, ags. wilde, as. ahd. wildiwild, unbebaut’ (*u̯eltii̯o-), nhd. Wild (*u̯eltos), wozu ferner cymr. gwyllt ‘wild, wahnsinnig, schnell’ (*ueltī-), corn. guyls ‘wild, unbebaut’, abret. gueld-enes ‘insula indomita’ (mir. geilt ‘Wahnsinniger’ ist wohl brit. Lw.);
lit. váltis ‘Haferrispe, Haferspelte’ (auch ‘Garn’), apr. wolti ‘Ähre’, ukr. volótь ‘Rispe’, serb. usw. vlȃt ‘Ähre’;
mit Media (aspir.?) aksl. vladь, aruss. volodь ‘Haar’.
D. Ai. vāla-, vāra- m. ‘Schweif(haar), Haarsieb’, ablaut. lit. valaĩ ‘Schweifhaar des Pferdes’.

WP. I 296 ff., WH. I 756, II 745, Trautmann 341, 359, Vasmer 1, 220 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal