Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wulps - (wellustig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

wulps bn. ‘wellustig’
Vnnl. onghereghelthede wulps ende jonc ‘dartele en frisse wanorde’ [1528; iWNT jong I], Wullipsche Jeucht, vol dartel zeden ‘wellustige jeugd, vol losse zeden’ [1610-19; iWNT].
Afgeleid van een bijvorm wulp ‘jong dier’ bij → welp, zoals in Eenre berinnen, wies wulpen dat ghevaen sijn ‘Een berin, wier welpen zijn gevangen’ [1360; MNW], Eenen Wulpen, ofte welpen [1573; WNT], wulpe van den leeuw [1599; Kil.]. De vorm met -u- is wrsch. ontstaan onder invloed van w- en -l-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wulps* [wellustig] {wulpsch [dartel, onbezonnen] 1528} van wulp, nevenvorm van welp, dus zich gedragend als het jong van een hond, beer e.d.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wulps bnw., laat-mnl. wulpsch ‘dartel, onbezonnen’ is een afl. van mnl. wulp, wulpe ‘jong van een dier’ met u uit e in labiale omgeving en dus hetzelfde als welp. Oorspr. dus duidend op het dartele van jonge dieren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wulpsch bnw. Kil. wulps “vermetel, onbesuisd, dartel”. Van Kil. wulpe “dierjong”, een reeds mnl. (ook wolp) en nu nog voorkomenden bijvorm van welp met u onder invloed der labiale consonanten (vgl. wulp, wulf).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wulps[ch], reeds laat-mnl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wulpsch bijv., Kil. wulps, van wulp 1, welp.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

wulps b.nw.
1. Speels, ligsinnig. 2. Met geslagslus vervul.
Uit Ndl. wulps (1582 in bet. 1, 1610 in bet. 2), 'n afleiding met -s van wulp, 'n wisselvorm van welp 'welpie', m.a.w. wulps sou lett. 'so spelerig soos 'n welpie' kon beteken.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wulps: dartel, ligsinnig, speels; Ndl. wulps(ch) (Mnl. wulpsch, by Kil wulps), hou soos wulp wsk. ook verb. m. welp.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wulpsch, van wulp of welp = jong dier; het woord bet. dus: dartel, speelsch als een jong dier.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wulps* wellustig 1611-1620 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal