Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zondvloed - (grote vloed)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zondvloed [grote vloed] {sindtvloet, sundtfloet 1562, sindvloed, sundvloed, sondvloed 1599} < middelhoogduits sin(t)fluot, hoogduits Sündflut; het eerste lid is volksetymologisch vervormd door associatie met zonde, maar het betekent eigenlijk ‘altijd, voortdurend, aanhoudend’, vgl. het eerste lid van zenegroen.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

zondvloed

Een der bedriegelijkste woorden in het Nederlands is het woord zondvloed. Het lijkt zo eenvoudig en doorzichtig: de vloed die de aarde overstroomde als straf voor de zonden der mensen, zoals beschreven in het boek Genesis. Toch is deze verklaring onjuist, hetgeen blijkt uit oude vormen.

Er was vroeger een voorvoegsel zene- of sene- dat een versterkende betekenis had en dat eigenlijk alleen over is in de plantennaam zenegroen: altijd groen. Dit versterkende woord vindt men ook in het 16e-eeuwse sintvloed dat dus slechts betekent: grote vloed. Reeds zeer vroeg is het woord vervormd doordat men het eerste lid in verband bracht met het woord zonde, waarmee het etymologisch niets te maken heeft. Duidelijk is dit te zien in de Oudhoogduitse vorm sintvluot tegenover de middelhoogduitse vorm Sündflut.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zondvloed znw. m., eerst sedert de 16de eeuw, door volksetymologische verbinding met zonde uit oostmnl. sintvloet, evenals nhd. sündflut < ohd. mhd. sintvluot, mnd. sintvlōt en wel uit het duits overgenomen. De oudste vormen zijn mnd. sinvlōt, ohd. sinvluot en bevatten als 1ste lid een woord sin, dat ook in got. sinteins ‘dagelijks’ voorkomt, os. ohd. ofri. oe. sin-, on. sī- ‘aanhoudend, altijd’. — Het best te verbinden met de idg. stam *sem- vgl. os. sim(b)la, ohd. simble(s), simblum, oe. sim(b)le, ‘altijd’, got. simlē ‘eens’. — Zie daarvoor: samen en zenegroen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zondvloed znw., sedert de 16. eeuw. De oudnnl. vorm sintvloed ook eerst in de 16. eeuw, hetgeen ontl. uit ’t Du. aannemelijk maakt. Zondvloed, hd. sündflut v. is een al mhd. volksetymologische vervorming van oudnnl. sintvloed, mhd. ohd. sin(t)vluot v. = mnd. sin(t)vlôt v. “groote vloed, zondvloed”. Voor het eerste lid zie senegroen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zondvloed. Reeds mnl. sintvloet, in een oostmnl. hs., wat mede vóor ontl. uit het Du. pleit. Verdam Tschr. 37, 46 vlg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zondvloed m., Kil. sindvloed, gelijk Hgd. sündflut, door volksetym. vervormd uit (Ohd.) sinvluot: het eerste lid Os. sin (sinlif = eeuwig leven), Ohd., Ags., Go. id., On. = altijddurend, algemeen + Skr. sanā, Gr. hénos, Lat. senex = oud, semper = altijd, Oier. sen, Lit. senas = oud: Idg. wrt. sen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

sondvloed s.nw.
1. Groot vloed in die tyd van Noag. 2. Geweldige oorstroming.
Uit Ndl. zondvloed (1562 in die vorme sindtvloet, sundtfloet in bet. 1, 1591 - 1596 in bet. 2).
Ndl. zondvloed uit Hoogduits Sündflut, waarvan die eerste lid teruggaan op Germ. *sin- 'ewigdurend, langdurig, baie groot' en die samestelling dus oorspr. 'omvangryke watervloed' beteken het, maar wat deur volksetimologie vervorm is deur assosiasie met zonde 'sonde' omdat die vloed as straf vir sonde gesien is.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zondvloed (Middelhoogduits sin(t)fluot); (na ons de --) (vert. van Frans après nous le déluge)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Zondvloed, het eerst in de 16e eeuw voorkomend als sintvloed, ontleend aan het hgd. Sündflut, dat zelf door volksethymologie is ontstaan uit een woord, waarvan het eerste deel niet Sünd, maar Sint of liever Sin luidde, dat in het ndl. o.a. nog overig is in Senegroen, een vertaling van het lat. sempervivum (verg. eng. evergreen), benaming van de potentilla; welk woord sin hetzij de bet. van altijd heeft, of als algemeene versterking dienst doet en verwant is met lat. senex, go. sineigs (oud). De vorm sintvloed komt o.a. nog voor in het Volksboek v. Christoffel Wagenaar 165 (16e eeuw).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zondvloed ‘grote vloed’ -> Noors syndflod ‘grote vloed’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands sondovloet, sond-vlued ‘grote vloed’; Papiaments zondvloed ‘grote vloed’; Sranantongo sondufrutu ‘grote vloed’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zondvloed grote vloed 1562 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut