Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

achter - (na)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

achter vz. ‘na’
Onl. after, aftir ‘achter, volgens’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. achter ‘achter, na’ [1200; CG II, Servas], affter [1253; Gez.reg.].
Os. aftar ‘achter, na, overeenkomstig’ (nnd. achter, aster ‘achter’); ohd. aftar ‘id.’; ofri. efter (nfri. efter, achter); oe. æfter (ne. after); on. eptir ‘na, langs, volgens’ en aptr (bw.) ‘terug, weer’ (nzw. efter ‘achter, na’); got. aftaro (bw.) ‘(van) achteren’, aftra ‘achteruit, weer’; < pgm. *af-ter, *af-tra ‘achter’. In de West-Germaanse talen is door het optreden van een svarabhaktivocaal tussen -t- en -r- geen verschil te zien tussen beide Germaanse vormen. Vormen zonder -r zijn: onl. eft, eht ‘weer, echter’ (zie ook → echter); os. eft; ofri. eft ‘later, weer’; oe. æft, eft ‘weer, terug’. Een vorm met het voorvoegsel bi- (zoals in → beneden, → boven, → buiten) is mnl. bachten ‘aan de achterkant’ [1266-67; CG I, 101].
Het gaat misschien om een vergrotende trap bij → af < pie. *h2ep- ‘af, weg’ met een achtervoegsel *-tero dat een ruimtelijke tegenstelling aangaf, zoals in Grieks apō-térō ‘verder weg’ en Sanskrit apatarám. Een andere mogelijkheid is verband met pie. *h1epi- ‘later’, zie → avond. Deze laatste lijkt iets waarschijnlijker.
De vorm achter in plaats van after is het gevolg van een uitsluitend Nederlandse klankwet, volgens welke de combinatie ft in cht veranderde, zoals in kracht, lucht tegenover Duits Kraft, Luft. Deze verandering moet al in de Oudnederlandse periode zijn opgetreden. In het Oudnederlands komen immers al hypercorrecte vormen voor als gesifte en sufte voor in plaats van oorspr. gesichte ‘gezicht’ en suchte ‘zucht, ziekte’ (als in geelzucht, zie → zucht). Daar waar het huidige Nederlands ft heeft, is bijna altijd sprake van analogisch herstel (bijv. helft naast half; vijftig naast vijf; in het Middelnederlands ook nog helcht, vichtich), of van een jonger leenwoord (bijv.schoft 1, → schoft 2) of jongere vorming (bijv.schaften, → schurft). Deze klankverandering heeft zich vooral in het Vlaams en het West-Brabants afgespeeld en is van daaruit in de standaardtaal doorgedrongen. Een relict met ft is bijv.bruiloft.

EWN: achter vz. 'na' (10e eeuw)
ANTEDATERING: aftar themo uuatare 'over het water' [891-900; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

achter* [voorzetsel] {oudnederlands aftar [achter, overeenkomstig] 801-900, middelnederlands after, achter} oudfries efter, gotisch aftra [wederom, terug] eng. after [achter, na]; buiten het germ. grieks apōterō [verder weg], oudindisch apataram [verder weg]; vergrotende trap van af [weg van] (vgl. echter).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

achter bijw. en voorz. dial. ook after (Zaans), mnl. achter, after, onfrank. after, aftir ‘achter, overeenkomstig’, os. ohd. aftar, ofri. efter, oe. æfter ‘na, achter, overeenkomstig’, on. aptr, got. aftra ‘wederom, terug’. Comp. vorming van af, vgl. apōtérō ‘verder weg’, oi. apataram ‘verder weg’ (IEW 53). — Zie ook: echter.

Sup. achterst, mnl. mnd. achterst, ofri. eftrost.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

achter bijw. en voorz., dial. (Zaansch) after, mnl. achter (after), ook (evenzoo nnl. dial.) van tijd gebruikt: “na”. = onfr. after, -ir “achter, overeenkomstig”, ohd. aftar, os. aftar, ahter, ofri. efter, ags. æfter (eng. after) “na, achter, overeenkomstig, verspreid over, daarna”, on. aptr, got. aftra “wederom, terug”, een afl. van af, evenals de bij echter vermelde woorden e.a. — Hierbij de superlatief achterst bnw., mnl., mnd. achterst “achterst, laatst”, ofri. eftrost “achterst”: vgl. met een ander suffix got. aftuma, aftumists, “de laatste”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

achter bijw. en voorz., Mnl. achter, echter, after, Onfra. after, Os. aftar + Ohd. aftar (Mhd. en Nhd. after), Ags. æfter (Eng. after), Ofri. efter, On. eptir (Zw. en De. efter), Go. aftra + Gr. apōtérō = verder af; is compar. van af met Idg. suff. -ter.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

achter (vz.) achter; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) agter, Aajdnederlands after <876-900>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

ater, vz.: achter. Heterofoon voor achter.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

taaftere(s), saaftere, saaftrus, bw.: in de namiddag (na 4 uur). Uit vz. te en after < achter en genitief-s naar analogie van ’s morgens.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

agterkom ww.
1. Gewaar, merk. 2. Bewus word van. 3. Begryp, te wete kom.
Uit die Ndl. verbinding er achter komen 'agter (iets) kom'. Eerste optekening in vroeë Afr. in 1779 in die frase "zo als ik van de Bossiesmannen agter gekoomen ben ..." (Scholtz 1965).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

achter ‘voorzetsel’ -> Fries achter ‘voorzetsel’.

achter ‘in of bij de achterkant’ -> Fries achter ‘in of bij de achterkant’; Engels aft ‘achterdeks, achterin, achteruit’; Duits achter ‘aan de achterkant (oorspr. in de zeemanstaal gebruikt)’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens agter ‘in of bij de achterkant’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors akter ‘in of bij het achterdeel (van een vaartuig); achteruit’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds akter ‘(in of bij) het achterdeel van een vaartuig’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins ahteri ‘achterste (deel van een schip of levend wezen)’ <via Zweeds>; Ests ahter ‘hek (van een schip)’ (uit Nederlands of Nederduits); Petjoh achter ‘in of bij de achterkant van het huis, als eufemisme voor: wc’; Negerhollands aastu, astǝ, astǝr, astu, astǝ', aster (ouder: na aster, naastu) ‘aanduiding van plaatselijke of tijdelijke betrekking, na, later, achteraan’; Berbice-Nederlands atre, atri ‘in of bij de achterkant’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † aster, asta ‘in of bij de achterkant’ <via Negerhollands>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

achter* voorzetsel 0876-900 [CG II1, 39]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1565. Het (of ze) achter (of in) de mouw hebben,

d.w.z. valsch zijn, streken hebben, schijnheilig, onbetrouwbaar zijn, stil en bestendig, maar de knepen inwendig (Gunnink, 107), waarvoor men dial. bij ons en in Antw. zegt: het (ze) achter zijnen elleboog (of de ellebogen) hebben (Harrebomeé II, LXX; Ndl. Wdb. III, 4081) en in Duitschland: es hinter dem Ermel haben (Wander I, 138) of es hinter den Ohren haben, dat ook bij ons en in het Hagelandsch bekend is (De Brune, Bank. II, 236; Rutten, 160 a) of es im Nacken sitzen haben (Schrader, Wunderg. 142 en Rutten, 152). In Zuid-Nederland het in of achter de mouw (zitten) hebben, geslepen zijn, den schijnheilige spelen (Schuermans, 395; Joos, 112; Waasch Idiot. 446 b; Antw. Idiot. 837); iets in de mouw houden, iets geheim houden (De Bo, 716 a); bij Campen, 3 of Spreuken, 3: Hy heftet noch inder mouwen, hy en laettet niet blijcken; Kluchtspel III, 275: Ons Swaentje zittense in de mouw, och, Janne, s'is niet te doorgronden; Winschooten, 347: Sij sien of sij geen vijf tellen konden, en sij hebbender wel tien in de mouw: sij hebbense (seggen sommige) agter haar ooren; Halma, 362: Hij heeft 'er wel zeven in de mouw, hij is loos en arg, il est fin et rusé; Sewel, 500: Hy lykt of hy geen drie tellen kan en hy heeft 'er wel zeven in de mouw, he looks very silly though he is very cunning; Menschenw. 149: Die hebbe se hier!.... achter hoarlie elleboog!; bl. 153: Van de faine mo' je 't hebbe.... die hebbe ze doàr, achter hoarlie elleboog.... achter hoarlie mouw; fri.: hy het de knepen yn 'e mouwe. De oorspr. bedoeling der uitdr. is wellicht een wapen in de mouw hebben, dit niet laten zien, en vandaar: niet te vertrouwen zijn. Dat men vroeger verboden wapenen in de mouw droeg, bewijst het Keurb. van Haerl. 27: Waert dat yement enige wapene anders droege dan gescreven staet, heymelyc in bosemen, in mouwen, in cousen, enz.;Mnl. Wdb. IV, 1996; Smetius, 237: Hij draeght een opsteker in den mouw, qui tranche du Rhodomont. Sp. Hist. III5, 8, 68: Die lose, die ongetrouwe die hadde in sine mouwe een stekemes al heimelike, want hi de heren wilde doden; Rose, 11217: In siene mouwe stac hi een scers (scheermes) van scarper sneden. Ook het westvl. een mes in de mouw hebben, trouweloos en wreedaardig zijn, wijst op dezen oorsprong. Bij Cats I, 244 b: Gij hebt al vry meer in de mouw als iemant wel vermoeden souw; bij Hooft, Ned. Hist. 294 a en Hendr. de Gr. 121: Middelen in de mouw hebben, de macht tot iets hebben (zie no. 1562 noot). Vgl. ook ze d'r achter hebben in Boefje, 11: Die was 'n stiekemert.... die had ze d'r achter; no. 30; De Jager, Archief IV, 50; Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens II, 345; Ndl. Wdb. IX, 1186 en iets wegmoffelen of vermoffelen, in den moffel (mouw) verbergen. Het eng. to have in one's sleeve beteekent ‘in petto hebben’; fr. avoir dans sa manche, in zijn macht hebben.

2657. Iemand op zijn achtersten zolder jagen,

d.w.z. iemand in het nauw drijven, in groote moeilijkheid brengen. Vgl. Harreb. II, 505: ‘Hy is op zijn' achtersten zolder: de achterste zolder is zooveel als de laatste schuilplaats. Wanneer men iemand op den achtersten zolder jaagt dan brengt men hem in groote moeyelijkheid, en is iemand op zijn achtersten zolder, dan zit hij in 't naauw’; N. Rott. Cour. 19 April 1923 (Avondbl. II kol. 1): Het behoeft niet te verwonderen, dat door dit Rapport de Hiemstra's, Hilginga's en van der Sluis'en, of hoe al die schrijvers in het Volk en de vakbeweging heeten mogen, op hun achterste zolder zijn geraakt.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

apo- (pō̆, ap-u, pu) ‘ab, weg’

Ai. ápa ‘weg, fort, zurück’ als adnominale Рräp. m. Abl. ‘von-weg’, av. ap. apa ‘von-weg’; über privatives *ap- im Iran, und Gr. s. Schwyzer ZII. 6, 230 ff.; gr. ἄπο, ἀπό m. Gen. (= *Ablativ) ‘von-weg, ab’; maked. ἀπ-, ἀβ-; alb. prapë ‘wieder, zurück’ (*per-apë); lat. ab m. Аbl., ‘von’ (vor tönenden Kons. aus ap, das noch in aperiō aus *ap-u̯eri̯ō; vielleicht auch in aprīcus, s. WH. I 59; über lat. af s. ebenda 1; abs = gr. ἄψ ‘zurück, wieder’; daraus as- vor p-, as-portō; ā vor tönenden Konsonanten), umbr. ap-ehtre ‘ab extra, extrinsecus’ (über andere, unsichere osk.-umbr. Belege s. v. Planta I 209, 426, II 454 f.);
got. af Präf. und Präp. m. Dat. ‘von, von-weg, von-her’, anord. af Adv. und Präp. m. Dat., ags. æf, of, as. af, ahd. aba, ab- ‘von, von-weg’, nhd. ab-.
Vgl. auch lit. apačià ‘der untere Teil’ (als ‘abgewandter Teil’, *apoti̯ā, zu ai. ápatya- n. ‘Nachkommenschaft’ und hitt. ap-pé-iz-zi-ia-aš (appezii̯as) ‘hinterer’. Als kelt. Abkömmlinge von *apo werden in Anspruch genommen acymr. ncymr. o ‘ex, ab, de’, a.-mcorn., a.-nbret. a ds. Doch kommt für diese lautarmen brit. Gebilde eher Zugehörigkeit zu air. ō, ua in Betracht (Thurneysen Gr. 524), so daß alles Brit. ganz unsicher bleibt.
In hett. a-ap-pa (apa) ‘hinter, zurück’ (vgl. gr. ἀπο-δίδωμι ‘gebe zurück’) sind vielleicht idg. apo und epi zusammengefallen (Pedersen Hitt. 188, Couvreur H̯ 94 f., Lohmann IF. 51, 324 f.).

Ableitungen:
apо-tero-, ap-ero-, ap-i̯o-, ap-ōko- und oben apoti̯ā, apeti̯o-.
Ai. apataram Adv. ‘weiter weg’, ap. apataram Adv. ‘abseits, anderswo’, gr. ἀπωτέρω ‘weiter entfernt’ (ἀπωτάτω ‘sehr weit entfernt’); vielleicht got. aftarō ‘von hinten, rückwärts’, aftuma, aftumists ‘der letzte’, ags. æftemest ds. und got. aftra ‘zurück, wiederum’, ahd. as. aftar Adv. ‘hinten, nach’ und Рräp. m. Dat. ‘nach, hinter-her, gemäß’, ags. æfter ds., anord. eptir Adv. und Рräp. m. Dat. und Akk. ‘nach’, aptr Adv. ‘zurück, rückwärts’.
Für diese germ. Worte steht aber auch Verwandtschaft mit gr. ὄπιθεν, idg. *epi, *opi zur Erwagung (Schulze KZ. 40, 414 Anm. 3), vgl. noch got. afta ‘hinten’, ags. æft ‘hinter, später’, got. aftana ‘von hinten’, anord. aptan, ags. æftan, as. aftan, mhd. aften ‘hernach’.
Ai. ápara- ‘hinterer, späterer, folgender, anderer’, Adv. -ám ‘nachher, später’, av. ap. apara- ‘hinterer, späterer, folgender’, Adv. -ǝm, -am, Sup. ai. apamá-, av. apǝma- ‘der entfernteste, letzte’; got. afar Adv. und Präp. mit Dat. und Akk. ‘nach, nachher’, ahd. avar, abur (letzteres aus *apu-ró-m, wie anord. aur- ‘unterer, hinterer’ in Kompos., s. Falk-Torp, 11 f.) ‘wieder, abermals, dagegen’ (nhd. aber), anord. afar ‘besonders, sehr’ (vgl. zur Bed. ai. ápara- auch ‘absonderlich, außergewöhnlich’, Lidén Stud. 74 ff.; ags. eafora, as. aƀaro ‘Nachkomme’). S. noch *āpero- ‘Ufer’.
Gr. ἄπιος ‘abgelegen, fern’ (wohl auch anord. efja f. Bucht in einem Fluß, in der die Strömung zurückläuft’, ags. ebba m. ‘Ebbe’, as. ebbia f., mndd. ebbe, woher nhd. Ebbe entlehnt, als ‘Abfluten’).
Ai. ápāka- ‘abseits liegend, entfernt, von vorn kommend’, arm. haka- als 1. Kompositionsglied ‘entgegen’, hakem ‘piegare ad una parte, inclinare’, aksl. opaky ‘wiederum’, ksl. opako, opaky, opače ‘zurück, verkehrt’, in welchen freilich z. T. auch zu *opi, gr. ὄπιθεν gehörige Formen stecken können (vgl. lat. opācus ‘schattig’ = ‘von der Sonne abgewendet’; Liter. zur Bildung bei Brugmann Grdr. II2 1, 482). Daneben anord. ǫfugr ‘nach rückwärts gekehrt’, as. aƀuh, avuh, ahd. abuh, abah ‘abgekehrt, verkehrt, böse’ (nhd. äbig, äbicht), ags. *afoc in engl. awkward, aus *apu-ko-s (oder aus *opu-ko-s : ὄπιθεν, so daß im Ablaut zu got. ibuks ‘rückwärts gehend’, ahd. ippihhōn ‘zurückrollen’? Johansson PBrB. 15, 230, im Konsonanten auf πυ-γή verweisend, s. auch Falk-Torp u. avet).

pō̆:
av. pa-zdayeiti ‘läßt wegrücken, scheucht’; lat. po-situs, pōnō aus *po-s[i]nō, po-liō, po-lūbrum, pōrcet aus *po-arcet; alb. pa m. Akk. ‘ohne’, pa- ‘un-’ (Gl. Meyer Alb. Wb. 317); afries. fån ‘von’, as. fana, fan, ahd. fona, fon m. Dat. (= *Abl.) ‘von’ (das ahd. -o- ist nach Persson IF. 2, 215 aus idg. *pu neben *po herzuleiten). Eine ähnliche Form sucht Trautmann Apr. 389 in apr. pan-s-dau ‘danach’. Gänzlich unsicher ist, ob arm. ołork ‘poliert, schlüpfrig, glatt’ nach Lidén Arm. St. 60 ff. o- aus *po- enthält. Dagegen hierher trotz vielfach abweichender Bed. (Brugmann Grdr. II2 2, 808 erwägt Aufsaugung von idg. *upo, und für sl. po in der Bed. ‘hinter, nach’ m. Lok. wohl richtig Entstehung aus *pos): aksl. po ‘nach, an, bei, über etwas hin’ (lit. mit Gen. u. Dat. ‘nach’, mit Instr. ‘unter’), als wesentlich nur mehr perfektivierendes Verbalpräfix lit. pa-, aksl. po- (als Nominalpräfix aksl. pa-, lit. pa und pó-, vgl. z. B. aksl. pamьněti ‘sich erinnern’, pamętь ‘Andenken’); apr. pa- wesentlich in nominaler, pō- in verbaler Kompos., vgl. Trautmann 203, Meillet Slave comm.2 505.
Über slav. po-dъ ‘unterhalb, unter’ s. Brugmann Grdr. II2 2, 733 f. - S. noch idg. *po-ti und *po-s.

ap-u steht neben *apo (Lit. s. u. *pu) in ark. kypr. lesb. thess. ἀπύ, in ahd. abo = aba, anord. au-virđi n. ‘verächtliche Person’ (Falk-Torp 11 f.), vgl. auch oben *apu-ro- neben *apero-, *apu-ko-, und *pu neben *po. Das -u vielleicht enklit. Partikel ‘und, auch’ (Feist Зa, 508a, WH. I 87). Vgl. auch Schwyzer Gr. Gr. I 182.

pu (s. о. *apu) meist in der Bed. (‘abgewendet’ =) ‘hinter, zurück’:
ahd. fona (s. o.), ai. punar ‘wieder zurück’, gr. πύματος ‘der letzte’; ganz unsicher lat. puppis ‘Hinterteil des Schiffes’.

WP. I 47 ff., WH. I If., 842, Feist За, Trautmann 11.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal