Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

advocaat - (rechtsgeleerde)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

advocaat 1 zn. ‘rechtsgeleerde, pleitbezorger’
Mnl. advocaet ‘pleitbezorger’ [1265-70; CG II, Lut.K].
Ontleend aan Latijn advocātus ‘bijgeroepene’, verl.deelw. van advocāre ‘bijeenroepen’, gevormd uit → ad- en vocāre ‘roepen’, zie → vocaal 1 ‘betreffende de stem’.
Oorspr. betekende het ‘iemand die erbij geroepen werd om hulp te verlenen’, later, in de Romeinse keizertijd, ook ‘juridische hulp’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

advocaat1 [rechtsgeleerde] {advocaet [pleitbezorger, zaakwaarnemer] 1265-1270} < latijn advocatus [iem. die een procederende partij bijstaat, meest een aanzienlijk burger, in de keizertijd de advocaat-procureur], eig. het verl. deelw. van advocare [tot zich roepen, i.h.b. van raadslieden bij een procedure], van ad [tot] + vocare [roepen], van vox (2e nv. vocis) [stem].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

advocaat

Een advocaat in de dop’, schreef een scholier in zijn proefwerk, ‘is iemand die later een goede advocaat zal worden, want goede advocaat maakt men van eieren’. Tegen deze verklaring is natuurlijk wel iets in te brengen, maar in één opzicht heeft onze scholier gelijk: hij legt verband tussen de rechtsgeleerde en het mengsel van brandewijn, eieren, suiker en notemuskaat. Advocaat, uit het Latijnse advocatus, betekent letterlijk: bijgeroepene en in het bijzonder degene die tijdens de Romeinse Republiek door een gedaagde te hulp geroepen werd om hem voor het gerecht bij te staan. Vrijwel dezelfde betekenis heeft het woord nu nog. De bijstand wordt veelal verleend door het houden van een pleidooi. Daarvoor moet de advocaat goed bij stem zijn en als een uitnemend smeersel voor de keel beschouwde men (en beschouwt men wellicht nog) de bovengenoemde drank, die daaraan de naam advocatenborrel, kortweg advocaat(je) ontleende.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

advocaat znw. m., advocaet, avocaet, avecaet < lat. advocatus ‘persoon, wiens hulp men voor een rechtszaak inriep’.

Ook als naam van een drank gebruikt en dan verkort uit advocatenborrel, zo genoemd, omdat de drank, die de keel heet te smeren, voor een advocaat zeer geschikt moet zijn (v. Haeringen, Suppl. 4).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† advocaat znw., mnl. advocaet m. uit lat. advocâtus, evenals fr. avocat. Als naam van een drank (reeds 18e eeuw) verkort uit advocatenborrel; de drank is zo genoemd omdat hij de keel heet te smeren en dus voor een advocaat, die veel spreken moet, bijzonder geschikt is.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

advocaat m., gelijk Fr. avocat, uit Lat. advocatum (-us) = die bijgeroepen wordt om iemand voor het gerecht bij te staan, is zelfst. gebr. v.d. van advocare, gevormd met ad (z. togen) en vocare = roepen (z. gewag).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

avvekaot (zn.) advokaat; Aajdnederlands advocaet <1265-1270> < Latien advocatus.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1advokaat s.nw.
1. Gekwalifiseerde regsgeleerde wat tot die balie toegelaat word en daarna in die hoërhof as pleitbesorger vir 'n party wat 'n siviele geding voer, optree. 2. Iemand wat vir 'n persoon of saak pleit.
Uit Ndl. advocaat, advokaat (Mnl. advocaet, avocaet, afecaet).
Mnl. advocaet, avocaet, afecaet 'pleitbesorger' uit Latyn advocatus 'byeengeroepene'.
In die Romeinse tyd was dit die benaming van iemand wie se hulp deur 'n gedaagde ingeroep is om lg. voor die gereg van raad te bedien. Oorspr. was dit vriende en verwante wat saam voor die regbank verskyn het om vanweë hulle getal, aansien of trane invloed op die regter uit te oefen.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

advocaat (Latijn advocatus)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Advocaat, van ’t Lat. advocatus, d.i. die er bij geroepen wordt, n.1. om iemand voor ’t gerecht te verdedigen; vocare = roepen. Zie ook Voogd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

advocaat ‘rechtsgeleerde’ -> Shona gweta ‘wetskenner’ <via Afrikaans>; Indonesisch adpokat, advokat, alpukat ‘rechtsgeleerde’; Javaans apokat, arpokat (vo) ‘rechtsgeleerde’; Makassaars opokấ, apokấ ‘rechtsgeleerde’; Menadonees advokat ‘rechtsgeleerde’; Creools-Portugees (Ceylon) advocat ‘rechtsgeleerde’; Singalees advakāt ‘rechtsgeleerde’; Tamil appukkāttu ‘rechtsgeleerde’; Sranantongo afkati ‘rechtsgeleerde’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

advocaat rechtsgeleerde 1265-1270 [CG Lut.K] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal