Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bal - (danspartij)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bal 2 zn. ‘danspartij’
Vnnl. baal ‘dansfeest’ [1643; WNT], bal [1682; WNT]; nnl. bal (figuurlijk) ‘opschudding, rumoer, twist’ [1785; WNT].
Ontleend aan Frans bal, afleiding van het werkwoord baller ‘dansen’, ouder baler, ontwikkeld uit Laatlatijn ballare ‘dansen’ < Grieks ballízein ‘heen en weer bewegen, dansen’, afleiding van bállein ‘werpen, zich werpen, draaien, zwenken’.
In het Nederlands kwam aanvankelijk ook de vorm baal voor. Dat dit zou wijzen op een Franse uitspraak (WNT), is niet correct. Het komt namelijk voort uit de West-Vlaamse dialectvariant bale (Schuermans 1865-70), in oorsprong vermoedelijk een ander woord (Debrabandere).
De betekenis ‘opschudding, rumoer, twist’ is secundair en komt nog in België voor, in uitdrukkingen als daar is het altijd bal of het is er weer bal. Dit zijn varianten van de poppen zijn aan het dansen, een gezegde ontleend aan het marionettenspel. Evenzo Duits da geht der Tanz los; Engels the ball opens; Frans voilá le bal qui commence (Stoett 1943).
Woorden die op hetzelfde Latijnse werkwoord ballare teruggaan, zijn: via het Latijn zelf → blijde; via het Frans → ballade, → bolide; via het Italiaans → ballerina, → ballet; via het Duits → balts. Van het Griekse woord bállein zijn o.a. afgeleid: → ballistiek, → embleem, → probleem, → parabool, → hyperbool, en zie bovendien → diabolo.
Lit.: Debrabandere 1986, 94

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bal2 [danspartij] {1643} < frans bal, van baller < latijn ballare < grieks ballizein [dansen], van ballein [werpen, snellen, zich werpen, draaien, zwenken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bal 2 znw. o., ‘dansfeest’ < fra. bal, afgeleid van baller, ofra. baler, baller ‘dansen’ dat men verbindt met gr. pállein ‘zwaaien, dansen’ (Meyer-Lübke 74).

bal 2 [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: ofra. baller is, volgens Bloch-v. Wartburg4 [1964], afgeleid van laat-lat. ballāre (4de e.), gevormd naar gr. βάλλειν ‘werpen’, waarvan de afgeleide vorm βαλλίζειν in Sicilië en de Graecia Magna de betekenis ‘dansen’ had.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bal II znw. o., nog niet bij Kil. Evenals hd. ball m., eng. ball, de. zw. bal uit fr. bal “bal”, dat bij ofr. bal(l)er (= it. ballare) “dansen” is gevormd. [Hieruit is mnl. balêren “dansen”, ook “slenteren”, nnl. dial. (Zaansch, Gron.) baljaren, baljaarden “springen, tieren, schelden” ontleend] Rom. *ballare wordt door sommigen van het germ. woord bal I, door anderen van gr. ballízein “dansen” (van bállein “gooien”) afgeleid.

[Aanvullingen en Verbeteringen] bal II. Het ww. baljaren, -aarden is een ouder-nnl. ontl. uit spa. port. bailar “dansen”. Als West-Indisch leenwoord beschouwd; de bet. van zuidafrikaansch baljaar “stoeien, ravotten, tieren” wordt echter voor ontl. in de Oost aangevoerd.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bal II o. Mnl. balêren ‘dansen, slenteren’ is ontleend aan ofr. baler; ouder-nnl. en nnl. dial. baljaren, -aarden ‘springen, drukte maken’ daarentegen wordt beschouwd als een koloniale ontlening aan spa. port. bailar ‘dansen’ (Vgl. v. Wijk Aanv.).
Het rom. woord (it. ballare, ofr. baler) wordt tegenwoordig afgeleid van gr. pállein ‘schudden, zwaaien’ (M.-L. 909).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bal 2 o. (danspartij), gelijk Eng. ball en Hgd. bal, uit Fr. bal, is de stam van Ofra. baller, It. ballare, Port. bailar, van Mlat. ballare, Gr. ballízein = dansen: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bal (zn.) dansfeest; Nuinederlands baal <1643> < Frans bal.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

II. bal: bal op dak (het), bescheiden feest. - Etym.: ‘Bal’ betekent hier danspartij. Het is een ironische uitdr. die juist een uitbundig feest suggereert.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bal ‘dansfeest’ (Frans bal); ‘gulden’ (Frans balle)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bal ‘danspartij’ -> Singalees bāl ‘danspartij’; Negerhollands bal ‘danspartij’; Sranantongo bal ‘danspartij’ (uit Nederlands of Engels); Creools-Engels (Maagdeneilanden) bal ‘danspartij’ <via Negerhollands>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bal danspartij 1643 [Toll.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal