Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bedisselen - (regelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bedisselen ww. (NN) ‘regelen’
Vnnl. beslepen en bedisselt ‘bijgeschaafd en ontdaan van ruwheden’ [ca. 1600; WNT], bespaert en bedisselt ‘(bijeen)gespaard en geregeld’ [1612; WNT], bedisselen ‘geheel in orde brengen, beredderen, regelen’ [1623; WNT], ‘bedillen, betuttelen’ [1644; WNT].
Afleiding met → be- van het zn.dissel 1. De oorspr. betekenis is dus ‘met de dissel bewerken’: de dissel is een bijl met het gebogen ijzer dwars op de steel, waarmee men naar zich toe slaat, zodat een fijne bewerking mogelijk is.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bedisselen* [regelen] {ca. 1600} van dissel1 [een instrument waarmee oneffenheden in houtwerk werden weggewerkt]; bedisselen is dus ‘keurig in orde maken’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bedisselen ww., eig. ‘met de dissel bewerken’ (zie: dissel 1); dan dus ‘glad maken, in orde brengen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dissel I (bijl). Nog slechts dial. in gebruik; alg.-ndl. nog het ww. bedisselen, eig. “met de bijl bewerken, met de bijl glad maken”: in de 17. eeuw komt ’t behalve overdr. ook in deze bet. voor. Mnl. nndl. dial. dissel m. = ohd. dëhsala (nhd. dial. dechsel), mnd. dësele, dëssel v. “bijl, houweel”, on. þëxla v. “een soort bijl”. Van den wortel teḱþ- “bewerken, timmeren, hakken” (vgl. bij das I), waarvan ook in andere talen namen van werktuigen: ier. tâl (*tôḱþlo-; ook geheel anders opgevat), russ. teslá, av. taša- “bijl”. De wvla. vorm diesel, dijsel “kuiperswerktuig” (dgl. vormen ook in andere diall.) naast destel “timmermanswerktuig”, Kil. diessel, diechsel “dolabra, ascia, securis” naast dessel, dissel zijn evenmin als nhd. deichsel, mnd. deissel klankwettig uit germ. *þeχs(a)(n)- te verklaren. Wsch. moeten wij aan invloed van dissel II denken. Omgekeerd is door invloed van dissel I op dissel II os. thëssalia v. “disselboom” te verklaren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

bedrisselen, bedrissen ww.: beredderen. Met epenthetische r uit bedisselen, oorspr. ‘met de dissel bewerken, glad maken, effen maken’, maar in de 17de e. al ‘beredderen’: 1640 de ouwe wijven die weten toch alle dingh te bedisselen (WNT). Bedrissen is een Rückbildung, alsof bedrisselen er een freq. van was.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bedisselen ‘regelen, beredderen’ -> Fries bedisselje ‘regelen, beredderen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bedisselen* regelen 1600 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal