Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bes - (kleine vrucht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bes zn. ‘kleine vrucht’
Mnl. besie ‘bes, druif’ [1350-1420; MNW], bese ‘bes’ [ca. 1475; MNW]; vnnl. bes [17e eeuw; WNT].
De vorm bes is afkomstig uit pgm. *basja. De vorm bees of beze ‘bes’, met lange klinker, komt dialectisch nog voor. Deze vormen en het nu verouderde → bezie zijn wrsch. ontstaan uit pgm. *basija, waarbij klinkerrekking optrad in de eerste (open) lettergreep van deze drie-lettergrepige vorm.
In pgm. *basja was de eerste syllabe gesloten, zodat er geen rekking op kon treden. Verschillende naamvallen liggen misschien ten grondslag aan deze variatie.
Uit pgm. *bazja ontstonden, ten gevolge van de grammatische wisseling gevolgd door rotacisme, mnl. bere ‘bes’ [1477; Teuth.]; os. (wīn)beri ‘druif’; ohd. beri ‘bes’ (nhd. Beere); oe. berie, berige (ne. berry); on. ber (nzw. bär). Got. (wina)basi komt voort uit pgm. *bas-ja.
De herkomst van het Proto-Germaanse grondwoord, dat blijkbaar ongewoon veel vormen kon aannemen, is duister. Mogelijk is het een substraatwoord. Verband met een woord voor ‘purper, scharlaken’ (zoals oe. basu ‘purper’ en buiten het Germaans ook Middeliers basc ‘rood, scharlaken’) is onzeker. Het Noors kent een dialectwoord bas(e) ‘struikje (waaraan bessen groeien)’, maar ook hier is het verband twijfelachtig. Onwaarschijnlijk is de aanname van een wortel pie. *bhes-, *bhos- waaruit Sanskrit bhas- ‘eten’, bábhasti ‘hij kauwt’ (IEW 145). Het Latijn heeft bāca, bacca ‘bes’; mogelijk is hier sprake van een zeer oud, voor-Indo-Europees substraatwoord. Seebold stelt dat pgm. *b voortkomt uit pie. *gwh, hetgeen betekent dat pgm. *bas- het resultaat zou zijn van pie. *-gwho-s-, waarbij pie. *oigwh-, *ougwh- nog enige reflexen oplevert die ‘bes’ betekenen: Latijn ūva ‘druif’; Litouws úoga ‘bes’; Oudkerkslavisch jagoda. Seebolds etymologie is echter ook heel onwaarschijnlijk.
Lit.: E. Seebold (1967) ‘Die Vertretung von idg. gwh im Germanischen’, in: Zeitschrift für vergleichende Sprachforschung 81, 104-133

EWN: bes zn. 'kleine vrucht' (1350-1420*)
ANTEDATERING: met besien 'met bessen (gezegd van druiven)' [1317-25; iMNW]
Later: bes 'bes (gezegd van een druif)' [1660; iWNT] (EWN: 17e eeuw)
{* De eerste attestatie van het EWN moet als volgt gedateerd worden: [1380-1425; iMNW].}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bes1* [kleine vrucht] {besie, bere 1351-1400} ontstaan uit twee in het germ. reeds wisselende vormen, vgl. oudhoogduits beri, oudengels berie, oudnoors ber, gotisch -basi, heel misschien verwant met oudindisch bhās- [glans, licht].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bes znw. v. of bezie, mnl. bes, besie (daarnaast ook dial. bere ‘bes, druif, druiventros’). De grondvormen zijn *basi en *basja, bazja. Verder te vergelijken: os. wīnberi ‘druif’, ohd. beri ‘bes, druif’, oe. berie (ne. berry) ‘bes, druif’, on. ber ‘bes’, got. weina-basi ‘druif’.

De verklaring is niet geheel zeker: 1. in verband met nnoorw. bas, base ‘struikje’ (S. Bugge, PBB 21, 1896, 421) en dan dus ‘op struiken groeiend’ (maar dit woord staat geïsoleerd; is bas(e) misschien een struik, waarop bessen groeien? — 2. bij oe. basu ‘rood’ (Lidén, IF 18, 1906, 415-6), dat dan verder samenhangt met oi. bhās- ‘glans, licht’, bhāsati ‘schitteren’ (onzeker volgens IEW 105). — De mnl. besie is reeds in de 12de eeuw met nl. kolonisten naar het Oostelbische gebied gekomen, waar nog sporadisch bese, besien voortleeft, terwijl over een groot gebied de afl. bäsinge ‘bosbes’ voorkomt (vgl. ook erdbäsinge ‘aardbei’), vgl. Teuchert Sprachreste 216-221 met twee kaartjes.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bes, bezie znw., mnl. bes, bēsie, dial. ook bēre v. “bes, druif, druiventros”. In de nndl. diall. komen vooral bes() en bēs, bēzǝ voor, soms in één dial. beide naast elkaar; bijv. op Goeree bessǝ, bēzǝm, op N.-Beveland ǣlᵊbĕsǝ, ǣrᵊbēzǝm, op Beierland bes, ǣrǝ-, mûrbēs. De vorm bes() is als bed() (zie bed) te verklaren: in den stam wgerm. *basja-, resp. *basjô(u)- werd vóór de j de s verdubbeld; bēs, bēzǝ gaat vermoedelijk op den o. nomin.-accus. *basi terug (vgl. beek = os. beki). De r-vorm komt nog dial. voor: achterh. boschbère (: bēze), dr. albèr (: beze. NB. in Koekange alderbezen). Hij staat in gramm. wechsel met den s-vorm: er heeft een germ. *ƀazja- naast ƀasja- bestaan; misschien hadden oudtijds verschillende casus van één paradigma verschillend accent. De v. (n)- stammen (ndl. bessǝ, ags. berie) zijn wsch. niet oergerm. Opvallend is de vorm bezie, mnl. bēsie. Vgl. uit andere germ. talen: ohd. beri o. “bes, druif” (nhd. beere v.), os. wín-beri o. “wijndruif”, ags. berie v. (eng. berry) “bes, druif”, on. ber o. “bes”, got. weina-basi o. “wijndruif”. De eenige aannemelijke combinatie is die met den wa-stam ags. basu “rood”, een formantische variant van ier. basc “id.”. Deze woorden staan in ablaut met oi. bhấs- “glans, licht”, bhấsati “hij schittert”. De basis bhês- gaat op de kortere bhê- (zie bad) terug. Naast bes, bezie komt bei voor (zie aardbei). Contaminatie van beide in Maastrichtsch ērǝbèis “aardbei”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bes, bezie. De vorm bezie, mnl. bēsie, die in het art. ‘opvallend’ wordt genoemd, is wellicht te verklaren uit contaminatie van *bērie (voor mnl. -rie bij jô-stammen vgl. mnl. bērie bij baar I Suppl. en mnl. mērie bij merrie genoemd) en mnl. bēse.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bes v., dial. besse, beantw. aan *basjâ; z. bezie.

bezie v., Mnl. bezie, beze, Go. basi: niet buiten het Germ. (z. bes, beier en bei). De afwisseling basi- en basj- in de flexie gaf de dubbelvorm bezie en besse.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

beer, zn.: bes. D. Beere ‘bes’. Ohd. beri, Mnd. bêre, Mhd. ber, E. berry met r uit s door grammatische wisseling naast Got. basi > Mnl. besie, Ndl. bes. Idg. wortel *bhâ-, bhô- ‘glanzen’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

bees, zn.: bes; krent. Ook Ovl., maar westelijk Ovl. en Wvl. beze. Mnl. bese, besie; Vnnl. bese, besie ‘bes’ (Kiliaan). Got. basi, Germ. basja > (door i-umlaut) Mnl. besse > Ndl. bes. Vgl. Oe. basu ‘rood’ en Oind. bhâs ‘glans’. De bes kreeg dus haar naam vanwege de rode glans.

bissem, bizzem, zn.: bes. De stemloze s zal zijn ontstaan uit besse (waaruit Ndl. bes) < Germ. basja. De uitgang -em wellicht beïnvloed door bezem. Zie ook bees.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

bees, zn. v.: bes. Wvl. beze. Mnl. bese, besie; Vnnl. bese, besie ‘bes’ (Kiliaan). Got. basi, Germ. basja > (door i-umlaut) Mnl. besse > Ndl. bes. Vgl. Oe. basu ‘rood’ en Oind. bhâs ‘glans’. De bes kreeg dus haar naam vanwege de rode glans.

beier zn. m.: bes, m.n. kruisbes; (ook) aalbes (ZB). Gents beier alleen in brombeier ‘braambes’ (LC). Vgl. Wvl. beier ‘bes’ in braambeier, stekelbeier. Mnl. bere, beer en dim. beerkin, beyerkin. Os., Ohd. beri, Mhd. bere, D. Beere, Oe. beri(g)e, E. berry, On. ber < Germ. bazja. Misschien beier < beir met ingevoegde glijder, vgl. D. teuer < teur ‘duur’ (WNT) of door contaminatie van beer en bei < Ofr. baie < Lat. baca (Vercoullie). Beier/beere is hetzelfde woord als beze met z/r-wisseling (rotacisme). Samenst. moerbeier. – Bibl.: K. Heeroma, Beier ‘bes’. TNTL LXX (1952), 266-269.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

bees (G, W), zn. v.: bessenjenever, borrel. Met apocope van de zwakke e-uitgang < beze 'bes'. Metonymisch. Zie beze.

beze (E, ZO), bezie (R), bees (OV, ZV), zn. v.: bes. Ook Wvl. Mnl. bese, besie; Vnnl. bese, besie 'bes' (Kiliaan). Got. basi, Germ. basja > (door i-umlaut) Mnl. besse > Ndl. bes. Vgl. Oe. basu 'rood' en Oind. bhâs 'glans'. De bes kreeg dus haar naam vanwege de rode glans.

beier (E, G, ZV), zn. m.: bes, m.n. kruisbes. Gents beier alleen in brombeier 'braambes' (LC). Vgl. Wvl. beier 'bes' in braambeier, stekelbeier. Mnl. bere, beer en dim. beerkin, beyerkin. Os., Ohd. beri, Mhd. bere, D. Beere, Oe. beri(g)e, E. berry, On. ber < Germ. bazja. Misschien beier < beir met ingevoegde glijder, vgl. D. teuer < teur 'duur' (WNT) of door contaminatie van beer en bei < Ofr. baie < Lat. baca (Vercoullie). Beier/beere is hetzelfde woord als beze met z/r-wisseling (rotacisme).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

beer bes (Achel-Hamont). = hgd. beere ~ nl. bes. De r is ontstaan uit een z en deze was het gevolg van grammatische wisseling. De wortel is ook aanwezig in oeng. basu ‘rood’ ~ oind. bhās- ‘glans’.
Bernaerts 19.

beier kruisbes (Zeeland, West-Vlaanderen). Singulier ‹ *bei ‘bes’ (vgl. aardbei) « fra. baie ‹ lat baca ‘bes’.
TNTL LXX 266-269.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

beier, zn. m.: bes (braambeier, stekelbeier); kraal. Ook Zeeuws. Mnl. bere, beer en dim. beerkijn, beyerkijn. Os., Ohd. beri, Mhd. bere, D. Beere, Oe. beri(g)e, E. berry, On. ber < Germ. bazja. Misschien beier <beir met ingevoegde glijder, vgl. D. teuer < teur ‘duur’ (WNT) of door contaminatie van beer en bei < Fr. baie < Lat. baca (Vercoullie). Beier/beere is hetzelfde woord als beze met z/r-wisseling (rotacisme). Zie beze.

beze (I, K), zn. v.: bes (b.v. stekelbeze). Mnl. bese, besie; Got. basi, Germ. basja > (door z’-umlaut) Mnl. besse > Ndl. bes. Vgl. Oe. basu ‘rood’ en Oind. bhâs ‘glans’. De bes kreeg dus haar naam naar de rode glans.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bes ‘kleine vrucht’ -> Duits dialect Bes, Bäsie, Besinge, Bäsinge, Bärschken ‘kruisbes, gewone bes’; Papiaments bèshi ‘kleine vrucht, bessenboom (Condalia henriquezii)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bes* kleine vrucht 1350 [Toll.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bhā-1, bhō-, bhǝ- ‘glänzen, leuchten, scheinen’

Ai. bhā (in Kompos.) ‘Schein, Licht, Glanz’, bhā́ti ‘leuchtet, (er-)scheint’, bhā́ti-ḥ ‘Licht’, bhā́na-m n. ‘das Leuchten, Erscheinung’ (vgl. air. bān ‘weiß’, ags. bōnian ‘polieren’), bhānú-ḥ ‘Licht, Strahl, Sonne’ (: as. banu-t), bhā́ma-ḥ ‘Licht, Schein’;
av. bā- ‘scheinen’ nur mit ā- (avā̊ntǝm ‘den gleichenden’), frā (fra-vāiti ‘leuchtet hervor’) und vi- (vi-bā- ‘leuchten’, Benveniste BSL. 32, 86 f.), vīspō-bām(y)a- ‘allglänzend’, bāmya- ‘licht, glänzend’, bānu- m. ‘Licht, Strahl’;
arm. banam (*bhā-n-) ‘öffne, enthülle’ (wenn eigentlich ‘zeige, lasse sichtbar werden’), Aor. ba-t’si, vgl. gr. φαίνω und alb. bâj;
gr. πεφήσεται ‘wird erscheinen’, *bhǝ-n- im Präsens φαίνω (*φανι̯ω statt *φά-νω Schwyzer Gr. Gr. I 694) ‘mache sichtbar, zeige’, φαίνομαι ‘erscheine, scheine, leuchte’ (ἐφάνην, Aor. ἔφηνα); φᾰνερός ‘sichtbar, offenbar, deutlich’, φανή ‘Fackel’; φάσις ‘Aufgang eines Gestirns’ (s. auch unter bhā-2), φάσμα, -ατος ‘Erscheinung, Gesicht, Vorzeichen’ (vgl. πεφασμένος); ἀμφαδόν, ἀμφάδιος ‘offenbar’ (ἀνα-φ-); φάντα· λάμποντα Hes. (zu *φᾱμι = ai. bhā́ti); vgl. ἀργύ-φεος, ἄργυφος ‘weißglänzend’;
alb. geg. bâj, tosk. bënj (= φαίνω) ‘mache, tue’ (ursprüngl. wohl ‘bringe zur Erscheinung’);
air. bān ‘weiß’, oíb f. (*opi-bhā) ‘Erscheinung, Schönheit’;
as. banut ‘fōmes’; ags. bōnian ‘polieren’ (d. i. ‘glänzend machen’), ndd. (und daraus nhd.) bōnen ‘scheuern, bohnen’, mhd. büenen ‘bohnen’ (ob got. bandwa, -wō ‘Zeichen’, bandwjan, aisl. benda ‘ein Zeichen geben’ hierher gehören - etwa als u̯-Ableitung von einem Partiz. bhā-nt- ‘scheinend’ -, ist fraglich. Lit. bei Feist 79 f.);
osorb. baju, bać so ‘unmerklich brennen, glimmen’, nsorb. bajom, bajaś se ‘glimmen, flackern’;
toch. A paṃ ‘klar’ (*bhǝno-), pañi ‘Schönheit’, В peñijo ds. (Duchesne-Guillemin BSL. 41, 164); A pākär, В pākri, a-pākärtse ‘offen, deutlich’; A pā-tsänk, В pa-tsäṅk ‘Fenster’ (-tsänk usw. ‘leuchten’), Van Windekens Lexique 78 f.; В pate, A pāt (im Kompos.) ‘Erscheinung’ (*bhā-ti-), Pisani Re. R. 1st. Lornb. 78, 2, 28.
s-Erweiterung bhō-s-: ai. bhā́s- n. (ved. auch zweisilbig), Instr. bhāsā́ ‘Licht, Schein, Herrlichkeit, Macht’, subhā́s- ‘schönen Glanz habend’, bhā́-sati ‘glänzt’, bhā́sant- ‘glänzend’, bhā́saḥ n. ‘Licht’;
gr. φώσκει· διαφάνει Hes., διαφώσκω ‘beginne zu glänzen’ sind vielleicht (aus πι-φαύσκω) nach φῶς umgebildet, ebenso φωστήρ ‘Glanz, Leuchte’
Unsicher ist, ob mir. basc ‘rot’, ags. basu, baso ‘purpurn’ (*bhǝs-ko-, -u̯o-) anzuschließen sind, zu got. weina-basi ‘Weinbeere’, ahd. beri ‘Вееrе’, eigentlich ‘rote Beere’? Dazu der vollstufige MN ahd. Buoso, aisl. Bōsi usw.?
-Erweiterung bhā-u-: ai. vi-bhā́va-ḥ, vi-bhā́van- ‘strahlend, scheinend’;
gr. hom. φάε (*φαϝε) ‘glänzte, erschien’, φαέθων, -οντος ‘glänzend’, φαεσί-μβροτος, Pind. φαυσί-μβροτος ‘für die Menschen glänzend’, φάος (äol. φάυος, pamph. φάβος) att. kontr. φῶς, Gen. φωτός, φάους, ‘Licht, Heil’, wovon *φαϝεσ-νός in lesb. φάεννος, ion. φαεινός, att. φᾱνός ‘glänzend’, hom. φαείνω ‘glänze’; πιφαύσκω ‘lasse leuchten; zeige; gebe kund’. Anders Specht KZ. 59, 58 f.
Ist germ. *baukna-, in afries. bāken ‘Wahrzeichen, Feuersignal’, as. bōkan ‘Zeichen, Wahrzeichen’, ags. bēacen ‘Zeichen, Fahne’, ahd. bouhhan ‘Zeichen’ von solchem germ. *bau- nach *taikna- ‘Zeichen’ gebildet?

WP. II 122 f., WH. I 454 f., Schwyzer Gr. Gr. I 694, 709.

bhes-1 ‘abreiben, zerreiben, ausstreuen’

Ai. bábhasti ‘zerkaut’, 3. Pl. bápsati; bhásma- n. ‘Asche’;
durch verbale Erweiterungen entstandene psā(i)-, psō/i/-, psǝ(i)-, psī- in ai. psāti ‘verzehrt’, gr. ψάω, ψάιω ‘reibe’, ψαίρω ds., ψαύω ‘berühre’, ψηνός ‘kahlköpfig’, ψῆφος f., dor. ψᾶφος ‘Kieselstein’, ψήχω ‘reibe ab’, ψώχω ‘zerreibe’;
Ψόλος, φέψαλος ‘Ruß, Rauch’; ψάμμος f. ‘Sand, Strand’ aus *ψάφμος, vgl. ψαφαρός ‘zerbrechlich’ (*bhsǝ-bh-) und lat. sabulum ‘Sand’ (*bhsǝ-bhlo-?); mit schon idg. sporadischem Wandel des anlaut. bhs- zu s-: gr. ἄμαθος ‘Sand’ (= mhd. samt); durch verschiedene Kontaminationen ἄμμος und ψάμαθος ds., dazu ψῑλός ‘kahl, bloß’, ψιάς ‘Tropfen’ usw.;
alb. fšiṅ, pšiṅ, mešiṅ ‘kehre aus, dresche’;
lat. sabulum ‘Sand’ (s. oben), womit EM. 881 arm. awaz ds. vergleicht;
mhd. samt (*samatho-) neben ahd. sant ‘Sand’ (*samtho-, germ. sanda-, daraus finn. santa);
toch. A päs- ‘ausgießen, besprengen’ (?).

WP. II 189, Boisacq 48, 1074, Kluge11 s. v. Sand, Schwyzer Gr. Gr. I 328 f., 676; Specht Dekl. 255, 325, Van Windekens Lexique 91.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal