Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beurs - (portemonnee)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

beurs 1 zn. ‘geldbuidel’
Mnl. burse ‘geldbuidel’ [1240; Bern.], buerse ‘id.’ [1291; CG I, 1519], borse ‘id.’ [1292; CG I, 1833], boerse ‘id.’ [1300; CG I, 2769], borse ‘geheime bergplaats’ [ca. 1330; MNW], ‘balzak’ [1351; MNW].
Wrsch. via Oudfrans bourse ‘(geld)buidel, leren zak’ [begin 13e eeuw; Rey], ouder borse [ca. 1150; Rey], ontleend aan middeleeuws Latijn bursa ‘leren zak, buidel’ [ca. 750; Rey] < Laatlatijn byrsa, bursa ‘leder’ [eind 4e eeuw] < Grieks búrsa ‘(afgestroopte) huid, leder, trommel(vel)’.
Os. bursa (mnd. burse, borse, börse ‘geldbuidel, kas’); ohd. burissa ‘zakje, beurs’ (mhd. burse; nhd. (< ndl.) Börse); nfri. beurs.
Het Griekse woord is van onduidelijke herkomst; het is waarschijnlijk een substraatwoord.
In het Middelnederlands betekende beurs ook ‘zaadhuis’, ‘balzak’, ‘geheime bergplaats’ enz.; zie → beurs 2.
Lit.: M. Philippa (1992) ‘Beurs’, in OT 61, 49

beurs 3 zn. ‘toelage’
Vnnl. beurs ‘fonds, gesticht om met de rente daarvan ondersteuning te verlenen’ [1641; WNT].
Vnnl. beurs komt wrsch. via Middelfrans bourse ‘toelage’ [1399; Rey] uit middeleeuws Latijn bursa, byrsa ‘fonds om beurzen uit te betalen, (studie)beurs’ [13e eeuw], een gespecialiseerde betekenis van → beurs 1 ‘geldbuidel’.
De betekenis ‘toelage’ is ontstaan via de betekenissen ‘geldbuidel’ en ‘fonds, met de rente waarvan ondersteuning gegeven wordt’. Bij deze betekenis ook → adelborst, → borst 2, → bursaal.
Lit.: M. Philippa (1992) ‘Beurs’, in OT 61, 49

EWN: beurs 1 zn. 'geldbuidel' (1240)
ANTEDATERING: onl. bursa 'geldbuidel' in de toenaam van Elewout Borsa 'Elewout Beurs' [1188; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

EWN: beurs 3 zn. 'toelage' (1641)
ANTEDATERING: de privatie van sijn Beurse 'de ontneming van zijn studiebeurs' [1631; iWNT privatie]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beurs1 [portemonnee] {borse, bu(e)rse 1201-1250} < middeleeuws latijn bursa [beurs, etui] < grieks bursa [huid, leer, wijnzak]; de betekenis ‘handelsbeurs’ stamt van het huis d'Oude Buerse in Brugge, van de familie Van der Beurse of Van der Buerse, Borse, die drie geldbeurzen in haar wapen voerde. Vóór of in het huis kwamen de kooplui bijeen. De Brugse beurs is het eerst vermeld door de Italiaanse geschiedschrijver Lodovico Guicciardini in 1542.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beurs 1 znw. v. mnl. borse, burse, buerse ‘(geld)zak’, sedert de 16de eeuw ook ‘koopmansbeurs’, os. bursa ‘zakje, beurs’, ohd. burissa ‘zak’, laat-mhd. burse, borse (nhd. börse) ‘geldzak; samenwonende corporatie en haar huis’ < lat. bursa ‘zak’ < gr. búrsa ‘afgestroopte huid’. — Zie: borst.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beurs znw., dial. (Goeree) ook börzə, mnl. borse, burse, bȫrse v. “zak, geldzak”, sedert de 16e eeuw ook “koopmansbeurs”. = ohd. burissa v. “zak” (laat-mhd. burse, borse “geldzak” en “samen wonende corporatie en haar huis”; nhd. börse), os. bursa v. “zakje, beurs”. Ontleend uit mlat. bursa “buidel, zak” (uit gr. búrsa “afgestroopte huid”) of uit een rom. op vulgairlat. bŭrsa teruggaanden vorm; vgl. it. borsa, fr. bourse. De bett. “geldbeurs” en “koopmansbeurs” zijn internationaal. Laatags. púrs (eng. purse) “geldbeurs” zal wel uit het Fr. komen. De. børs, zw. börs zijn uit het Ndd. ontleend. Zie borst II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beurs v., Mnl. burse, borse, Os. bursa, gelijk Ohd. burissa (Mhd. bürse, Nhd. börse), Fr. bourse en Eng. purse, uit Lat. bursa = buidel, van Gr. búrsa = huid, leder. Vergel. borst 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bäörs (zn.) portemonnee; Vreugmiddelnederlands burse <1240> < Latien bursa.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

bos, zn.: beurs, zak, geldbeurs; scrotum, lichaam. Door ass. rs > s uit bors < Mnl. borse, burse, buerse ‘beurs’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

buzze, busse zn. v.: beurs. Door ass rz > zz uit beurze ‘beurs’.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

beurs (Latijn bursa)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Beurs (geldbeurs) komt van ’t Gr. bursa = afgestroopt vel; de leeren buidel dus.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beurs ‘portemonnee’ -> Duits † Börse ‘geldbuidel’; Deens børs ‘portemonnee’; Ambons-Maleis bors ‘portemonnee’; Negerhollands beers ‘portemonnee’; Papiaments bèshi (ouder: bersji) ‘portemonnee’.

beurs ‘studiebeurs’ -> Chinees-Maleis bers ‘studiebeurs’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Beurzen open, dijken dicht [radioprogramma] (1953). Na een rampzalige stormvloed in de nacht van 31 januari op 1 februari 1953, de Watersnoodramp, zetten verschillende omroepen het radioprogramma Beurzen open, dijken dicht op. Tijdens de wekelijkse uitzending kunnen particulieren en bedrijven geld doneren. Eind maart eindigt de actie met een opbrengst van zes miljoen gulden. De titel van het programma is een bekende uitdrukking geworden. De Watersnoodramp geeft de aanzet tot een versnelde realisatie van het Deltaplan (vanaf 1957). Deltaplan betekent inmiddels algemeen ‘veelomvattend plan, met name ter bescherming van iets dat bedreigd wordt’.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beurs portemonnee 1240 [Bern.] <ME Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

223. Met gesloten beurzen betalen,

‘doordat nl. in iemands rekening met iemand anders debet en credit gelijk geacht worden’; iets tegen wat anders ruilen. Zie Halma, 67: Met geslootene beursen betaalen dat is, met ruilen of anderzins zonder geld uit te schieten, payer sans bourse délier; vgl. Tuinman I, 323; Willem Leevend VI, 372; het fri. mei de ta-pong bitelje; Antw. Idiot. 480; Waasch Idiot. 252 a; De Bo, 654 a: Met geloken beurzen betalen; Ndl. Wdb. II, 2200; 2283.

222. De beurs snijden,

d.w.z. zakkenrollen; eig. de beurs afsnijden. De uitdr. bewaart eene herinnering aan de vroegere gewoonte van de beurs niet in den zak, maar aan een riem of een koord te dragen, die bevestigd was aan een leeren band, welke om den middel zat of in de mouw verborgen was. Vgl. het mnl. een tronkeborse (mnl. tronken = knotten, afhouwen), borsen sniden of budel sniden; borsesnider, beurzesnijderMnl. Wdb. VIII, 1414; I, 1385 en 271; VIII, 714., dat ook in Zuid-Nederland bekend is, blijkens Teirl. 200; Waasch Idiot. 136 a: borzensnijder, zakkenroller; loopen gelijk een borzensnijder, zeer rap; oogen gelijk een borzensnijder, doordringende oogen.

Hiernaast kende men in de 17de eeuw ook iemand de beurs of den aap lichtenHuygens, Hofwijck vs. 1823: Ick tasten in men sack, ick vond men Beurs elight., waarin ‘lichten’ moet worden opgevat in den zin van ontheffen, verwijderen, wegnemen; vgl. in de middeleeuwen enen iet lichten, iemand van iets ontheffen (Mnl. Wdb. IV, 479). Vgl. Ndl. Wdb. II, 2283; VIII, 1975; lat. zonarius sector; fr. couper la bourse à qqn; hd. den Beutel schneiden; eng. a cut-purse; a purse-cutter. (Aanv.) In 't Fransch is couper la bourse à qqn niet gangbaar; wèl coupeur de bourses. Synoniem was in de 17de eeuw: iemand de beurs luizen.

667. Een gespekte beurs,

d.w.z. eene goed gevulde beurs. Een uitdrukking, die we sedert de middeleeuwen aantreffen o.a. in die Rose, vs. 7882: De borse met florinen wel gespect. Zie verder Roemer Visscher's Sinnepoppen, eerste schock, XLI: De Broeders van de Bende die garen de gilde spelen, zijn wel fraey gemoet, soo langh als de beurs noch wel gespeckt is; Van Lummel, 354: Mijn comptoir is nu qualijck gespeckt. Ook spreekt men van een goed gelardeerde beurs, waarin gelardeerd (fr. larder), evenals gespekt, eigenlijk beteekent met stukjes spek voorzien, en verder bij uitbreiding in 't algemeen voorzien van geld, het vette der aarde. Vgl. nog de Friesche zegswijze hy scil wol goed spek ha, hij zal zeker goed geld nalaten; de uitdr. een vetje, d.i. een voordeeltje, een kleine winst; de Groningsche uitdr. spek zetten, d.i. ‘zooveel verdienen dat men van belang kan overhouden, zoodat men welgesteld wordt’ (Molema. 394 a), en een smerig baantje, een vet baantje, een voordeelig postje; een vette pot, een goed gevulde spaarpot, enz. Ook in het Noorsch en Deensch is de uitdr. bekend spaekke en Pung; en vel spaekket Pung, In het hd. ein gespickter Beutel; zie Kluge, Studentensprache, 127 a. Voor Zuid-Nederland zie Antw. Idiot. 481 en vgl. no. 429.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal