Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bewaren - (behouden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bewaren ww. ‘behouden’
Onl. beuuarun ‘het oog houden op’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. bewaren ‘letten op, beschermen, handhaven’ [1220-40; CG II, Aiol], ‘toezicht houden’ [1282; CG I, 675]. Daarnaast zonder voorvoegsel: te waerne (verbogen infinitief) ‘waarschuwen, behoeden’ [1350; MNW], waren ‘zorgen voor, bewaken’; nnl. (nu verouderd) waren ‘in het oog houden, bewaken’ [1878; WNT]).
Afleiding met → be- van het Middelnederlandse werkwoord waren, zelf afgeleid van het zn. ware ‘opmerkzaamheid, hoede’ (bijv. in neme ware ‘(hij) neemt onder zijn hoede’ [1200; CG II, Servas], ware ‘voorzichtigheid, behoedzaamheid’ [1240; Bern.].
Ohd. biwāron ‘in acht nemen, zorgen voor, beschermen, bewaren’ (nhd. bewahren); ofri. (bi)waria (nfri. bewarje ‘bewaren’, (jin) warje ‘(zich) hoeden, beschermen, vrijwaren’, jin warje ‘zich verdedigen, zich weren; tegenstand bieden’); oe. (be)warian (ne. beware ‘zich hoeden voor’); ook vormen zonder be-: os. waron ‘waarnemen, behoeden’ (mnd. waren ‘bewaken’); mhd. waren ‘letten op’ (nhd. wahren ‘zorgen voor, (be)hoeden, bewaren’); ofri. waria, wara ‘behoeden, waarnemen’; oe. warian ‘in acht nemen, bewaren’; on. vara ‘waarschuwen’, varast ‘zich hoeden’; < pgm. *warōn-. Als zn. ook: os., ohd. wara; oe. waru; on. vari.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bewaren* [houden, handhaven] {oudnederlands beuuarun [het oog houden op] 901-1000, middelnederlands bewaren [toezicht houden op, voorzien van, in orde brengen, beleggen van geld, veilig plaatsen]} van be- + waren [bewaken, zorgen voor, bewaren, letten op] (vgl. waarnemen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bewaren ww., mnl. bewāren ‘het oog houden op, bewaren, beschermen, zorgen, in acht nemen’, onfrank. bewarun ‘observare’, ohd. biwarōn ‘in acht nemen, zorgen voor, beschermen, bewaren’, ofri. (bi)waria, oe. (be)warian (ne. beware ‘zich hoeden voor’), samenstelling van os. waron, ofri. waria, oe. warian ‘in acht nemen, bewaren’, on. vara ‘waarschuwen’, varast ‘zich hoeden’. — Afl. van *wara ‘oplettend’, waarvoor zie: waarborg.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

waarnemen ww., mnl. wāre nēmen “acht slaan, zorg dragenˮ. = ohd. os. wara nëman resp. niman (nhd. wahrnehmen) “id.ˮ. Het znw. mnl. wāre, ohd. os. wara v. “het acht-slaan, zorgenˮ = ags. waru v. “het zorgen, in acht nemenˮ. Zie verder bij waar II en waarborg. Verder hoort hierbij het bnw. mnl. ghewar, ghewāre “oplettend, vief, vlug klaarˮ (ook in ghewāre werden, nnl. gewaarworden), ohd. giwar “oplettend, voorzichtig, gewaarˮ (nhd. gewahr), os. war “voorzichtigˮ, giwar “opmerkend, gewaarˮ, ags. wær “gewaar, attent, voorzichtigˮ, gewær “gewaarˮ (eng. (a)ware), on. varr “behoedzaam, schuwˮ, got. war “behoedzaamˮ, germ. *wara-. Een afl. hiervan resp. van ʼt znw. ohd. wara enz., germ. *warô- is be-waren, mnl. bewāren “ʼt oog houden op, bewaren, beschermen, zorgen, in acht nemenˮ, onfr. be-warun “observareˮ, ohd. bi-warôn “in acht nemen, zorgen voor, beschermen, bewarenˮ (nhd. bewahren), os. waron, ofri. (bi)waria, ags. (be)warian (eng. to beware “cavereˮ, zoo reeds ags. warian) in dgl. bett., on. vara “waarschuwenˮ, varast “zich hoedenˮ. Zie nog bij waarborg. Verwant zijn gr. *Ϝoros (= got. war enz.; in thurōrós “deurwachterˮ), horáō “ik zieˮ, oúros “bewakerˮ, lat. vereor “ik vrees, heb ontzagˮ, wellicht ook gr. érumai “ik bescherm, behoedˮ, oi. varû-tár- “beschermerˮ, lett. wêrîba “attentieˮ. Men heeft verder nog wel lat. servâre “bewaren, reddenˮ, umbr. seritu “servatoˮ, av. har- “behoeden, ʼt oog houden opˮ gecombineerd, van een idg. basis swer- uitgaande. In ieder geval was het idee van verantwoordelijkheid reeds in ʼt Idg. aan de basis wer-, wor- (swer-, swor-) eigen. Zie nog vooral deurwaarder, waarschuwen en verder waard II, waard IV, weren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bewaren o.w., Mnl. id. + Ohd. biwarôn (Mhd. bewarn, Nhd. bewahren), Eng. beware, Ofri. biwaria = zorgen, denom. van *waar = zorg (z. gewaar en waarnemen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bewaore (ww.) 1. bewaren 2. beschermen; Middelnederlands bewaren <1220-1240>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

beweren, zich, wederk. ww.: voldoen. D. sich bewähren ‘voldoen, aan de verwachtingen beantwoorden, zich waarmaken’. Afl. van wahr, waar.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

bewere (ziech -) voldoen (Kerkrade). = hgd. (sich) bewähren; afl. van waar (= lat. verus, it. vero). Oorspr. betekenis dus: ‘zich waar maken’.
Amkreutz e.a. 58, NEW 809.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bewaren van ’t oudere waren en dit van ’t z.n.w. waar, dat nog in waarnemen (z. d. w.) voorkomt; dit waar bet.: opmerkzaamheid, acht, zorg, en is gevormd van den Germ. wt. war = opmerken. Bewaren is dus: iets met opmerkzaamheid in ’t oog vatten, niet uit ’t oog verliezen, er acht op geven, m.a.w. er goed voor zorgen.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

bewaren. - Op de volgende plaats wordt het werkwoord bewaren gebruikt, terwijl eigenlijk behouden vereischt wordt. De fout is ontstaan, doordien fr. conserver zoowel behouden als bewaren beteekent. || De September-feesten waren hetgeen zij reeds sedert eenige jaren zijn: plechtigheden, waaraan men zooveel mogelijk hare oorspronkelijke beteekenis heeft ontnomen, en die hoofdzakelijk bewaard worden om Brussel niet te berooven van het voordeel dat de hotel- en koffiehuishouders uit den toevloed der vreemdelingen weten te trekken, VUYLSTEKE, Prozaschr. 1, 169.

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
bewaren. - Bij werkwoorden als hoeden, bewaren staat een oorzakelijk voorwerp met voor; naar het voorbeeld van fr. préserve de - gebruiken onze schrijvers niet zelden bewaren van -. || Toen hij voorbij het seminarie trok, … richtte hij krachtig den zwaren schako naar omhoog, bij de gedachte dat hij zich toch bewaard had van mee te tellen in de lichting, die dáár gedrild werd, DE VOS, Vl. Jong. 149 (er wordt vereischt dat hij er zich zelven toch voor bewaard, beter behoed had, te behooren tot de lichting enz.). Rillend zat daar het rozig kind; - wie zal het van koude bewaren? DE MONT, Lorel. 33.

M. Siegenbeek (1847), Lijst van woorden en uitdrukkingen met het Nederlandsch taaleigen strijdende, Leiden

bewaren, in de spreekwijze zich voor iets bewaren, voor zich voor iets hoeden, op zijne hoede zijn, is misschien niet volstrekt af te keuren; maar het gebruik van zich voor iets te hoeden of wachten toch voor naauwkeuriger te houden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bewaren ‘houden, handhaven’ -> Deens bevare ‘houden’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bevare ‘houden, handhaven; beschermen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bevara ‘(be)houden’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands bewaar, bwā, bewaer ‘behouden; opbergen; handhaven; behoeden’; Berbice-Nederlands bwaru ‘houden, handhaven’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bewaren* houden, handhaven 1220-1240 [CG II1 Aiol]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1697. Oogappel.

In den Bijbel wordt de oogappel voorgesteld als het dierbaarste wat men bezit; vgl. Zach. 2, 8: Die u-lieden aenraeckt, die raeckt sijnen (des Heeren) oogh-appel aen. Vandaar uitdrukkingen als iemand bewaren, bewaken, beminnen als zijn oogappel; zie Deut. 32, 10: Hy voerde hem rontomme, hy onderwees hem, hy bewaerde hem, als sijnen oogen-appel. Als gevolg van zulke vergelijkingen wordt de door iemand geliefde persoon zelf zijn oogappel genoemd; fri. eagappel(tsje). Zie Ndl. Wdb. X. 2291; J.v.d. Veen, Zinnebeelden, 't Achttiende zinne-beeldt: Want als zijn oogh bewaert hij 't; Halma, 450: Iemand zoo lief als zijn oogappel hebben, aimer quelqu'un comme la prunelle de son oeil; vgl. nhd. Augenstern; no. 101; Ndl. Wdb. X, 2252; Leuv. Bijdr. X, 218; Palamedes, 948; Villiers 91.

1875. In de kleinste potjes bewaart men de beste zalf.

Dit wordt gezegd als een soort compliment tegen kleine personen, om daar mede te kennen te geven, dat zij veel geest of veel verdienste bezitten. Syn. van gooj waor verpak me in klein pekskes (in N. Taalgids XIV, 197); in de kleinste fleschjes vindt men den kostelijksten balsem. Vgl. De Brune, 291: in kleyne kasjes, zonder schijn, de beste droguen (kruiden) dickwils zijn. Hetzelfde wordt uitgedrukt door

 In kleyne zackxkens wert bewaert,
 De specery van d'hooghste waerd,

dat we lezen bij De Brune, 403; vgl. ook Bank. I, 439: De beste speceryen werden in kleyne doosjes en potjes gevonden; Afrik. in die kleinste potjies bewaar mens die beste salf. De Franschen kennen eveneens en petits sacs sont les meilleures épices; dans les petites boîtes les bons onguents (= parfums); hd. kleine Büchsen, gute Salben; nd. ehn de klengste Doppchen es döcks de beiszte Salf (zie Taalgids IV, 283).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

u̯er-8 ‘gewahren, achtgeben’, u̯oró-s ‘aufmerksam’, u̯orā ‘Aufmerksamkeit’

Gr. nur ϝορ-, mit spiritus asper ὁρ-: hom. ἐπὶ ὄρονται ‘sie beaufsichtigen’, ὅρει· ψυλάσσει Hes., u̯orós in ἐπίουρος (für ἐπίορος nach οὖρος) ‘ἔφορος, Aufseher’, φρουρός ‘Wächter’ (*προ-ὁρός), φρουρά̄ ‘Schutz’, οὖρος ‘Wächter’ (aus Kompositis abstrahiert), dor. τῑμά̄ορος, att. τῑμωρός ‘Ehrenwächter, Retter’ (ϝόρος = germ. wara- s. u.), ὁράω (ἑώρων, ἑόρᾱκα) ‘sehe’ (Denominativ eines auch in φρουρά̄ steckenden *ϝορά̄ = ahd. as. wara, ags. waru ‘Aufmerksamkeit’) äol. freilich ὄρημι, ähnlich wie lat. verēri; dehnstufig att. ὤρα, ion. ὤρη ‘Hut, Sorge’ hom. οὐδενός-ωρος, οὐδενὸς ὤραν ἔχων ‘nichtsnutzig’, ὀλιγωρέω ‘vernachlässige’ von *ὀλιγωρός ‘ὀλίγην ὤραν ἔχων’, allenfalls θυρωρός, πυλωρός ‘Tür-, Torhüter’ (eher wegen hom. πυλεωρός an θυρη-, πυλη-ορός, entsprechend dem τῑμωρός); ὠρεύειν ‘cavere’; βωροί· ὀφθαλμοί Hes. Suid.
lat. vereor, -ērī, -itus sum ‘verehren, fürchten’; zur Form vgl. gr. äol. (ϝ)ὄρημι ‘sehe’;
air. (a)ir ‘passend, richtig’: cymr. cywair ds. (*kom-u̯eri̯os);
germ.: u̯orós in got. war(s) ‘behutsam’, aisl. varr ‘behutsam, vorsichtig, scheu’, ags. wær ‘gewahr, aufmerksam, vorsichtig, behutsam’, as. war ‘vorsichtig, auf der Hut’, ahd. giwar ‘aufmerksam, vorsichtig’ = (ϝόρος); ū̆orā in got. warai ‘Behutsamkeit, List’, mhd. wer (ahd. *warī) ‘Vorsicht’; ags. waru, as. ahd. wara ‘Aufmerksamkeit, Obhut’, wara nëman ‘wahrnehmen’, aisl. vara f. ‘Handelsware, Zahlungsmittel’, ags. waru, spätmhd. war, nhd. Ware; ahd. bewarōnbewahren’, as. warōn ‘beobachten, wahren, behüten’, ags. warian ‘bewahren, hüten’, aisl. vara ‘aufmerksam machen, wahren, vermuten’, refl. ‘sich hüten’; *u̯ortos (*u̯ordhos) in got. daúrawards ‘Torwart’, ahd. wart ‘Wächter, Wärter, Hüter’, warto, got. wardja ds., as. wardōn ‘auf der Hut sein, behüten’, ahd.wartēn ‘achten, spähen, wahrnehmen, warten, erwarten’, warta ‘Beobachtung usw.’, nhd. Warte u. dgl.; *u̯orn- in ahd. furiwarna ‘Vorbereitung’ (ags. wearn f. ‘Widerstand, Verweigerung, Vorwurf’, nhd. warnen usw. durch Einmischung von Angehörigen von *warjan wehren usw.’, und Wz. *u̯er- ‘verschließen’);
lett. véru, vērt ‘schauen, bemerken’ (meist reflexiv vērties), vērība ‘Aufmerksamkeit’;
toch. A wär-, В wär-sk- ‘riechen’.

WP. I 284 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal