Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

broek - (kledingstuk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

broek 1 zn. ‘kledingstuk’
Mnl. broeke (mv.) ‘beenbekleding, broeken’ [1236; CG I, 23], doet an uwe brouc ‘doe uw broek aan’ [1350-1400; MNW-P].
De herkomst van het woord is onzeker. De enige verwant is een Keltische vorm *brāca, overgeleverd in Latijn brāca ‘beenbekleding’ en misschien in Oudengels braccas ‘broek’. In de Romeinse tijd werd brāca als een specifiek Gallisch kledingstuk gezien; Gallia brācāta ‘gebroekt Gallië’ was de oude naam van Gallië (bij Plinius), en de inwoners ervan konden sarcastisch als cognatio brācāta ‘de gebroekte verwantschap’ aangeduid worden (Georges I, 858). Om die reden wordt vaak gedacht dat het woord van Keltische afkomst is en door de Germanen overgenomen is. Het kan echter ook, net andersom, een leenwoord uit het Germaans zijn (Middeliers bróc is in elk geval pas later ontleend). In dat geval kan het kledingstuk zijn naam gekregen hebben van het lichaamsdeel dat het bedekt: Oudengels brēc ‘achterste’ (Engels breech); Oudnoords brók ‘dijbeen’; Zwitsers bruech ‘schaamstreek’.
Os. brōk (mnd. brok); ohd. bruoh(ha) (mhd. bruoch); ofri. brōk, brēk (nfri. broek ook ‘vlezige achterdelen van rund, schaap of haas’); oe. brōc (mv. brēc, waaruit ne. breeches ‘(knie)broek’); on. brók (nzw. brok; nde. brog); < pgm. *brōka-.
Als het woord inderdaad van Germaanse oorsprong is, is het verwant met Latijn suffrāgines ‘achterschenkel van dieren’ < pie. *bhrāg-. Gezien de geringe verspreiding is substraatherkomst waarschijnlijker.
Lit.: R.S.P. Beekes (2000) ‘The Etymology of Dutch broek “breeches”’, in: Boutkan 2000, 25-26

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

broek1* [kledingstuk] {broec 1285} oudsaksisch, oudnoors brōk, oudhoogduits bruoh, oudfries brēk, oudengels brōc, (mv.) brec (engels breeches); daarnaast latijn braca, uit het kelt., vgl. oudiers broc; het is de vraag of germ. aan kelt. heeft ontleend of omgekeerd → bracket, brageren, brogue, debrayeren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

broek 1 [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: volgens V. Pisani, Journal of Celtic Studies 1, 47-49 [1949] is gallo-lat. brāca een germ. leenwoord; germ. *brōka- zou, met alb. bres ‘gordel’, op idg. *bhrōĝo- teruggaan (E. Polomé, RBPhH 44, 112 [1966]).

broek 1 znw. v. ‘kledingstuk’, mnl. broec, brouc v., os. brōk, ohd. bruohha v. bruoh o., ofri. brēk, v., oe. brōc v. (mv. brēc > ne. breeches), on. brōk v. — oiers brōc, gall. brāca.

De verhouding tussen het germ. en kelt. woord wordt verschillend beoordeeld. Vaak denkt men aan ontlening uit het keltisch (Jaberg, WS 9, 1926, 148-51 en Jacobsohn, ZfdA 66, 1929, 244-6). Maar brāca is alleen in het Zuiden van Gallië bekend en kan daarheen met de Volsci-Teutosages uit Moravië gekomen zijn; dan kan men denken aan een herkomst uit het germ., te meer omdat de broek het kledingstuk voor ruiters is (het kledingstuk is door de Germanen wel van de Skythen overgenomen). — De etymologie is duister. Men heeft aan oe. brēc ‘achterste’ (misschien juist secundair ontwikkeld uit de betekenis ‘broek’), lat. suffrāgines ‘achterschenkel van dieren’ willen aanknopen (dan moet gall. brāca met k stellig uit het germ. overgenomen zijn) en dat woord verder met fragro ‘ruiken’ verbonden; dat klinkt zeer onwaarschijnlijk. Eerder kan men met R. Much, ZfdA 42, 1898, 170 het woord met de groep van breken verbinden en dan betekent het woord eigenlijk ‘knik, buiging’ of ook het in twee pijpen gebroken kledingstuk. — Een dialectkaart geeft P. J. Meertens, Taalatlas afl. 5, 9; daaruit blijkt, dat in het Oosten van ons land de woorden boks, boksem gebruikt worden. Dit beantwoordt aan mnd. buxe (> nhd. buxe, nde. bukse, nzw. byxa, byx) een verkorting van *buck-hose ‘broek uit bokkenvel’, vgl. ook bukskin.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

broek I (kleedingstuk), mnl. broec (brouc) v. = ohd. bruohha v., bruoh o. (nhd. dial. bruch v. o.), os. brôk, ofri. brêk, ags. brôc (mv. brêc, eng. breeches), on. brôk v. “broek”. Een oude consonantische stam: oergerm. *ƀrôk-, wellicht ouder *ƀrâk-, Gall. brâca “broek” is eer uit ’t Germ. ontleend dan omgekeerd. Veel later is ier. brôc “id.”, ontleend. Misschien is germ. *ƀrôk-, *ƀrâk- oorspr. de naam van een lichaamsdeel, vgl. dan voor de bet. ndl. lijfje e. dgl. De oude bet. kan dan nog voortleven in ags. brêc v. mv. (eng. breech) “achterste”, en verwantschap met lat. suffrâgines “achterschenkel van dieren” is mogelijk, hoewel onzeker. Nog onzekerder zijn de combinatie met breken e.a. hypothesen.

[Aanvullingen en Verbeteringen] broek I. Ags. is ’t mv. brêc ’t gewone woord voor “broek”; — de bet. “achterste” is dubieus.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

broek I. Jacobsohn ZsfdA. 66, 244 vlg. beschouwt gall. brâca als oorspr. keltisch en verwant met gr. phrássō ‘ik omhein, sluit in’ (vgl. burcht Suppl.), terwijl hij het germ. woord laat ontleend zijn aan het Keltisch. [Ook v.Ginneken Taaltuin 4,101 neemt kelt. oorsprong aan.]
De mening, dat het germ. woord vanouds een lichaamsdeel zou hebben aangeduid, vindt slechts zwakke steun in ags. brêc, waarvan de bet. ‘achterste’, indien ze aangenomen mag worden (vgl. v.Wijk Aanv.), zeer wel secundair kan zijn, evenals de bet. ‘schaambeen, schaamstreek’ van zwits. (Graubünden) bruech (vgl. hierover Jaberg WuS. 9, 150 vlg.). Daardoor wordt de verwantschap met lat. suffrâgines er niet waarschijnlijker op.
Uit het Germ. fins ruokket (mv.) ‘broek’: Karsten GRM. 16, 369.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

broek 1 m. (kleedingstuk), Mnl. broec, Os. brôk + Ohd. bruoh (Nhd. bruch), Ags. bróc, meerv. bréc (Eng. breech, breeches), Ofri. brék, On. brók (Zw. brok, De. brog); hierbij Ags. bréc (Eng. breech) = achterste, Lat. suffragines = achterschenkel, van denz. wortel als brak (cf. Fr. culotte van cul). Ging over in ’t Kelt.: Gall. bracca, waaruit Lat. braccæ, Fr. braie, braguette.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

brook (zn.) broek; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) brook, Vreugmiddelnederlands broek <1236>.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

broek. Mullebrouck (1984) geeft de verwensing kus mijn broek! Het zou wellicht te overwegen zijn om in broek ('datgene wat een achterwerk bedekt') een metoniem te zien van aars. De emotionele betekenis van de verwensing duidt op minachting, ergernis enz. Zij blijft beperkt tot Vlaanderen. De twee eerste regels van een verwensingsversje luiden in Vlaanderen: Al wat je zegt, ben je zelf// Met je broek in de helft. De tweede regel is elliptisch en luidt voluit [val] met je broek enz. De regel drukt minachting, afkeer enz. uit en kan weergegeven worden met ‘ik kots van je’. Voor andere varianten in het verwensingsversje Wat je zegt, ben je zelfelf, helft, koffiemelk, lepel, melk, tiet, touw en verf.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

broek ‘kledingstuk; broekvormig voorwerp; lang touw’ -> Duits dialect Brauk ‘kledingstuk’; Deens brog ‘bekleding aan de binnenkant van de vlag; bekleding van zeildoeken; verschillende typen touw op een schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors brok ‘(dialect) kledingstuk; lang touw’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds brok ‘lang, zwaar touw’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect broukes ‘kledingstuk’; Russisch brjúki ‘kledingstuk’; Russisch brjuk ‘touw voor het bevestigen van het scheepsgeschut’; Oekraïens brjúki ‘kledingstuk’ <via Russisch>; Gã blukú ‘kledingstuk’; Zuid-Afrikaans-Engels broeks, broekies ‘kledingstuk’ <via Afrikaans>; Zoeloe bhulukwe ‘kledingstuk’ <via Afrikaans>; Shona burukwe ‘kledingstuk’ <via Afrikaans>; Sindebele burugwe ‘kledingstuk’ <via Afrikaans>; Kupang-Maleis baruk, bruk ‘onderbroek, korte broek’; Munsee-Delaware păló:k ‘kledingstuk’; Negerhollands broek, bruk ‘kledingstuk’; Berbice-Nederlands bruku ‘kledingstuk’; Papiaments bruki ‘luier’; Sranantongo bruku ‘kledingstuk’; Aucaans boeoekoe ‘kledingstuk’; Saramakkaans buúku ‘kledingstuk’ <via Sranantongo>; Akawaio en Arekuna puuruukuu ‘kledingstuk’ <via Skepi-Nederlands>; Arowaks boróko ‘kledingstuk’; Karaïbisch puruku, puluka ‘kledingstuk’ <via Sranantongo>; Sarnami bruku ‘kledingstuk’.

N. van der Sijs (2009), Yankees, cookies en dollars, Amsterdam

broek is overgenomen als: Munsee Delaware pelók.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

broek* kledingstuk 1285 [CG Rijmb.]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

broek: de eigen — op kunnen houden, informele uitdrukking voor ‘geheel onafhankelijk van anderen zijn; zichzelf kunnen bedruipen, redden’. Sinds eind jaren tachtig.

Maar ook dit soort organisaties moet leren de eigen broek op te houden. (Vrij Nederland, 16/03/91)
Het is goed dat we onze eigen broek moeten ophouden, maar laten we oppassen dat het systeem niet contraproductief werkt voor de zwakkere broeders. (Elsevier, 02/11/96)
Dat geldt ook voor universiteiten. Als je die hun eigen broek laat ophouden, krijg je een te sterke nadruk op toegepast onderzoek. (HP/De Tijd, 11/04/97)
De Wet arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (WAZ) is een volstrekt overbodige, betuttelende, bureaucratische verzekering op minimumniveau voor mensen die heus wel in staat zijn hun eigen broek op te houden. (Elsevier, 07/06/97)
De NS moeten niet alleen de eigen broek ophouden, ze moeten ook een behoorlijke winst maken om toekomstige investeringen te kunnen financieren. (Trouw, 17/10/97)
de grote broek aantrekken is ‘hevig tekeer gaan; een grote mond opzetten; hoge eisen stellen’. Ook wel een grotere broek aantrekken dan hem (haar) past.
Diezelfde Dittrich kan nu ongestraft een grote broek aantrekken over de zedelijkheidswetgeving. (HP/De Tijd, 07/03/97)
De pendule heeft een uitslaande beweging gemaakt; je merkt ook dat de spelers nu ineens een andere toon aanslaan. Hun ‘speler zijn’ houdt nu een grotere vorm van macht in. Vaak trekken ze hierdoor een grotere broek aan dan hen past. (Nieuwe Revu, 31/12/97)
daar zakt mijn broek van af! is een schertsende) uitroep van verbazing of ergernis.
Laatst beweerde hij dat rokers verantwoordelijk zijn voor de ontbossing in Zuid-Amerika. Daar zakt mijn broek van af. (HP/De Tijd, 29/08/97)
een scheur in iemands broek: iets dat iemand last bezorgt.
Aan alles merk je dat ze zijn overdonderd door deze nieuwe concurrentie. De NS beschouwt ons als een scheur in hun broek. (Amsterdams Stadsblad, 31/07/96)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

357. Iemand de broek opbinden,

d.w.z. iemand berispen, tot zijn plicht brengen; vroeger syn. iemand de broek of de boksen opnestelen of opveterenDe Jager, Frequentatieven II, 682: Ndl. Wdb. III, 1467; XI, 1328., door Halma vertaald met: repasser quelqu'un comme il faut, lui donner bien sur les oreilles; in Gron. iemand de boksen opbinden (Molema, 48 a; Bergsma, 14; Dr. Bl. III, 45); in Drente: een 'n nei buis anmeten, iemand gevoelig straffen; nd. enem de Büx opbinden (Eckart, 70). Volgens Schuermans 433 b in Zuid-Limburg: iemand de kousen opbinden, iemand kastijden maar ook ‘iemand in zijn nopjes zetten’, en N.-Brab.: iemand (de broek) opnestelen of opdoen, iemand scherpelijk berispen (Hoeufft, 435); Waasch Idiot. 146 a en Teirl. 216: iemand een broeksken passen, iemand streng behandelen; Antw. Idiot. 660: iemand een kleêken passen, hem streng berispen, heftig bekijven; fri. immen de broek opbine; fr. habiller qqn. Wellicht is de eerste bet.: iemand als kind behandelen; vandaar: mores leeren, doorhalen. Of moet het ironisch worden opgevat als: iemand onder handen nemen, hem ‘opknappen’ (vgl. iemand toetakelen)?

358. Door de broek loopen,

d.w.z. zuur opbreken, leelijk afloopen; eig. gezegd van spijs, die diarrhee ten gevolge heeft; vgl. Kippev. II, 326: Jongens 't zal je zoo berouwen! riep Zeekat, 't zal je zoo door de broek loopen; Nkr. IX, 21 Aug. p. 2: Maar, o wee, dat liep hun - met permissie - dun door de broek! Boefje, 58: Ze wazze de pelisie gaan hale!..... Maar dat was d'r dun door d'r lui broek geloope.... want z'n oome Heintje was zelf van de pelisie, en die was meegekomme; fri. it rint him tin troch de boksen, het valt hem af; it giet him tin ôf, hij wint heel weinig met die onderneming, het gaat hem slecht af. Syn. dat zal je dun door je darmen loopen, daar zulje niet veel pleizier van hebben; zaansch: dat zal je dun door je lijf loopen, daar zult ge niet veel van krijgen. In dit verband kan ook vergeleken worden het op Goeree en Overflakkee gebruikelijke: Ik zal je opschrijven voor schijtpoeier, dat kun je nou net denken, dat heb je glad mis (N. Taalgids, XIV, 251).

359. De broek aanhebben of dragen,

d.w.z. den baas spelen, gebezigd van de vrouw, die het mesken böven in de spinde heeft, zooals men in Twente zegt. De uitdrukking dagteekent uit den tijd, toen alleen mannen broeken droegen; de vrouwen begonnen eerst in de 17de eeuw hier te lande (onder)broeken te dragen, die evenwel nog lang, vooral bij het volk, een zeer ongewone dracht blevenVgl. Spaan (anno 1572), bl. 41: De knegt als gezegt de ladder vast houdende, spekuleerde ondertussen op Maay's heldere witte kouzen, als ook dat ze een witte kaleminke onderbroek aan hadde; dit dagt hem wonder (alzoo hy 'er nooit van gehoort hadde) dat een vrouwmensch een broek draagt; Brederoo, Moortje, 2902: Sy vil op haer neus, so datmer Aelkorf (achterste) bloot sach.. Zoo kon vroeger de broek genomen worden als het zinnebeeld van de heerschappij van den man over zijne vrouwVgl. Waar broeken (mannen) zijn betalen geen doeken (vrouwen) of moeten de rokken niet betalen; waar broeken zijn, moeten rokken zwijgen (Antw. Idiot. 300). en ontstond in de 16de eeuw de uitdr. de broek (willen) aanhebben, dragen, behouden, oorboren enz., de baas (willen) zijn, het heft in handen hebben, de heerschappij voeren; zie Ndl. Wdb. III, 276; 1460; 1469; Tijdschr. XIV, 150; Sewel, 145; Halma, 94: Den broek aanhebben, de meester speelen, porter le haut de chausse, être le maître; zijn wijf heeft den broek aan, sa femme est la maîtresse; Speenhoff IV, 40:

 Nooit aan anderen verklikken
 Waar je Pa je Moe voor scheldt,
 Wie de broek draagt van hun tweeën

 En de baas is van 't geld.Jong, 22: Zij had in huis ‘de broek an’; hij was een goejige, bedaarde man; Dsch. 165: Of dat 'n stuk pest is, baas, ik geloof ook dat ze aardig de broek an het thuis; Zoek. 63: Hij zou ze liever stikken laten, as ze'm regeeren wouen, en ze naar de keuken jagen, wijven met de broek an; Joos, 95; De Cock2, 61; Waasch Idiot. 146 b; Antw. Idiot. 1617; Bergsma, 62: de boks an hebben; fri. it wijf het de broek oan; nd. 't wif hed de büksen an (Eckart, 125; 559); fr. porter les chausses, les culottes; hd. die Hosen anhaben; eng. to wear the breeches.

1448. Iemand in de luren leggen,

d.w.z. iemand foppen, bedriegen; thans vooral zich in de luren laten leggen, zich laten bedotten; in Zuid-Nederland iemand in de luiers leggen (Schuerm. Bijv. 232 b); fri. immen yn 'e ruften lizze. In de 17de eeuw bij Westerbaen II, 262 en Brederoo, Griane, vs. 1343, waar zich uit de oorspronkelijke bet. van iemand als kind behandelen, die van beetnemen, bedriegen reeds heeft ontwikkeld; zie ook Sewel, 467: Zy leiden hem braaf in de luuren, thei deceived him very much, they imposed upon him; zie verder Ndl. Wdb. VIII, 1430; Sprotje II, 70; O.K. 45; Slop, 241; 247; Mgdh. 282; Nkr. III, 1 Mei p. 2; V, 16 April p. 2; VII, 8 Febr. p. 2; VIII, 17 Jan. p. 6; Het Volk, 26 Maart 1914, p. 6 k. 4; 30 April 1914, p. 6 k. 1; enz. Dezelfde ontwikkeling van beteekenissen nemen we waar bij de uitdr. iemand in de kleeren steken (Van Dale; Antw. Idiot. 1183; De Bo, 1096; Schuerm. Bijv. 232 b; Antw. Idiot. 1816); iemand palullen (zie no. 1420 en Ndl. Wdb. XII, 254); iemand te kakken zetten (zie no. 1056), dat voorkomt in de Gew. Weeuw. III, 23 (Ik zet ze zoo meenigmaal te kakken zonder pot, doch ze geloofd my altyd); bij Spaan, 138 en Tuinman II, 112 en dat te vergelijken is met het Westvl. iemand in den kakstoel zetten, hem foppen, bedriegen; iemand op den pot zetten (Schuerm. 504 a; Ndl. Wdb. XI, 241); iemand in de doeken doen of leggen (Joos, 82; Teirl. 330; Waasch Idiot. 278 b); iemand in het pak duwen (of steken) (Schuerm. Bijv. 232 b en Maastricht); ook in de 17de eeuw iemand in het pack steeken (V. Moerk. 446 en vgl. Molema, 316; Gallée, 32 b); iemand in 't lange jak (kinderpak) laten loopen (C. Wildsch. VI, 239; Tuinman I, 312; Harreb. II, 168); iemand in de wieg leggen (Schuerm. Bijv. 391; Antw. Idiot. 1440); iemand doeken (of eig. blinddoeken? vgl. iem. kappenNdl. Wdb. VII, 1534.); iemand in de broek steken (Hoeufft, 447). Vgl. Harreb. II, 184: Gij zult mij niet pijpkannen, dat is gij zult mij niet bedriegen. Minnen geven aan de zuigelingen wel eens de pijpkan, in plaats van de borst. Merkwaardig is de bet. die Tuinman I, 119 aan ‘iemand in de luren leggen’ toekent, nl. die van iemand dronken maken, hem van de bank drinken, in welken zin het ook door Halma, 330 wordt opgegevenDit wordt bevestigd door Van Alkemade, Ndl. Displegtigheden III, 55: Onder de Duitsen en Nederlanders was 't ook..... een vermaak, anderen dronken te maaken, en dan over dezelve als te zegepralen, en te roemen, als op eene groote overwinning; zoodanig dat daarvan zekere spreekwijzen opgekomen en gebruikt schijnen, als; Iemand het lijf vol jagen, van de bank drinken, in de luuren leggen, enz..

2438. Iemand achter de vodden zitten,

d.i. iemand op de hielen zitten; ook hem narijden, achter de broek zitten, achter of op de hakken of vessemen zitten (Schuerm. 755 b); achter het leer zitten (Ndl. Wdb. VIII, 1208); eig. iemand achter de kleeren zitten (vgl. Huygens, Hofw. 2791: Op, luyaerd uyt de Pluym, in de vodden t' is hoogh tijd); fri. immen efter 'e fodden sitte; oostfri.: achter de fudden zitten; vgl. Spaan, 64: Een hevige stoker, ofte storm opstaande zat hun zoo vreesselyk agter de vodden, dat ze naauwlyks tyd hadden om hun foken marszeilen te beslaan; bl. 142: Ik stoof vliegens overend, rukte het mes uit, en zat 'er Abram zoo gezwind me agter de vodden, dat hy nolens volens van 't Theater sprong; Rab. I, 149: Sy liepen als hoender-dieven, eeven of heintje-man met syn pikstok haar achter de vodden was; bl. 139: Daarmee gelykelijk op een loopen, watse loopen mogten, of haar de duivel al achter de vodden was; V. Avanturesse, 130; Kale Uiter. Edelman, 174; W. Leevend II, 123; IV, 343; C. Wildsch. II, 83; Nest, 27; Landl. 104; Schuermans, 824 a; Bijv. 378 a; Antw. Idiot. 1389; Tuerlinckx, 698; V. Schothorst, 222; vgl. het syn. achter iemands garen zijn (bij Pers, 788 a; 837 a); iemand achter de geeren (slippen) zitten, ook achter de geerden zittenTijdschrift, XVI, 24; N. Taalgids XIV, 255.; achter het jak zitten; achter de streenen (strengen) zitten (Opprel, 86 a); iemand achter zijn lappen of achter zijne veeren zitten (Schuerm. 889 a; 775 b; Tuerlinckx, 671; Waasch Idiot. 688 a; Antw. Idiot. 1320); achter iene zijn vegge (lappen) zitte (Tuerlinckx, 665); gaan alsof ze hem achter zijn veeren zaten ('t Daghet XII, 186).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bhreg̑-1 ‘brechen, krachen’

Ai. giri-bhráj- ‘aus den Bergen hervorbrechend’;
lat. frangō, -ere, frēgi (: got. *brēkum), frāctum ‘brechen, zerbrechen, beugen’, fragilis ‘zerbrechlich’ usw. (*bhreg-), fragor m. ‘das Zerbrechen, Krachen, Getöse’; mit ā (nach frāctus usw.): suffrāgium ‘Abstimmung, lärmender Beifall, Zustimmung’; suffrāginēs f. ‘Hinterbug der Tiere’, eigentl. ‘Biegung, Knick’;
mir. braigid ‘furzt’, Verbaln. braimm, cymr. corn. bram m. ‘Furz’, mir. t-air-brech ‘Krachen’; aber gall. brāca Kniehose (vgl. βράκκαι· αἴγειαι διφθέραι παρὰ Κελτοῖς Hes.) ist germ. Lw., air. brōc ‘Hose’ ist ags. Lw.
got. brikan, as. brekan, ags. brecan, ahd. brehhan ‘brechen’ (lat. frēgimus = got. *brēkum, nhd. brachen), ablaut. got. brakja ‘Ringkampf’; dehnstuf. mhd. brache f. ‘Umbrechung des Bodens, nach der Ernte ungebrochen liegendes unbesätes Land’, ags. ā-brācian ‘einpressen’, ahd. prahhen, brahhen, mhd. braechen, nhd. prägen (*brēkjan), Faktitiv zu brechen; reduktionsstuf. got. gabruka f. ‘Bruchstück, Brocken’ (*bhreg-) = ags. bryce m. ‘das Brechen, Brocken’, ahd. bruh ‘Bruch, Gekrach’; ags. brocian ‘bedrangen’, broc ‘Elend’; mit Geminata ahd. brocco ‘Gebrochenes’, nhd. Brocken;
hierher vielleicht norw. brake m. ‘Wacholder’ (wie brisk ds. zu bhres- ‘bersten, krachend’), mhd. brake m. f. ‘Zweig’, engl. brake ‘Gestrüpp, Dorngebüsch, Farnkraut’, ablaut. norw. burkne m. ‘Farnkraut’, vgl. auch norw. bruk n. ‘Gebüsch’;
eine nasal. Form in norw. dial. brank n. ‘Gebrechen’, branka ‘beschädigen, brechen’;
mit der Bed. ‘Lärm’ hierher aisl. braka ‘krachen’, brak n. ‘Krach, Lärm’, mhd. ags. brach m. ds., ahd. mhd. as. braht ‘Lärm, Geschrei’, mit veränderter Bed. nhd. Pracht; ags. breahtm m. ‘Wortwechsel’, as. brahtum ‘Lärm, lärmende Menge’;
germ. *brōk- ‘Steiß’, jünger ‘Hose’ in ags. brēc Pl. ‘Gesäß’, engl. breech ds., aisl. brōk, Pl. brøkr ‘Oberschenkel, Hose’, ags. brōc, ahd. bruoh, nhd. Bruch ds., schweiz. bruech ‘Schamgegend’; geminiert ags. usw. braccas ‘Hosen’;
hierher (eher zu bhres-) gehören lit. braškù, braškéti ‘krachen, knacken’ (*bhreg̑-sk̑ō), lett. brakšk̑ēt, brakstēt ds.
Eine Parallelwurzel *bhre(n)gh- sucht Wood (KZ. 45, 61) in ai. br̥háti ‘reißt, reißt aus’, aisl. branga ‘Schaden’.
Ai. br̥gala-m ‘Stück, Brocken’ ist nichtidg. (Kuiper Proto-Munda 49).

WP. II 200, WH. I 113 f, 539 f., 541, Feist 104 ff., 176, Wißmann Nom. postverb. 11, 58, 123, 181.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal