Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

brug - (verbinding over diepte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

brug zn. ‘verbinding over diepte’
Onl. in de plaatsnamen BRVGGAS ‘Brugge (West-Vlaanderen)’ [840-75; Gysseling 1960, 195], Bruggiheim ‘Britsum (Friesland)’ [945; Gysseling 1960, 190]; mnl. brucge [1220-40; CG II, Aiol], brugge [1240; Bern.], ook brugghe, brigghe, bregghe, brogghe.
Os. bruggia; ohd. brucka (nhd. Brücke); ofri. bregge, brigge (nfri. brêge, brigge); oe. brycg (ne. bridge); on. bryggja ‘landingsbrug, kade’ (nzw. brygga ‘aanlegsteiger’; nno. brygge ‘schipbrug’); < pgm. *brugjō-. Daarnaast ook on. brú ‘brug’ (nzw. bro; nijsl. brú) < pgm. *brūwō-.
Verwant zijn mogelijk Gallisch brīva ‘brug’ (?) (in plaatsnamen als Brives en Brissarthe); Oudkerkslavisch brŭvŭno ‘balk’ (Oudrussisch bervĭ ‘vlot’; Oekraïens berv ‘boomstronk’; Servo-Kroatisch brv ‘voetbrug’ < Proto-Slavisch *brŭvŭ ‘balk’). Deze vormen zouden kunnen behoren bij een wortel pie. *bhru- ‘stam, balk’ (IEW 173) en, in verdere ontwikkeling van de betekenis, ‘eenvoudige brug’. Deze wortel is dan echter slechts over een beperkt gebied verspreid. Pgm. *brugjō- is misschien een afleiding bij deze wortel (< pie. *bhru-ko-) en te vergelijken met Duits Prügel ‘slaag’ < mhd. brügel ‘knuppel’, een verkleinwoord bij *bruga ‘boomstammetje, knuppel’ (naast ohd. gibrugilōn ‘met stokken verbergen’).
Wrsch. is brug dus een woord dat oorspr. ‘constructie van stammen, balken’ betekent.
De ontronde vormen breg(ghe) (zoals in de plaatsnaam Terbregge (Zuid-Holland)) en brig(ghe) (zoals onl. Weinabrigga ‘Weinebrugge, nu Sint Michiels (West-Vlaanderen)’ [1089; Gysseling 1960, 1057] zijn Noordzee-Germaans en komen voor van Friesland tot West-Vlaanderen. Brug(ghe) is de zuidelijke variant.

EWN: brug zn. 'verbinding over diepte'; de vorm brugge (1240)
ANTEDATERING: Uppe there bruggen 'op de brug' [1151-1200; ONW]
Later: brug [1370-90; iMNW werven]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

brug* [verbinding over water] {in de plaatsnaam Bruggas, nu Brugge (Belgisch-Brabant) 840-875, brugghe 1220-1240} oudsaksisch bruggia, oudhoogduits brucka, oudfries bregge, brigge, oudengels brycg [brug], oudnoors bryggja [landingssteiger]; buiten het germ. gallisch brīva [brug], oudkerkslavisch brĭvĭno [balk], servokroatisch brv [voetbrug].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

brug [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: voor het verband tussen on. bryggja ‘landingsbrug’ en brú ‘brug’, verwijst E. Polomé, RBPhH 44, 112 [1966] naar W. P. Lehmann, Proto-Indo-European Phonology 48 [1952].

brug znw. v., mnl. brugghe, os. bruggia, ohd. brucka (nhd. brücke), ofri. bregge, brigge, oe. brycg (ne. bridge) ‘brug’ en on. bryggja ‘landingsbrug, landingssteiger’ (vgl. ook nhd. beiers bruck ‘bank van planken bij de haard’, zwits. brugi ‘planken vloer’). — osl. brŭvŭno ‘balk’, gall. briva (< *bhrēu̯ā ‘brug’). Naast de germ. grondvorm *brugjon staat *brōwō in on. brū ‘brug’ (AEW 59).

Etymologie is onzeker. Meringer WS 1, 1909, 189 verbindt het met de groep van (wenk)-brauw; Specht, Dekl. 211 met lichte wijziging evenzo. — W. Prellwitz KZ 47, 1916, 298 verbindt met oi. bhrūṇa ‘embryo’ en verder met de groep van baren; dan betekent het woord dus ‘dat wat draagt’. — Men zal wel moeten uitgaan van een betekenis ‘balk’ die osl. brŭvŭno nog heeft en dan behoort het tot een idg. wt. *bhreu, een afleiding van *bher, waarvoor zie: boren. — De naam der stad Brugge heeft waarsch. brug in de betekenis van landingssteiger en dat moet dan uit het noordgerm. overgenomen zijn. — In het Westelijke Nederl. vinden wij de vormen breg en brig; het 1ste in Holland, het 2de van de Zuidhollandse eilanden zuidwaarts in de tijd voor 1500; later is breg teruggedrongen naar N.-Holl. benoorden het IJ en heeft zich gehandhaafd op enige plaatsen langs de kust en om Aalsmeer (zie Heeroma, Holl. Dialektstudies 1935 kaarten 2 en 24).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

brug znw., mnl. brugghe v. = ohd. brucka (nhd. brücke), os. bruggia, ofri. bregge, brigge, ags. brycg (eng. bridge) v. “brug”, on. bryggja v. “landingsbrug, kade”, germ. *ƀruʒjô-, nomin. *ƀruʒî. Met ʒ uit w, vgl. jeugd, mug, got. sugil “zon” enz. Hiernaast on. brû v. “brug”. Vgl. gall, brîva “brug” (*bhrêwâ), obg. brŭvŭno “balk”, serv. br̂v “vonder” en de verwante — deels identische — woorden bij wenkbrauw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

brug v., Mnl. brugge, Os. bruggia + Ohd. brucca (Nhd. brücke), Ags. brycg (Eng. bridge), Ofri. bregge, On. bruggja (Zw. brygga, De. brygge), met g uit w: Ug. *bruwjô + Osl. brŭvĭ = brug en wenkbrauw, voorts met ablaut Gall. brīva = brug (z. wenkbrauw).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

brögk (zn.) brug; Aajdnederlands brugga <840-875>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

bruk, zn.: brug. Ohd. brucka, Mhd. brücke, brucke, brügge.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

brigge, brisse zn. v.: brug; losse bodem in de spinde. Ingweoons ontronde vorm van Mnl. brugge ‘brug’. Vgl. Ofri. bregge, brigge, Fri. brigge, E. bridge. Vandaar de pln. Brigdamme in Middelburg.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

brug (de, -gen), (ook:) 1. aanlegsteiger. Baas Hendrik zat de hele morgen op een kist op de brug, luisterend en over de rivier turend of hij de boot zou horen aankomen (B. Ooft 1969: 29). - 2. kam van een snaarinstrument (strijk- en tokkelinstrument). - Etym.: (1) Oudste vindpl. Hartsinck 1770: 403. Er zijn aanwijzingen, dat bet. 1 in Ned. in het verleden ook ooit voorgekomen is (zie J. de Vries 1971). In Middelengels was ‘bridge’ behalve AN ‘brug’ ook ‘aanlegsteiger’; nu is het dat alleen nog dial. (Onions). (2) Veroud. AN. E bridge = o.m. id. - Syn. van 1 stelling*. Samenst. van 1: veerbrug*.
— : platte brug, stenen helling met trap aan waterkant, dienende als aanlegplaats voor kleine boten. De veersteiger van Leonsberg, die in deplorabele toestand verkeerde, is vernieuwd. Er is o.m. een z.g. aanliggende platte brug gebouwd waardoor het laden en lossen van de kleine particuliere veerbootjes is vergemakkelijkt (WS 11-1-1986). - Zie ook: Plattebrug*, stoep*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

brug I: “verkeersoorgang”; Ndl. brug (Mnl. brugge), Hd. brücke, Eng. bridge, hoofs. Germ.; v. ook winkbrou.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

brug 'verbinding over een water'
Mnl. brucge, brugghe 'brug, verbinding over een water', ofri. bregge, brigge, os. bruggia, ohd. brucka, oe. brycg 'idem', ono. bryggja 'aanlegsteiger, kaai'. Wordt teruggevoerd op Indo-Europees *bhru- 'stam, balk' en zou betrekking hebben op een constructie van stammen of balken. Langs de kust van Vlaanderen tot Friesland komt bregge voor, een Noordzeegermaanse ontronde vorm van brugge.
Oudste attestatie in plaatsnamen: 944 kopie 1150-1158 Bruggiheim (→ Britsum)1.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 99.

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

brug ‘verbinding van kiezen’ (bet. van Engels bridge); (een -- te ver) (vert. van Engels a bridge too far)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

brug ‘verbinding over water’ -> Zoeloe bhuloho ‘verbinding over water’ <via Afrikaans>; Javaans brukan ‘aanlegplaats, steiger’; Javaans brug ‘scheepsbrug’; Madoerees dialect brūk, ēbbrūk ‘los- en laadhoofd aan zee’; Negerhollands bruk, brök, brugge ‘verbinding over water’; Berbice-Nederlands brogi ‘verbinding over water’; Papiaments brùg, bres ‘verbinding over water’; Sranantongo broki ‘verbinding over water’; Aucaans booki ‘verbinding over water’ <via Sranantongo>; Saramakkaans boóki ‘verbinding over water’ <via Sranantongo>; Sarnami broki ‘verbinding over water’; Surinaams-Javaans broki ‘verbinding over water’ <via Sranantongo>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

brug* verbinding over water 0840-875 [Claes]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

brug: een — te ver (← Eng. A Bridge to Far, beroemde film van Cornelius Ryan), gezegd van iets onmogelijks of onuitvoerbaars.

Zeker, er zijn nog genoeg verschillen van mening tussen de heren — zo vindt Bolkestein Maastricht ‘een brug te ver’... (NRC Handelsblad, 07/01/94)
... maar je moet er niet aan denken dat je eigen zoontje op een avond thuiskomt met de mededeling: ‘Ik word artiest.’ Dat gaat net één brug te ver. (Youp van ’t Hek: Makkelijk praten. Tien jaar theater, 1995)
Doodstraf is voor mij vele bruggen te ver. (HP/De Tijd, 30/08/96)
Tekenend voor zijn grote populariteit onder de bevolking was dat ruim dertig procent van de Amsterdammers hem wel als burgervader zag zitten. Maar hij vond dat toch een brug te ver. (Elsevier, 14/08/97)
Een verhoging van het budget van 0,8 procent naar 1 procent leidt bij een economische groei van 2 procent tot een extra uitgave van zo’n 1,4 miljard. Dat zou toch een brug te ver zijn. (Trouw, 16/01/98)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

371. Over de brug komen,

d.w.z. betalen, zoowel van schulden als van toelagen; fri. oer de brêge komme, betalen, tracteeren, onthalen, dat de Engelschen to come down noemen en de Groningers (ad) koram (lat. coram?) komen (Molema, 220 a.) De oorsprong van deze, eerst in de vorige eeuw voorkomende, uitdr. is onbekend. Moet wellicht verband gezocht worden tusschen deze uitdr. en het bij Harrebomée I, 98 b vermelde: ‘als 't karretje, (t.w. met geld) maar over 't glazen bruggetje kan komen’, dat men bezigt, wanneer er geen geld voorhanden is en men steeds van koopen hoort sprekenVan een sprookje, waarin sprake is van zulk een karretje, is mij niets bekend.? Of moeten we denken aan de tol, die op vele bruggen, vooral vroeger, moest worden betaald? Vgl. Antw. Idiot. 305: Over de brug komen, betalen wat men schuldig is; 't Daghet XII, 187; Ndl. Wdb. III, 1608. Synoniem is over de(n) pot komen, betalen, afdokken (Antw. Idiot. 993).

879. Men moet geen hei roepen, voor men over de brug is,

d.w.z. men moet niet al te voorbarig zijn, ‘men moet geen triumphliet singen voor de victorie’; eig.: men moet het trekdier niet stil laten staan voor het over het moeilijke punt heen is.Ndl. Wdb. VI, 438. Vgl. Bijbel van Deux Aes, kantt. op I Kon. 20, 11: Hy en segghe niet huy, eer hy oever den berch koemt; Mergh, 38: Roept geen hey of ghy zijt daer over, syn. van roept geen haringh eer hy in 't net, de mand, de ton, den zak is (Ndl. Wdb. V, 2209); Westerb. II, 687: Roep dan geen hey voor dat ghy over zijt gekoomen; Sweerts, Koddige Opschriften III, 87: Niemant roept hey, voor hy daar over is; Tuinman I, 39: Roep geen mosselen! voor dat gy aan land zyt; roep geen hey! voor dat gy over zyt; Sewel, 325; 614; Harreb, I, 48 b; Taalgids V, 151; Sjof, 166: Je mot geen ho roepen, voor je de brug over ben; De Vrijheid, 5 April, 1922, 4e bl. p. 2: Men moet niet ho roepen voor men aan is; fri.: rop nin hei earste oer biste. In Zuid-Nederland: Mosselen roepen eer men aan wal is (of eer men aan de huizen is); Schuermans, 392 a; Waasch Idiot. 445 b; Joos, 178: Roept geen mossels voordat zij aan de kaai zijn; 118: Roept geenen haring vóórdat hij in de mande is; Wander II, 1027; III, 1763: Rufe nicht Juchhe (oder juble nicht) ehe du über den Graben bist; nd. segge nig eer Härink bet du en bi nen Stärte häst (Jahrb. 38, 158); man dürd nêt êrder âl ropen as man hum bi d' stêrt hed (Dirksen I, 17); fr. il ne faut point se moquer des chiens qu'on ne soit hors du village; vgl. nog Seiler, 388 vlgg.; eng. don't whistle (holloa, shout) before you are out of the wood; hd. man soll den Tag nicht vor dem Abend loben.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bhrū-2, bhrēu- ‘Balken, Prügel’; auch als Übergang über ein Gewässer: ‘Brücke’

Aisl. brū f. ‘Brücke’; aisl. bryggia ‘Landungsplatz, Hafendamm’ ndd. brügge ds., ahd. brucca, as. -bruggia, ags. brycg ‘Brücke’, bair. Bruck ‘Bretterbank am Ofen’, ags. brycgian ‘pflastern’ (ursprgl. mit Holzprügeln), schweiz. brügi (ahd. *brugī) ‘Holzgerüst’, brügel ‘Holzscheit’, mhd. brügel ‘Knüttel’, nhd. Prügel (‘Brücke’ ist also ‘Balken; Knüppelweg’);
gall. brīva ‘Brücke’ (*bhrēua);
abg. brъvъno ‘Balken’, skr. bȓv f. ‘Balken, Stegbrücke’ (usw., s. über die slav. Formen Berneker 92).
Unklar ist der Guttural in den germ. Formen: *brugī- aus *bruu̯ī-, oder k- Suffix? S. Kluge11 unter ‘Brücke’ und Specht Dekl. 2113 f., der Zusammenhang mit bhrū-1 annimmt.

WP. II 207.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal