Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

buit - (het veroverde)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

buit zn. ‘het veroverde’
Vnnl. buyt om buyt [1558; Stall. I, 298], de Buyt die wy crijghen [1564; WNT wetten I], verder in het zn. vnnl. buyteringe ‘dieverij’ [1542; Stall.].
Wrsch. ontleend aan mnd. bute ‘wat te verdelen is’, een afleiding van mnd. buten ‘ruilen, delen, buitmaken’.
Uit mnd. bute ook mhd. biute (nhd. Beute); nfri. bût, bút; on. býti (nzw. byte). Naast het ww. mnd. buten ook mnl. buten ‘deel hebben in’ [1488; MNW]; nzw. byta ‘ruilen’. De herkomst van dit woord is onzeker, maar mogelijk is het te beschouwen als een vorm van *bi-ūtan- ‘(doen) uitgeven’, afgeleid met pgm. *bi (zie → be-) van het bijwoord *ūt (zie → uit).
Het eventuele verband met Oudiers búaid ‘overwinning’ en Welsh budd ‘voordeel’ blijft duister, al is ontlening aan het Keltisch niet geheel uitgesloten.
Aan de Nederlandse (of Duitse) vorm zijn Engels booty ‘buit, roof’ en Frans butin ‘buit, winst’ ontleend. Van Frans butin werd het werkwoord butiner ‘plunderen’ [14e eeuw] afgeleid, waaraan op zijn beurt mnl. butineren ‘de buit verdelen’ [1467-90; MNHWS] is ontleend.

EWN: buit zn. 'het veroverde' (1558)
ANTEDATERING: mnl. buyt 'buit' [1467-80; iMNW roekelooslike]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

buit* [wat men veroverd heeft] {buyt 1567 in de betekenis ‘ruil’; de huidige betekenis 1573} van middelnederlands buten [ruilen, verkwanselen, verdelen, buitmaken], butinge [ruil, verdeling, buit], butineren [verdelen van buit], middelnederduits buten [ruilen, buit maken]; de etymologie is onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

buit znw. m., Kiliaen: buyt, buet, bij het ww. mnl. būten ‘ruilen, buitmaken’, vgl. mnd. būte, buite v. ‘ruil, verdeling, buit’ (> nhd. beute), būten ‘ruilen, verdelen, buitmaken’ (waaruit on. bȳta ‘ruilen, verdelen’. — > ofra. butiner ‘buitmaken’, waarvan weer butin ‘buit’ Valkhoff 81); > ne. booty ‘buit’.

Er is geen aanleiding het woord met oiers buaid ‘overwinning’ te verbinden, daar het woord eerst in de ME optreedt. De verklaring uit een *biūtian (van het bijw. ūt ‘uit’), die Kluge-Mitzka 72 mogelijk acht, is ook zeer problematisch.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

buit znw. Kil. buyt, buet, zelden in ’t Mnl. Hierbij mnl. bûten “ruilen, buitmaken”, nog dial. en in ruilebuiten (= ruilen en buiten). Buit komt = “ruil” nog in Gron. voor. Vgl. mnd. bûte, buite v. “ruil, verdeeling, buit”, bûten “ruilen, verdeelen, buitmaken” (uit ’t Nd. nhd. beute), on. bŷta “ruilen, verdeelen” (wsch. uit ’t Mnd., evenals ijsl. bŷti o. “ruil, buit”). Ontleend zijn fr. butin, eng. booty “buit”. Een oorspr. ndd. woord van onzekere afkomst. O.a. is ier. buaid “overwinning” vergeleken: onwsch. Vermoedelijk is ’t ww. ’t oudst, met de oorspr. bet. “verdeelen, ruilen”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

buit m., + Ndd. büte, van buiten 1 + Mndd. büten = uitdeelen, verdeelen, ruilen, wel met be- van uit. Van hier (Ndd. of Ndl.) Zw. byte. De bytte, Eng. booty, Fr. butin en Hgd. beute.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

buit ‘wat men veroverd heeft; (verouderd) ruil’ -> Duits dialect Beute ‘wat men veroverd heeft’; Deens bytte ‘wat men veroverd heeft; slachtoffer; ruil’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bytte ‘wat men veroverd heeft; ruil’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds byte ‘vervanging, verwisseling, ruiling’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans butin ‘wat men veroverd heeft’; Bretons butin ‘wat men veroverd heeft’ <via Frans>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

buit* wat men veroverd heeft 1573 [Plantijn]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ū̆d- ‘empor, hinauf’, sekundär auch ‘hinaus’, daneben ū̆d-s (vgl. lat. ab : abs u. dgl.), Komparativ ud-tero-s, Superlativ ud-temo-s

1. Ai. úd-, út- ‘empor, hinaus’ Präverb; av. us-, uz- (*uds-) ds., ap. us- ds. (ud- in ud-apatatā ‘er lehnte sich auf, fiel ab’ ist wahrscheinlich *uz-);
gr. ὑ- in ὕ-βρις (s. u. ger- ‘schwer’), ὕστριξ ‘Stachelschwein’, ὕσπληξ ‘Startseil’, kypr. ὔ-χηρος ‘Aufgeld’ (att. “τα ἐπίχειρα”) und in dieser Mundart überhaupt zum Ersatze von ἐπί geworden: adnominal mit Lok. z. B. ὐ-τύχα “ἐπὶ τύxῃ”; eine (an got. iupa neben *upo gemahnende) Vollstufe wohl in kypr. εὐτρόσσεσθαι· ἐπιστρέφεσθαι. Πάφιοι und εὔχους· χώνη (‘Trichter’) Σαλαμίνιοι Hes.; (wegen ὕστος, ὑστέρα s. unter udero- ‘Bauch’);
lat. ūs-que ‘in einem fort, ununterbrochen von - her oder bis - hin’;
air. Präverb uss-, oss- könnte auch auf *ud-s- zurückgehen; s. unter upo;
got. ūt Adv. ‘hinaus, heraus’, ahd. ūz, nhd. aus, as. ags. ūt ds., wgerm. auch Präp. beim ‘Dativ’ Abl. (dazu got. ūta, aisl. ūti, ags. ūte, ahd. ūze ‘außen, draußen’; got. ūtana, ahd. ūzana usw., nhd. außen; aisl. ūtar, ags. ūter, as. ūtar, ahd. ūzar ‘außer’, z. T. als Präp. beim ‘Dativ’ und Akk.; ahd. ūzero, ūzaro, ags. ūter-ra ‘der äußere’); wesentlich auf *uds vor tönenden Verschlußlauten beruht germ. *uz- ‘aus, aus - heraus, aus - vor, vor - weg’ in got. us (uz-; vorr: ur-) Präf. und Präp. ‘von, aus’ (‘Dat.’ = Abl.), ebenso aisl. ór Präp., als Präf. ór-, or-, ør-, ags. or-, as. ur-, or- Präf., ahd. ur, ar, ir Präp. ‘aus, von’ (vor ūz zurückweichend), ur-, ir-, ar-, er- Präf., nhd. úr-, er- (z. B. Urlaub, erlauben); mnd. (ūt)būten ‘(aus)tauschen, erbeuten’ aus *bi-ūtian, vgl. aisl. ỹta ‘darreichen’;
lit. už- ‘auf-, hinauf-, zu-’ Präfix (der Bed. halber wohl zu scheiden von Präp. ‘hinter, für’, s. *g̑hō S. 451 f.; Trautmann, Bsl. Wb. 336 hält an der Einheit fest, auch für die folgenden Formen), lett. uz, ūz Präfix und Präp. ‘auf’ (dazu auch apr. unsei ‘hinauf, auf’);
aksl: vъz- (vъs-) Präfix, vъz(ъ) Präp. in der Bed. ‘hinauf an etwas’ (Akk.);
2. Kompar. ai. úttara- ‘der höhere, obere, spätere, hintere’ = gr. ὕστερος ‘der spätere’; Sup. ai. uttamá- ‘höchster, oberster, bester’, av. ustǝma- ‘äußerster, letzter’, gr. ὕστατος ‘letzter, spätester’ (fur *ὕσταμος); über ai. ucca- ‘hoch’ (*ud-ke), uccā́, av. usča Adv. ‘oben; nach oben’ s. Wackernagel-Debrunner II, 2, 545 f.

WP. I 189 f., WH. II 344, Schwyzer Gr. Gr. 2, 517 f., Vasmer 1, 214. 238 f., 242, Mayrhofer 1, 99, 101 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal