Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

centraal - (in het midden gelegen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

centraal bn. ‘in het midden gelegen’
Nnl. centraale vergadering ‘overkoepelende, landelijke vergadering’ [1795; Vrijheid, gelijkheid], centrale wapenplaats [1850; WNT wapenplaats].
Ontleend aan Frans central ‘het middelpunt vormend’ [1377; Rey] < Latijn centrālis ‘zich in het midden bevindend’, afgeleid van Latijn centrum ‘middelpunt’, zie → centrum.
centrale zn. ‘hoofdpost; centrale fabriek; overkoepelend orgaan, (vak)bond’. Nnl. in elektriciteitscentrale ‘fabriek van elektrische stroom’ [1907; WNT retour], telefooncentrale ‘centrale verbindingspost’ [1919; WNT telefoon], vakcentrale ‘vakbond’ [1922; WNT vak], centrale ‘bond, overkoepelend orgaan’ [1922; WNT arbeidsbeurs]. Ontleend aan Frans central ‘hoofdpost, centrale verbindingspost’ [1883; Rey] en Frans centrale ‘elektriciteitsfabriek’ [1927; Rey], zelfstandig gebruik van het bn. central. ♦ centraliseren ww. ‘in één punt samenbrengen’. Nnl. centraliseeren ‘id.’ [1872; Dale]. Ontleend aan Frans centraliser ‘id.’ [1790; Rey], een afleiding van het bn. central. ♦ centralisme zn. ‘neiging om alles centraal te regelen, met name in de politiek’. Nnl. centralisme ‘id.’ [1936; WNT publicistiek]. Ontleend aan Frans centralisme ‘id.’ [1842; Rey], afleiding van het werkwoord centraliser.
Lit.: Vrijheid, gelijkheid en broederschap. Notulen, gehouden in de vergadering van gedeputeerdens uit diverse burger- en volks-vergaderingen, societeiten enz., tot het formeeren eener algemeene centraale vergadering; gehouden binnen Utrecht in de wees-kerk, den 1 augustus 1795, het eerste jaar der Bataafsche vrijheid 1795

EWN: centraal bn. 'in het midden gelegen' (1795)
ANTEDATERING: vnnl. centrale Eclips van de Maan [1689; Patridge, 4]
EWN: ♦ centrale zn. 'hoofdpost; centrale fabriek; overkoepelend orgaan, (vak)bond' (1907)
ANTEDATERING: een kleine centrale, welke den afnemers wisselstroom levert [1890; Ingenieur 5, 488]
EWN: ♦ centraliseren ww. 'in één punt samenbrengen' (1872)
ANTEDATERING: om deszelfs rijk te centraliseren [1810; Courrier d'Amsterdam (KB) 1/10]
EWN: ♦ centralisme zn. 'neiging om alles centraal te regelen, met name in de politiek' (1936)
ANTEDATERING: de aanneming van het "Centralisme" [1819; De Curaçaosche courant (KB) 17/4]
Later: het stelsel van centralisme [1827; Utrechtsche courant (KB) 16/5]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

centraal [in het midden gelegen] {1796} < frans central < latijn centralis, van centrum (vgl. centrum).

Thematische woordenboeken

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

centraal-

Met uitzondering van centraalstation, dat helemaal ingeburgerd is, worden de samenstellingen van centraal- met een substantief door Van Dale en Koenen sinds de jaren ’50 als germanismen (D. ‘Zentral-’) beschouwd.

In zijn druk van 1974 heeft Koenen zijn houding echter iets genuanceerd: waar hij het eerst duidelijk over germanismen had, zegt hij nu nog maar: ‘men vermijde...’. Andere woordenboeken zijn niet zo streng: zo wordt centraalzon door Verschueren en Van Gelderen aanvaard; centraalbureau door Van Gelderen en Jansonius; centraalbestuur, -kas, -kracht en -post door Jansonius alleen. Tot in de jaren ’50 kon men in de woordenboeken ook nog centraalbeweging, -blad, -bouw, -punt, -stralen, -vulkanen, en -vuur vinden, woorden die nu echter verdwenen zijn.

Men mag dus zeggen dat de samenstellingen met centraal- en een substantief in de laatste jaren terrein verloren hebben en dat ze, behalve het ingeburgerde centraalstation, niet (meer) algemeen aanvaard worden.

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Centraal (Lat. centrális = zich in het midden bevindend; → centrum). Adjectief dat een betrekking tot een middelpunt of een vast punt aangeeft; b.v. centrale krachten.

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Centraal (→ centrum). Komt in tal van verschillende betekenissen als adjectief en substantief voor: Adj. 1) Centraal gelegen; vb. centraal machtpunt van een cirkelbundel. 2) Een centrum bezittend; vb. centraal-kegelsnede (Germanisme). 3) Uit centra bestaande; vb. centrale kegelsnede van een bundel. 4) Uit een centrum afkomstig; vb. centrale projectie. 5) Naar een centrum gericht; vb. centrale kracht.
Subst. Centraal van twee cirkels, van een cirkelbundel; ook wel: centraal van een kegelsnedenbundel (= centrale kegelsnede).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

centraal ‘in het midden gelegen’ -> Indonesisch séntral ‘in het midden gelegen’; Javaans sèntral ‘in het midden gelegen’; Surinaams-Javaans sèntral ‘in het midden gelegen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

centraal in het midden gelegen 1796 [Picarta: Concept-plan ter inrichting (...) alsmede voor eene algemeene Centraale vergadering] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal