Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dak - (bedekking van een huis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

dak zn. ‘bedekking van een huis’
Mnl. dac ‘dak, afdak, bekleding’ [1240; Bern.], vnder dak ‘onder dak’ [1270-90; CG II, Moraalb.], alse van dake ochte van wanden ‘zowel wat betreft het dak als de muren’ [1283; CG I, 722], dac [1340-60; MNW-R].
Mnd. dak ‘bedekking van een huis’; ohd. dah(h) ‘bedekking, scheepsdek’; ofri. thek ‘strodak’ (nfri. tek, dak); oe. þæc (ne. thatch) ‘strodak’; on. þak ‘dak, bedekking’ (nzw. tak ‘dak’); < pgm. *þak-.
Verwant zijn Latijn toga ‘bedekking, bekleding’ (zie → toga); Welsh/Bretons to < *togo-s ‘dak(bedekking)’; bij de wortel pie. *tog-. Hiernaast een ablautend pie. *teg-, ‘bedekken’, Latijn tegere ‘dekken, bedekken’, tectum ‘dak’, tegula ‘dakpan’ (zie → tegel, → tectyl), Grieks tégos ‘dak, huis’, Oudiers tech ‘huis’; hiernaast een alternatieve vorm pie. *steg- (IEW 1013-14), vooral vertegenwoordigd in de oostelijker talen: Grieks stégein ‘bedekken, beschermen’, stégō ‘bedekking’, stégos ‘dak, huis’; Sanskrit sthagati, sthagayati ‘verhullen, verbergen’; Oudpruisisch steege ‘schuur’, stogis ‘dak’; Oudkerkslavisch ostegnǫti ‘dichtmaken’. Nederlands verwant zijn verder → deken en → dekken.

EWN: dak zn. 'bedekking van een huis' (1240)
ANTEDATERING: onl. thac 'dak' [1151-1200; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dak* [bedekking van huis] {dac [dak, dakstro] 1201-1250} van dekken; buiten het germ. latijn tectum [dak, huis]. De uitdrukking er is dak op huis [je kunt worden afgeluisterd] zal waarschijnlijk hebben betekend: er zit iem. op het dak.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dak [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: ook toga betekent oorspronkelijk ‘dekking’, E. Polomé, RBPhH 44, 113 [1966].

dak znw. o., mnl. dac ‘dak, dekriet’, mnd. dak ‘dak, dekriet’, ohd. dah ‘dak, bedekking, scheepsdek’, oe. ðæc ‘dak’ (ne. thatch ‘strodak’), on. þak ‘dak’. — Idg. wt. *(s)tegos vgl. gr. tégos, stégos ‘dak, huis’, oiers tech ‘huis’, bij de verbaal wt. (s)teg ‘bedekken’, vgl. gr. tégō ‘ik bedek, bescherm’, lat. tegō ‘dekken, bedekken’, tectum ‘dak’, oi. sthagati, sthagayati ‘verhullen, verbergen’, oiers -tuigiur ‘ik dek’. Rekkingsgraad in lit. stíegiu, stíegti ‘een dak bedekken’, opr. steege ‘schuur’ (IEW 1013-4). — Zie: deken 1 en dekken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dak znw. o., mnl. dac (gen. dākes) o. “dak, dekriet”. = ohd. dah o “dak, bedekking, scheepsdek” (nhd. dach), mnd. dak o. “dak, dekriet”, ags. ðæc o. “dak” (eng. thatch “stroodak”), on. þak o. “dak”. Het Got. gebruikt voor “dak” hrot o. W.- en ngerm. *þaka- o. behoort bij den idg. wortel (s)t(h)eg- ”(be)dekken”, waarvan o.a. het ww. *(s)t(h)egô “ik dek”: lat. tego, gr. stégō “ik dek”, oi. sthágati “hij dekt toe, verbergt”; vgl. verder voor de bet. dak”: ier tech, teg “huis’’ (eig. “dak”), kymr. to “dak”, lat. tectum “dak, huis”, gr. (s)tégos, (s)tégē ”dak, huis”, lit. stógas “dak”, stěgti “een dak maken”. Eenige woorden met denzelfden vocaaltrap als dak vindt men nog bij deken I: zie verder ook dekken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dak. Adde: ofri. thek o. ‘dak’.
In pl.v. lit. stěgti moet stíegti worden gelezen. Het ligt meer voor de hand vervorming aan te nemen (naar stríegti ‘een dak maken’?) dan het met Fraenkel WuS. 12, 190 vlg. van stógas ‘dak’ te scheiden en bij de groep van stijgen te brengen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dak o., Mnl. dac + Ohd. dah (Mhd. en Nhd. dach), Ags. đæc (Eng. thatch = stroodak), On. þak (Zw. tak, De. tag) + Lat. toga = hulsel, Lit. stogas = dak; het is afgel. van denz. stam als ’t enk. imp. van een st. ww. Ndl. *deken, Lat. tegere (z. dekken). Iets van de daken prediken is een zinspeling op Matth. X, 27 en Luk. XII, 53.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

daak (zn.) dak; Vreugmiddelnederlands dac <1240>.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

dake 3 in uitdr. in dake en rake houwen ‘(huis en erf) in goede staat houden’. Mnl. in rake ende in dake, in goeden rake ‘goed onderhouden’; ook raken ende daken ‘goed onderhouden’. Dake is de datief van dak < dekken. Een dak dat goed dicht is en geen water doorlaat, is nl. een eerste voorwaarde voor een goed onderhouden huis. Rake is de datief van Mnl. rac ‘goede toestand’. Vgl. 1532 Die eenige huysingen in lyftogte besit, die zal die huysinge digt ende in goeder raacke houden, Utrecht. Mnl. gerac, gerec, ‘goede toestand’, gereken ‘in orde, in goede toestand brengen’. Gereken is de perfectieve afl. van Mnl. reken ‘in goede staat brengen’. Os. rekon, Mnd. reken ‘in goede staat, in goede orde’, Oe. recen ‘bereid, snel’, Ofri. rekon ‘in orde’. Vandaar ook Mnl., Mnd. rekenen ‘in orde brengen’, Mnl. recken ‘regelen, besturen, van het nodige voorzien’. Verwant met recht, Lat. regere ‘besturen, richten, leiden’.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Van de daken schreeuwen, roepen, ook: prediken, verkondigen, met luide stem, met alle middelen aan iedereen bekend maken; vertellen aan ieder die het horen wil.

Zowel Matteüs als Lucas citeren Jezus als hij de discipelen oproept hun overtuiging niet alleen onder elkaar te bespreken maar aan iedereen te verkondigen: 'Wat gij aan het oor gezegd hebt, in de binnenkamer, zal van de daken gepredikt worden' (Lucas 12:3 in de NBG-vertaling; de NBV heeft hier 'vanaf de daken bekend gemaakt worden'). Hier moeten we denken aan de oosterse platte daken, waar men gemakkelijk op kon staan. Als werkwoord hoort men nog wel prediken en verkondigen in aansluiting op de oorspronkelijke tekst; het gaat dan om een overtuiging. Nu zijn roepen en vooral schreeuwen bekender en kan het object ook een nieuwtje zijn. Het op de daken is in de omgangstaal en in jongere vertalingen als de Canisiusvertaling (1929-1939) en de NBG-vertaling (1951) vervangen door van de daken.

Liesveldtbijbel (1526), Lucas 12:3. Wat ghi hebt ghesproken int oor in die camer, dat salmen op dye daken prediken.
Maar Fons Nijpels wil het van de daken schreeuwen. 'Uit die fluwelen handschoenen! Oorlog! Er moet oorlog worden gevoerd tegen de tabaksindustrie'. (Trouw, 7-4-1999, p. 15)
Na de eerste poging met de Alisun zei ik meteen dat ik ooit nog eens zo'n reis zou maken. Nu ben ik wat voorzichtiger, roep niet van de daken dat ik het nog een keer ga doen [zekere langdurige zeiltocht]. (Waterkampioen, 1993, nr. 12)
Ik doel hier op individuelen en spreekbuizen van doelgroepen die het 'well-done' vinden om hoog van de daken te verkondigen dat een ieder moet bezuinigen, inkrimpen, inleveren behalve zijzelf. (Liberaal Reveil, 1992, nr. 4)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

dak. Zeer frequent in het hedendaags Nederlands is de verwensing ga op het dak zitten! Soms wordt ze uitgebreid tot ga op het dak zitten met een bos uien! Vgl. Van Eijk (1978: 88). Misschien wordt daarmee letterlijk bedoeld ‘en ga zitten janken’, vanwege het tranentrekkend vermogen van de ui. Deze verwensing is milder van aard dan allerlei andere. De betekenis is vervlakt tot ‘vlieg op, maak dat je wegkomt’. In Vlaanderen kent men volgens Mullebrouck (1984) de variant ga, zet u op het dak met een bos of bundel ajuinen! In Amsterdam schijnt men te gebruiken ga maar op het dak zitten met een bos uien (in je gat)! Van Eijk (1995: 136) kent ook nog ga op het dak zitten kraaien melken! Misschien is je kan het dak op! thans in bepaalde gebieden nog frequenter, hoewel het enquêtemateriaal geen aanleiding geeft tot deze veronderstelling. → vallen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dak ‘bedekking van huis’ -> Frans dialect † dac(he) ‘strodak’; Jakartaans-Maleis dak ‘bedekking van huis’; Menadonees dak ‘platte bedekking’; Creools-Portugees (Ceylon) dac ‘bedekking van huis’; Negerhollands dak ‘bedekking van huis’; Papiaments dak ‘bedekking van huis’; Sranantongo daki ‘bedekking van huis’; Sarnami dák ‘bedekking van huis’; Surinaams-Javaans dag ‘bedekking van huis’.

Dateringen of neologismen

R. Schutz (2007), Brekend nieuws, Nijmegen

door het dak gaan. Letterlijke vertaling van Engels go through de roof = de pan uitrijzen; Ja, zolang je de prestaties maar niet met elkaar gaat vergelijken. Wil je gelijke prestaties, dan schieten de prijzen van de a-merken door het dak. Wil je een top machine, dan komen de A-merken niet eens in beeld. Ze zijn te suf en te traag om echt snel op ontwikkelingen in te spelen. Believe me, A-merken zijn de grootste hoax van de computer-industrie. (1998); Als er echt een schaarste zou zijn aan olie, dan zouden de prijzen door het dak gaan en zouden bedrijven vechten om meer olie te vinden; Werknemers vrezen voor hun baan, bedrijven vrezen voor hun hachje, maar superbeleggers als ABP zien de rendementen door het dak gaan; Gezoete fruitdranken zorgen ervoor dat je insulinepeil door het dak gaat.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dak* bedekking van huis 1240 [Bern.]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

dak: uit zijn — gaan, dolenthousiast raken (van iets); zijn zelfbeheersing verliezen; in vervoering raken. Informeel; aanvankelijk jeugdtaal, nu meer algemeen. Een synoniem is uit zijn bol gaan.

Zij moeten uit hun dak kunnen gaan, zij moeten kunnen pogoën op de vulkaan. (Oor, 16/12/81)
Met twee lenige sprongen is hij op het podium en terwijl het publiek compleet uit z’n dak gaat begint de grote gebeurtenis waarvoor zij, maar vooral Michael zelf gekomen zijn. (Top 10, 31 mei — 21 juni 1988)
Je gaat echt uit je dak bij een optreden van Aswad. (Muziek Express, juli 1988)
Die zaal was een orkaan van geluid. Fantastisch, ik ging helemaal uit mijn dak. (De Volkskrant, 07/03/92)
Ieder weekend trekken zo’n 15.000 jonge Nederlanders naar Duitsland. Om daar, vlak over de grens, uit hun dak te gaan. (Nieuwe Revu, 29/11/96)
Housers gebruiken drugs en gaan uit hun dak, maar wel zó dat ze de volgende dag weer in de collegebanken kunnen zitten. (HP/De Tijd, 23/05/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

395. Onder dak zijn,

d.w.z. zich onder het dak bevinden, in huis zijn, veilig en beschermd tegen regen en wind; goed geborgen, bezorgd zijn; het tegenovergestelde van het mnl. buten dake, in de open lucht. Vgl. Bank. II, 325: Laet ons dan den reghen niet verwachten, maer ons onder 't dack begheven, eer het nat valt; Molema, 66 a: Onder dak wezen, in 't algemeen: een heenkomen hebben, en in 't spel: 't niet verloren hebben, althans niet behoeven te betalen. In Friesland heeft de uitdrukking nog een algemeener beteekenis, nl. die van klaar, alles hebbende, wat men noodig heeft; ook: zijn schaapjes op het droge hebben of (van een meisje) verloofd zijn; daarnaast is bekend een znw. onderdak, onderkomen, woning, nachtverblijf (zie o.a. Fri. Wdb. II, 282 a). In Noord-Holland zegt men: binnen mikken (= de stutten van den hooiberg) zijn, eerst van hooi en daarna in het algemeen; zie Boekenoogen, 639; vgl. fr. être à couvert; hd. unter Dach und Fach sein; jem. Dach und Fach geben; eng. to be under shelter and cover.

396. Op zijn dak krijgen.

Eigenlijk gezegd van regenvlagen en hagelbuien, die neerkletteren op het dak, en bij overdracht van verwijten en verwenschingen, beschuldigingen, die naar iemands hoofd geslingerd worden; iets onaangenaams ondervinden, moeten boeten; in Gron. ook op zijn dakkement krijgen, op zijn kop krijgen. In West-Vlaanderen zegt men het zal ook wel op zijn dak regenen (vgl. hd. aufs Dach regnen, de schuld krijgen) voor: hij zal ook wel zijne beurt hebben van iets onaangenaams te moeten lijden (De Bo, 210); in het Land v. Waas: dat viel hem koud op het dak, dat beviel hem niet (vgl. ndl. dat viel hem koud op 't lijf); iets valt iemand op het dak, als iets kwaads onverwachts komt (Waasch Idiot. 160 a). Vgl. Sewel, 166: Hy kreeg lustig op zyn dak, he was severely banged; en de uitdr. op zijn kop krijgen en op zijn schaliën krijgen (zie Onze Volkstaal I, 240). Hij die iemand wat op zijn dak geeft, komt hem op zijn dak, waarmede te vergelijken is Sewel, 166: Zo ik op uw dak, agter je vodden kom, if I fall upon your bones; Focquenb. Typhon, 303: Elk viel om strydt hem op sijn dack; De Regt, Mengeld. 150:

 Ik zeg je, blyf me van de veter
 Met zulke praatjes, of ik kom
 Je dryvende op je dak.

Iemand een ander op zijn dak sturen, iemand een ander tot last sturen, iemand op een ander afsturen. Vgl. Harreb. I, 119 a; Ndl. Wdb. III, 2246; M. de Br. 141: Juffrouw Baak had hem eens den pater op zijn dak gestuurd; Sjof. 244: As 't noodig was en 'k kreeg de ouwe man op me dak (tot mijn last), 'k betaalde liever zes gulde in de week om 'm ergens uit te besteje; Molema, 65 b; 66 a; fri. op syn dak krije, een pak ransel krijgen; it op syn dak krije, de schuld krijgen; het hd. einem auf dem Dache sitzen, einem aufs Dach steigen (kommen), einem etwas aufs Dach geben.Voor de ontwikkeling der hier voorgedragen beteekenis vgl. ‘iemand iets op den hals, op zijn lijf zenden, sturen’; Ndl. Wdb V, 1666. Door Günther, 75 wordt einem auf das Dach steigen verklaard uit eene vroegere straf. ‘Auf das Dach eines Hauses stieg man nämlich früher tatsächlich, um es zu Schimpf und Schande des darunter Wohnenden abzudecken. Namentlich für Ehemänner, die sich von ihren Frauen hatten schlagen lassen, findet sich solche Dachabdeckung im sechzehnten und siebzehnten Jahrhundert nicht nur in Chroniken erwähnt, sondern sogar in Gesetzen vorgeschrieben’.

397. Er is (te veel) dak op 't huis.

Men bezigt deze uitdrukking om te kennen te geven, dat er ongewenschte toehoorders in de nabijheid zijn en het raadzaam is om voorzichtig te zijn in het spreken. Wellicht in eigenlijken zin: er zit iemand op het dak, er is dus meer dak dan er noodig of wenschelijk is; syn. er zit een vlieg op de plank (Harreb. II, 187). Vgl. Tuinman I, 324: Daar is te veel dak op 't huis. Dit zegt men, als 't ergens niet veilig is te spreken, omdat men beluistert kan worden; W. Leevend, VI, 14: Ik dagt niet, dat er dak op 't huis was; nou moeder, je hebt het niet gehoord, hoop ik; Harreb. I, 118; Molema, 66: D'r is te veul dak op 't hoes, er zitten personen bij die ons verhinderen te spreken, wij zijn niet vrij voor 't oogenblik; Draaijer, 7; Bergsma, 83, die naast der is dak op 't huus ook vermeldt der is geen dak op 't huus, we kunnen vrij spreken, er is gelegenheid; Ppl. 215; Twee W.B. 9: Hou je sm .. l. D'r is te veel dak op 't huis; fri. der is to folle tek op 'e skurre. Syn. zijn: Daar zijn latten aan het Huys, lupus in fabula (zie Adagia, II); in Zuid-Nederland er zijn latten aan 't huis (Claes, 132; Antw. Idiot. 747; De Bo, 611; Rutten, 129; Waasch Idiot. 389); er loopen ratten op 't dak (Harreb. I, 119; Schuerm. 522); er is stroo op 't dak (Harreb. II, LXIX; Volksk. 1889, 175); er zijn pannen op 't dak (Harreb. I, 118). De zuidndl. uitdr. er zijn latten aan 't huis herinnert aan de vroegere gewoonte een kruis van latten (soms van stroo) op de deur of tegen het dak vast te maken, als er iemand met een besmettelijke ziekte lag. ‘Latten aan 't dak’ wilde dus zeggen: er is gevaar, er is onraad, opgepast! hd. der Kachelofen steht in der Stube (Wander V, 1477).

398. Het zilveren dak.

Hieronder verstaat men hypotheek, die op een huis rust; vgl. M.z.A. 166: Op zekeren morgen vertelde hij mij, dat hij in de steeg een eigendommetje had gekocht. ‘Afijn, ziet uwé! een heer heeft me geholpen met het zilveren dak; de rest had ik zelvers’. Ook een gouden, een papieren dak of gouden pannen op zijn huis hebben. In Zuid-Nederland: er liggen zilveren of papieren balken onder 't dak of in dat huis (zie Harreb. II, XLII; I, LIX; Antw. Idiot. 328; 180); bij Draaijer, 3: in dat hûs likt papieren balkens; in het Waasch Idiot. 89: dat huis is gemaakt met papieren balken, is belast. In de Bommelerwaard: er zijn palen door het dak (V.d. Water, 116). Vgl. verder Nkr. III, 21 Nov. p. 7: Het hield 't nog net zoolang uit tot ze in hun huisje met een totaal verzilverd dak sterven konden; Antw. Idiot. 1498: Op dat huis is leelijk gezondigd, het is belast, er staat een hypotheek op; Harreb. II, 170: Dat is met zilveren pannen gedekt, van een gebouw dat met hypotheek bezwaard is; Molema, 521: dat hoes het golden balken; Z.-Limb. dat hoes sjeet op papiere zoale (zuilen); Loquela, 164: Dat is mijn huis, maar 't zit een gerskalveken op of maar 't zit ne man op het dak.

399. Dat gaat van een leien dakje,

d.w.z. dat gaat gemakkelijk, vlug, als gesmeerd, evenals bijv. een bal vlug en gemakkelijk van een leien dak afrolt. Hooft gebruikt de uitdr. o.a. in zijne Brieven, bl. 352 en 355: Waar uit te scheppen staat, dat de zaak noch veele voeten in d'aarde zouw hebben, ende alzoo alles van geen leyen dak afloopen. Vergelijk verder Verl. Soon, bl. 37; Moortje, vs. 2397: Het sulde duer myn gorregel, al haddet van een laydack geloopen; Sewel, 166: Het gaat of het van een lye dakje rolde, it goes very smooth, it runs well; Tuinman II, 163; Falkl. VI, 175; VII, 45; Sjof. 166: Dat ging dus in den beginne allemaal van een leien dakkie; en Joos, 16: gaan gelijk een steen van een leien dak; fri. it giet fen in leien dakje. In de Zaanstreek zegt men hiervoor ook glooi loopen (Boekenoogen, 249).

400. Van de daken prediken (verkondigen).

Deze zegswijze, die openlijk, alom iets verkondigen beteekent, is ontleend aan den Bijbel, en wel aan Matth. 10, vs. 27: 't Gene ghy hoort in de oore, predickt dat op de daken. Men bedenke hierbij, dat de Oostersche huizen platte daken hadden, vanwaar men gemakkelijk eene menigte kon toespreken. In 't Mnl.: Dat ghi gheruunt hebt int ore, sal men predeken upt dac, dats overluut secghen (Mnl. Wdb. VI, 1703); A. Bijns, 136: Waerdt dat papen en muncken cranckelijck vielen, dat souden sij op de daken preken; De Brune, 385: Zoo haest hy hoort maer yemants lack, hy preeckt terstond dat op het dack; Wolff en Deken, C. Wildsch. VI, 159: Op de daken prediken; fr. crier, dire qqch sur les toits; hd. auf den Dächern predigen; eng. to proclaim from (upon) the housetops.

1581. De muren hebben ooren.

Men bezigt deze uitdrukking, wanneer men iemand, die iets vertelt, wil te kennen geven, dat het raadzaam is, voorzichtig te wezen in zijn spreken; ook: in een gesloten vertrek moet men voorzichtig zijn met het behandelen van geheimen. In ongeveer denzelfden zin bezigt men: er is te veel dak (stroobedekking) op het huis of ook huis op 't dak (N. Taalgids XIII, 137; zie no. 397); in Limb. woeë veùl hegge zint, zint oock veùl mussje, waar veel muren zijn, zijn ook veel luistervinken (Jongeneel, 90). In Zuid-Nederland is onze zegsw. ook bekend (zie Waasch Idiot. 449 b; Antw. Idiot. 1909) naast er is look in de meersch (Schuermans, 326 b; De Bo, 648); er staat een boom in den weg (Schuerm. Bijv. 46); fri. der is mot om 'e teannen. Volgens Harreb. II, 111 b komt de uitdr. sedert de 17de eeuw voor. Vgl. het hd. die Wände haben Ohren; fr. les murailles ont des oreilles; eng. walls have ears; zie Wander IV, 1776 en vgl. lat. parietes arcanorum conscios timere.

2112. De speelman zit nog op het dak.

Dit wordt gezegd van jonggetrouwde lieden, die nog in de wittebroodsweken zijn; de eerste vreugde is nog niet geheel voorbij, de muzikanten bevinden zich als het ware nog op het dak (of zooals Tuinman I, 96 zegt: op de zolder; en II, 65: op den vloer); syn. van de pijper sitt noch op het huijs, de recens nuptis (Smetius, 193). De uitdr. komt voor in den Eerl. Pluckvogel, 243: Als den speelman sit op 't dak is het blijschap en gemack te trouwen; Gheschier, Des Werelts Proefsteen, 263 (anno 1643): Watser snelder als de saken, die van soete suer gheraken? Hoe langh duert het lieve knuys dat den speelman sit op 't huys? Bij Van Effen, Spect. V, 22: Ik wilde myn Sofia zo vroeg en terwyl de Speelman (gelyk men zegt) nog op het dak zat, geen verdriet aandoen; zie ook X, 218; W. Leevend II, 126; VI, 16; Rusting, 217Een voorstelling hiervan vindt men bij Breughel, no. 28.; Boekenoogen, 971: de speulman zit (nog) op het dak, soms met de toevoeging en botertje tot den boôm; Schuermans, 654 a; 't Daghet XI, 95: daar is de speelman gauw van 't dak gevallen; Antw. Idiot. 328; Waasch Idiot. 612 b; Rutten, 212 en De Bo, 1065 a: ‘De speelman op het huis. Van de nieuwgehuwden zegt het volk dat de speelman bij hen eerst in den hoek van den heerd zit, van waar hij aldra verschuift tot op de zulle (drempel) van de deur, en van daar al verder voorttrekt op het dak van 't huis, waar hij nog eenigen tijd verblijft, om dan eindelijk met den rook van de kave (schoorsteen) weg te vliegen’. Vgl. de in de 16de eeuw bij Everaert I, 207 voorkomende uitdr. de speillieden noch bachter duere sitten. In het fri.: de spylman sit yette op it tek.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)teg-1 ‘decken’, (s)tegos- n. ‘Dach, Haus’, (s)teg-to- ‘bedeckt’, togā ‘Bedeckung’

Ai. sthagati (umbelegt), sthagayati ‘verhüllt, verbirgt’; gr. στέγω ‘decke, schütze usw.’, στέγος, τέγος n. (= air. tech), στέγη, τέγη f. ‘Dach, Haus’, στεγανός ‘deckend, schirmend; bedeckt, versteckt’, στεγνός ‘bedeckend, schützend; bedeckt, verschlossen; kompakt, fest, dicht’ (s. wegen dieser Bed. auch *tegu- ‘dick’), στεκτικός ‘bedeckend, schützend’;
lat. tegō, -ere ‘decken, bedecken’, tēctum ‘Dach’ (= στεκτός), tegulum ‘Decke, Dach, Hülle’, teges, -etis ‘Decke, Matte’, tēgula ‘Dachziegel’, toga ‘Toga’; umbr. tehteřim ‘tegimentum, tectorium’;
air. tech (neutraler -es-St. = gr. τέγος), acymr. tig, ncymr. ty, acorn. ti ‘Haus’, abret. bou-tig ‘Kuhstall’ (mit unklarem brit. i); Pl. acymr. te, ncymr. tai, auch in air. teg-lach ‘Hausgenossenschaft’, cymr. teulu, acorn. teilu ‘Familie’ (*tego-slougo-), air. -tuigiur ‘ich decke’ = ahd. decchiu; tuige ‘stramen’ (*togi̯ā), imthuge ‘Bedeckung, Bekleidung’, cymr. am-do ‘amiculum, involucrum’, air. ētach ‘Kleid’, cymr. corn. to ‘Dach’, cymr. toï ‘tegere’;
aisl. þekja ‘decken’, ags. þeccan ‘bedecken’, ahd. decchendecken’ (Iterativ *togei̯ō = air. tuigiur, unter Verdrängung von idg. *tegō); aisl. þak, ags. ðæc, ahd. dah n. ‘Dach’; aisl. þekja ‘Dach’, ahd. decchi ‘Decke, Dach’; ags. þecen, as. thecina ds., dazu aisl. staka, stakka f. ‘Fell’; (ohne s norw. dial. taka ‘Schweinshaut’);
dehnstufig lit. stíegiu stíegti ‘ein Dach eindecken’, apr. steege ‘Scheuer’, lit. stíegtojas ‘Dachdecker’, ablaut. stógas = apr. stogis ‘Dach’; vielleicht russ.-ksl. stogъ m. ‘Schober, Haufe’.

WP. II 621 f., WH. II 654 f., Trautmann 288.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal