Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

deinzen - (terugtrekken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

deinzen ww. ‘terugtrekken’
Mnl. deinsen: datten weder deinsen / Dede achterwert ‘wat hem achteruit deed deinzen’ [1265-70; CG II, Lut.K]. Daarnaast mnl. deisen ‘terugwijken, achteruitdeinzen’ in si deisden achterwaert ‘zij deinsden terug’ [1470; MNW]; vnnl. deinzen, deynsen ‘id.’ [1562; Naembouck].
Als men aanneemt dat deinzen een causatief bij dit sterke werkwoord is, dus uit pgm. *þans-jan-, dan zou de spelling met -ei- veroorzaakt kunnen zijn door de positie voor een gedekte nasaal zoals in → einde en zou het eventueel verwant zijn met → deinen.
Mogelijk verwant met het sterke werkwoord onl. -thinson ‘uitstrekken’; ohd. dinsan ‘slepen, neerdrukken’; got. -þinsan ‘trekken’; < pgm. *þins-, *þans- ‘trekken, spannen’.
Een andere mogelijkheid is dat het woord secundair een -n- heeft gekregen en hetzelfde is als mnl. deisen ‘huiveren, sidderen’ (niet verwant met → gedeisd). De herkomst van dit woord is onbekend. NEW denkt vanwege de beperkte verbreiding aan een substraatwoord, maar de betekenis maakt dat minder wrsch. In zulke woorden komen vaker optionele prenasalisaties voor (Kuiper 1995).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

deinzen* [achteruitwijken] {dei(n)sen 1265-1270} middelnederduits deisen; etymologie niet duidelijk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

deinzen ww., mnl. deinsen, deisen ‘terugwijken’, mnd. deisen ‘stil weggaan, wegsluipen’, nd. en hd. dial. ‘heen en weer gaan, terugwijken, draven’. Het is aan te nemen dat de n secundair is en wij dus uit moeten gaan van deisen.

De voorgestelde verklaringen zijn alle onbevredigend. FW 110 wil uitgaan van een *þagin-sōn, waarvan het 1ste deel bij idg. *tekō ‘ik loop’ (zie: deerne) zou behoren. Van Haeringen Suppl. 32 wijst op mnd. deusen, döisen, die op een germ. *þǎwisōn zouden kunnen teruggaan, dat hij dan stelt tot de groep van dooien (zijn verwijzing naar on. þeysa ‘voorwaartsdrijven’ moet vervallen, want dit behoort bij þjōstr ‘toorn, geweld’, AEW 614). Het is bezwaarlijk voor een woord, dat op zulk een beperkt gebied van het germ. gevonden wordt, een idg. etymologie te vinden, veeleer zou men kunnen denken aan een plaatselijk woord, dat wellicht uit een substraattaal overgenomen is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

deinzen ww. (gewoonlijk in samenst. met af-, terug-), mnl. dei(n)sen (ook met achter- samengesteld) “terugwijken”. Ook op ndd. en bd. gebied, met de bett. “heen en weer gaan, terugwijken, gaan, draven”, mnd. deisen “stilletjes weggaan, wegsluipen”. De hypothese, dat. deinzen een germ. *þansianan, ablautend met *þinsanan (ohd. dinsan, onfr. thinsan, mnd; dinsen, got. at-þinsan “trekken”; met ablaut ohd. dansôn, zie dansen; vgl. lit. tęsti “trekken, rekken”, oi. taṁsáyati “hij trekt heen en weer, schudt”; idg. ten-s- van den wortel ten- “rekken”, zie deun II) zou wezen, is te verwerpen 1. wegens de bet., 2. omdat wij dan in ’t Mnl. en elders *densen naast dei(n)sen zouden verwachten. Dit laatste bezwaar bestaat ook tegen andere hypothesen. Zou het wellicht mogelijk zijn, du. (vooral ndd.) ndl. dei(n)sen uit wgerm. *þaӡin-sôn af te leiden en in ’t eerste lid een nominaalstam op n bij idg. *teqô “ik loop” (zie deerne) te zien?

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

deinzen. De -n- schijnt secundair. In verband met de gissing aan het eind van het artikel zij nog gewezen op mnd. deusen, döisen, gewoner dan deisen (bet. ‘teruggaan, weggaan, zich uit de voeten maken’), die eerder op een germ. *þawi-sôn zouden wijzen, dat dan gevoeglijk bij de familie van dauw (grondbet. ‘lopen’) zou kunnen worden gebracht. (Hierbij ook on. þeysa ‘voortdrijven’, refl. ‘voortstormen’?) Het ndl. vocalisme is met deze afl. echter bezwaarlijk overeen te brengen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

deinzen ono.w., Mnl. id., met ei vóór n gelijk in einde, factit. van *dinzen, Os. thinsan + Ohd. dinsan, Go. þinsan = trekken, rukken + Skr. wrt. taṁs = schudden, Lit. tẽnsiu = ik rek: Idg. wrt. tens.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

deizen, deinzen, duizen, du(i)nzen, deuzen, uizen, euzen ww.: terugdeinzen, achteruitgaan. Ook Oostends duizen ‘schommelen, wiegen; trager varen dan een ander schip’. Met ei > ui-ronding < deizen, deinzen ‘wijken, terugdrijven (van een schip), achteruitgaan, zinken’. Mnl. deinsen, deisen ‘terugwijken, achteruitdeinzen’, Ndd. deisen, deusen ‘heen-en-weergaan, wankelend achteruitgaan, wiegen (van een schip)’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

duizen (A, ZV), deizen (H), ww.: terugdeinzen, achteruitgaan. Ook Oostends duizen 'schommelen, wiegen; trager varen dan een ander schip'. Met ei > ui-ronding < deizen, deinzen 'wijken, terugdrijven (van een schip), achteruitgaan, zinken'. Ndd. deisen, deusen 'heen en weer gaan, wankelend achteruitgaan, wiegen (van een schip)'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

duize achteruitgaan, achteruit eggen (Zeeland). = mndd. deusen = deinzen = mnl. deinsen, deisen. Geen overtuigende etymologie.
Ghijsen 202.

uize, euze achteruitgaan, achteruiteggen (Zuidbeveland). ‹ duize ↑ (= deinzen). De d verdween door metanalyse in de pleonastische ss. achteruutduize.
Ghijsen 202.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

duizen (O), ww.: schommelen, wiegen; trager varen dan een ander schip; (ergens door) vallen. Met ei > ui-ronding < deizen, deinzen ‘wijken, terugdrijven (van een schip), achteruitgaan, zinken’. Ndd. deisen, deusen ‘heen en weer gaan, wankelend achteruitgaan, wiegen (van een schip)’. De Bo situeert het woord eveneens in Oostende, maar geeft als Wvl. uitspraak duzen, wat niet juist is. Hij heeft het woord ongetwijfeld onbewust verwestvlaamst met de normaal te verwachten West-Vlaamse monoftong u.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

deinzen ‘achteruitwijken’ -> Deens dejse ‘vaart verminderen door tegen de wind in te draaien, slingeren, omvallen’; Noors deise ‘vallen, slaan’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds dejsa ‘achteruit bewegen met behulp van de wind’; Fins † deisata ‘achteruit bewegen van schip’ <via Zweeds>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

deinzen* achteruitwijken 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

dhen-3 ‘schlagen, stoßen’

Nur in Erweiterungen (fast ausschließlich germ.):
d-Erw.: anord. detta st. V. ‘schwer und hart niederfallen, aufschlagen’ (*dintan, vgl. norw. dial. datta [*dantōn] ‘klopfen’: denta ‘kleine Stöße geben’), nfries. dintje ‘leicht schüttern’, norw. deise ‘taumelnd fallen, gleiten’ (aus:) ndd. dei(n)sen (*dantisōn) ‘zurücktaumeln, auskneifen’; ostfries. duns ‘Fall’ (s aus -dt- oder -ds-), anord. dyntr, ags. dynt m. (= anord. dyttr), engl. dint ‘Schlag, Stoß’;
alb. g-dhent ‘behaue Holz, hoble, prügle’, geg. dhend, dhênn ‘haue aus, schneide’.
Gutt-Erw.: anord. danga (*dangōn) ‘prügeln’: aschwed. diunga st. V. ‘schlagen’, mengl. dingen ‘schlagen, stoßen’, nengl. ding (skand. Lw.), mhd. tingelen ‘klopfen, hämmern’, norw. dingle (und dangle) ‘baumeln’; Kaus. anord. dengja, ags. dengan, mhd. tengen (tengelen) ‘schlagen, klopfen, hämmern (nhd. dengeln)’; ahd. tangal m. ‘Hammer’.
Labial-Erw.: schwed. dimpa (damp) ‘schnell und schwer fallen’, ndd. dumpen ‘schlagen, stoßen’, engl. dial. dump ‘schwer schlagen’.

WP. I 853 f.

tens- ‘dehnen, ziehen, spannen’, Erweiterung von ten-1 ds.

Ai. taṁsayati ‘zieht hin und her, schüttelt’, taṁsati (unbelegt), Aor. á-tasat ‘zerren, mit Gewalt in Bewegung setzen’, tásara-m ‘Weberschiffchen’, vítasti- m.; av. vitasti- ‘Spanne’;
lat. tōlēs, -ium ‘Kropf am Halse’, Demin. tōnsillae ‘die Mandeln im Halse’, prōtēlum ‘Zugseil für Ochsen, ununterbrochener Fortgang’, wovon prōtēlāre ‘in die Länge ziehen’ (während prōtēlāre ‘forttreiben, fortjagen’ als tēlīsprōpellere’ zu verstehen ist); tēnsa ‘Prozessions- oder Götterwagen’, das subst. Fem. des Partiz. tēnsus;
got. atþinsan ‘heranziehen’, anld. thinsan ‘ziehen, reißen’, ahd. dinsan ‘ziehen, schleppen’, hess. dinse, dans ‘ziehen’, Partiz. nhd. gedunsen (eig. ‘aufgezogen’), ahd. dansōn ‘ziehen, dehnen’;
lit. tęsiù, tę̃sti ‘durch Ziehen dehnen, verlängern’, pratęsà ‘Verzug, Aufschub’, užtęsas ‘Leichentuch’, Intr. tįstù, tį̃sti ‘sich dehnen, sich recken’, tąsaũ -ýti (: ai. taṁsayati) ‘zerren, recken’, apr. tiēnstwei ‘reizen’, 2. Pl. Imp. tenseiti, Partiz. entensīts ‘gefaßt’, teansis ‘Deichsel’.

WP. I 727, WH. II 666, 688, 691, Trautmann 318 f., Mayrhofer 1, 465, 491, 532.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal