Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

den - (boom)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

den zn. ‘naaldboom’
Mnl. dan ‘dennenboom’ [1226-50; VMNW], danne ‘idem ’ [1345; MNW], danne, denne [1477; Teuth.]; vnnl. denne [1599; Kil.].
De verandering van de klinker van -a- naar -e- heeft wrsch. plaatsgevonden naar analogie van het bn. mnl. dennen ‘van dennenhout’ naast dannen ‘id.’ [1477; Teuth.] (< pgm. *dannīn-); hetzelfde proces is ook opgetreden bij de boomnamen → es 1 en → esp.
Os. dennia ‘den’; ohd. tanna ‘den, spar’; < pgm. *danwō-, *danjō- ‘naaldboom’. De Oudsaksische vorm wijst op de mogelijkheid van een jō-stam, wat in zou houden dat de klinkerverandering in het Nederlands het gevolg kan zijn van i-umlaut. Misschien stonden er twee afleidingen van dezelfde wortel pgm. *dan- naast elkaar.
Pgm. *dan- is wrsch. een afleiding bij een woord dat ‘woud, bos’ betekent en dat voorkomt in de ohd. samenstelling zn. tanesel ‘wilde ezel’, mhd. tan ‘woud’ (> Duits Tann). Men denkt wel aan een oorspr. betekenis ‘ontoegankelijk gebied’; het zou dan te vergelijken zijn met Sanskrit dhanu- ‘zandbank, eiland’, dhánvan- ‘dor land, woestijn’ < pie. *dhonueh2 of *dhonu- (IEW 249), maar dit is niet wrsch. Gezien het vocalisme met -a- lijkt herkomst uit een substraattaal heel wel mogelijk. Ook het feit dat het om een aanduiding voor een boom gaat, lijkt hiervoor te spreken.
Als botanische term is den thans de naam voor de naaldboomsoorten van het geslacht Pinus; in de terminologie van de 16de-eeuwse plantkunde werden er ook specifieke soorten van andere geslachten mee aangeduid, zoals de fijne spar (Picea excelsa) en de zilverspar (Abies alba). In de algemene taal wordt het woord vanouds gebruikt als verzamelnaam voor inheemse kegeldragende naaldboomsoorten.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

den1* [boom] {dan(ne) ca. 1225, denne 1518} oudsaksisch dennia, middelnederduits danne, oudhoogduits tanna [den], naast middelnederlands dan [wouddal], middelnederduits dan, oudhoogduits tan(n) [bos]; buiten het germ. bretons tann [eik] (vgl. taan); de e van den is waarschijnlijk toe te schrijven aan invloed van het bn. dennen in dennenboom.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

den 1 znw. m. ‘boomnaam’, vgl. onfrank. os. dennia < germ. *danniō; daarnaast mnl. danne (zelden), mnd. danne, ond. tanna (nhd. tanne) < germ. *dannō > *danwō. Men verbindt verder oi. dhanvana ‘een soort vruchtboom’, dhanvan ‘boog’.

Opmerkelijk is het, dat de naam voor de ‘den’ alleen in het continentaal-germ. gebied voorkomt; de afleiding van het woord uit *dhanwō (waardoor het met de ind. woorden in verband gebracht kan worden) is dus twijfelachtig. Daar de boom in West-Europa inheems was, kan men eerder denken aan een voor-germaans woord. — De vorm den iplv. dan wil W. de Vries Ts. 34, 1915-6, 4 verklaren door invloed van het bnw. dennen, evenals in es en esp.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

den znw., mnl. danne v. (zeldzaam). Mnl. danne = ohd. tanna v. “den, run” (nhd. tanne), mnd. danne v. “den”, germ. *ðannô- uit idg. *dhanwâ- of *dhonwâ- “boom”; een germ. a-stam in mnd. dan m., mhd. tan (tann) m. o. “bosch”. Wsch. met oi. dhánvan- (naast dhanú-, dhánuṣ-) “boog” (oorspr. “voorwerp, boog van hout”) verwant. De ndl. vorm met e, die in den Teuth., overigens sedert Kil. voorkomt en in veel ndl. dialecten gebruikt wordt, is heel opvallend en kan niet voldoende verklaard worden door invloed van het bnw. dennen (*ðannîna-) aan te nemen. (NB. Teuth. danne znw., dannen bnw., hiernaast denne, dennenboom znww.). Ook laat zich deze e voor nn niet met die van es, esp vergelijken. Wellicht moet voor sommige diall. een bijvorm *ðanniô- aangenomen worden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

den. Adde: owvla. (herb.) dan ‘den’. Ohd. tanna = ‘den’, niet ‘eik’ (v.Wijk Aanv.). Voor de verklaring van de ndl. e uit het bnw. dennen pleit, dat in de volkstaal zeer gebruikelijk is de samenst. met -boom, waarin het eerste lid oorspr. wel het bnw. zal zijn geweest: W. de Vries Tschr. 34, 4. Zie ook over deze en soortgelijke samenstellingen v. Lessen Samengest. Naamw. 9 vlg. Intussen kan os. daenniun dat. sg. ‘abiete’ op een -jôn-stam wijzen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

den m., Mnl. denne, danne + Ohd. tanna (Mhd. en Nhd. tanne): niet verder op te sporen; wellicht = woudboom, en behoort dan tot Mnl. dan = wouddal + Ohd. en Mhd. tan = woud, Ags. denn (Eng. den) = hol (z. denne).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

dan denneboom (Twente). = mnl. danne ‘id.’, mndd. danne ‘id.’, hgd. tanne ‘id.’. De e in nl. den ‘id.’ (= os. en onfr. dennia) is ofwel het gevolg van een ander stamvormend suffix ofwel analogie naar het bnw. dennen, waar het achtervoegsel met oorspr. i umlaut veroorzaakte. Gezien de beperkte verbreiding mogelijk een substraatwoord.
Bezoen 44, NEW 111.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

dan(n)e-: reeds Mnl. wv. v. denne-, ’n vorm wat moeiliker te verkl. is as dan(n)e-, vgl. Hd. tanne, “den(neboom)”.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

den
Grove den | Pinus sylvestris L.

Het woord den is een oud woord, de boom heette in het Middelnederlands danne, waarvan de oorsprong verder onzeker is en het voorwerp van verschillende speculaties. Er zijn vele soorten naaldbomen van het geslacht Pinus en grove in de naam verwijst naar een grote, dikke, sterke, grof gebouwde boom.

Nog gebruikte namen voor de Grove den zijn Mast en Pijnboom; de laatste naam is afgeleid van de Latijnse naam Pinus. Soms gebruikt men ook eenvoudigweg de naam Gewone den of Dennenboom.

De in onze streken gebruikte kerstboom is heel uitzonderlijk een Den of Dennenboom, maar gewoonlijk een Fijnspar (Picea abies (L.) H. Karsten; Kerstspar), die in het Duits naast Fichte ook Tannenbaum heet. De Tannenbaum uit het Duitse liedje “O Tannenbaum” werd dus per vergissing in het Nederlands een Dennenboom.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

den ‘boomsoort (gebruikt als kerstboom)’ -> Menadonees dèn ‘boomsoort (gebruikt als kerstboom)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

den* boomsoort 1225 [Claes]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

dhanu- oder dhonu- ‘eine Baumbezeichnung’ (?)

Ai. dhánvan- n., dhánu- m., dhánuṣ- n. ‘Bogen’, dhanvana- m. ‘ein bestimmter Fruchtbaum’ : ahd. tanna ‘Tanne, Eiche’ (*danwō), mhd. tanne, and. dennia ‘Tanne’.

WP. I 825.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal