Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

despoot - (alleenheerser)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

despoot zn. ‘alleenheerser’
Nnl. despooten ‘dwingelanden’ [1804; WNT versterken], despoot ‘absoluut heerser, dwingeland’ [1805; Meijer].
Ontleend aan Frans despote ‘dwingeland, despoot’, zeldzaam tot 1773 (Rey), eerder al despot ‘heer, heerser (in Byzantium)’ [1305; Rey], ouder despos ‘(alleen)heerser’ [ca. 1275; Rey] < Latijn despotes ‘id.’. Het Latijnse woord is via vertalingen van Aristoteles overgenomen uit Grieks despótēs ‘meester, huisheer’, van *dems-pótēs. Het woord is gevormd uit een eerste lid dat met ablaut verwant is met Grieks dõma ‘huis’, zie → dom, en een tweede lid dat ‘heer’ betekent.
Grieks pótēs is verwant met Latijn hospes ‘gastvriend’ (zie → hospita), Oudkerkslavisch gospodĭ ‘huisheer’, met het tweede lid van Sanskrit dam-pati- ‘huisvader’, en (met klankverschuiving van p naar f) met het tweede lid van got. bruþfaþs ‘bruidegom’ < pie. *poti- ‘heer’; IEW 842).
De ongunstige betekenis die het woord in het Nederlands van meet af aan bezat, dateert van de Franse Revolutie.
despotie zn. ‘willekeur’. Nnl. despotie ‘id.’ [1872; Dale]. Pseudo-Frans afleiding. ♦ despotisme zn. ‘dwingelandij’. Nnl. despotisme ‘id.’ [1848; WNT Supp. anarchie]. Ontleend aan Frans despotisme ‘dwingelandij, willekeur’ [1678]. ♦ despotisch bn. ‘tiranniek’. Nnl. despotisch ‘als van een despoot’ [1799; WNT vertegenwoordiger]. Afleiding met → -isch of ontleend aan Frans despotique ‘tiranniek’ [1674; Rey], eerder al ‘als (van) een heerser’ [ca. 1370; Rey] < Grieks despotikós ‘id.’, een afleiding van despótēs.

EWN: despoot zn. 'alleenheerser' (1804)
ANTEDATERING: Vnnl. "Despoten" 'zekere heersers [1623; Van Wassenaer 1, 26]
Later: en rondsom haar regeerden despoten; dat is een Regeering, waar in de Vorst alleen Heer is en de onderdaanen slaaven [1738; Van Laar, 178] (EWN: 1804)
EWN: ♦ despotie zn. 'willekeur' (1872)
ANTEDATERING: loutere Despotie 'zuivere machtsmisbruik' [1702; Steengracht, 15]
EWN: ♦ despotisme zn. 'dwingelandij' (1848)
ANTEDATERING: eerst: soodanige schadelijcke Despotismus gantschelijck afgeschaft [1720; Oprechte Haerlemsche courant (KB) 2/5]
Later ook: met zoodanige despotisme 'met zo'n machtsmisbruik' [1776; Memorien, 45] (EWN: 1848)
EWN: ♦ despotisch bn. 'tiranniek' (1799)
ANTEDATERING: vnnl. de despotische overheersinge [1675; Machiavellus, A4v]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

despoot [alleenheerser] {1862} < frans despote [idem], via de lat. vertalingen van Aristoteles < grieks despotès [heer van het huis, heer en meester]; het eerste lid is verwant met domos [huis], het tweede met posis [heer, echtgenoot] (vgl. pasja, adhipati, kaboepaten, potent) → satraap.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

despoot znw. m. De ongunstige betekenis van het woord, die sedert de Franse Revolutie algemeen werd, stamt reeds uit de 15de eeuw, toen de vorsten van verschillende Balkanstaten deze naam droegen. Het is het gr. despótēs ‘huisheer’, ontstaan uit *dems-potes, waarvan het 1ste lid abl. staat naast gr. dõma, lat. domus en het 2de lid ook voorkomt in oi. dam-pati- ‘huisvader’, lat. hospes ‘gastvriend’, osl. gospodǐ ‘huisheer’, got. brūþfaþs ‘bruidegom’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

despoot s.nw.
1. Heerser met absolute mag. 2. Heerssugtige persoon.
Uit Ndl. despoot (1824 in bet. 1, 1909 in bet. 2).
Ndl. despoot uit Fr. despote, wat via die Latynse vertalings van Aristoteles kom uit Grieks despotés 'heer van die huis, heer en meester'.
D. Despot (15de eeu), Eng. despot (1611).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Despoot, van ’t Grieksche despotês, d.i. heer. Ten tijde van het Oostersch Romeinsch keizerrijk was het de titel, die aan de zoons, de broeders en de schoonzoons van den keizer toegekend werd. Sedert de 13e eeuw kwamen enkele deelen van het Rijk onder een afzonderlijk bestuurder, die eveneens despoot heette. Daar zij zich spoedig als onbeperkt heerscher deden kennen, kreeg het woord despoot weldra de beteekenis van eigendunkelijk gebieder, dwingeland.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

despoot ‘alleenheerser’ -> Indonesisch déspot ‘alleenheerser’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

despoot alleenheerser 1824 [Claes Tw. 12] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal