Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dresseren - (africhten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

dresseren ww. ‘africhten’
Vnnl. dresseren ‘opstellen (van een officieel document)’ [1476; Stall. III], dresseeren ‘instellen, in orde maken’ [1584; WNT revisie], dresseren ‘opstellen, opmaken (van een officieel stuk)’ [1588; WNT], getemt en wel gedresseert ‘getemd en goed afgericht (van paarden)’ [1594; WNT wreed], dresseeren ‘herstellen, in de juiste staat brengen’ [1600; WNT renouvelleeren], dresseren ‘opstellen, bijv. in slagorde’ [1601; WNT slagorde].
Ontleend aan Frans dresser ‘opmaken, opstellen’ (waarbij ook de afleiding → dressoir, en via het Engels → dressing), ouder drecier, drecer ‘klaarmaken, redigeren’ [ca. 1050; Rey] < vulgair Latijn d(i)rectiare, een afleiding van Latijn dīrectus, het verl.deelw. van dīrigere ‘richten, sturen’, zie → dirigeren. In het Vroegnieuwnederlands opnieuw ontleend aan Frans dresser ‘africhten’ [ca. 1550; Rey], in het bijzonder van honden voor de jacht, maar ook van andere dieren.
dressuur zn. ‘africhting’. Nnl. dressuur ‘africhting’ [1833; WNT veld I], ‘geestelijke dwang’ [1900; WNT aanpakken]. Ontleend aan Duits Dressur ‘africhting’ [18e eeuw; Pfeifer], afleiding van dressieren ‘africhten’ (< Frans dresser) met de latiniserende uitgang -ur. In het Frans is dressage ‘africhting’ [1791; Rey] het gebruikelijke woord.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dresseren [africhten] {1650} < frans dresser [rechtop zetten, gereedmaken, in orde brengen, africhten], teruggaand op laat-latijn directiare [(op)richten] < dirigere (verl. deelw. directum) [recht maken, regelen], van dis- [uiteen] + regere (in samenstellingen -rigere) [richten].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dresseren ww. < fra. dresser ‘africhten’, vgl. ofra. drecier < vulg. lat. *directiare afl. van directus, deelw. van dirigere ‘richten’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

dresseer ww.
Afrig (van diere).
Uit Ndl. dresseren (1594). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. dresseren uit Fr. dresser (16de eeu) 'regop sit, gereedmaak, in orde bring, afrig' uit Laat-Latyn directiare 'oprig' uit Latyn dirigere, directum 'regmaak, reël', 'n afleiding met dis- 'uiteen' van regere, rigere 'rig'.
D. dressieren (16de eeu), Eng. dress (ongeveer 1330).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dresseren (Frans dresser)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dresseren africhten 1650 [Claes] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal