Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

een - (1, onbepaald lidwoord)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

een telw. ‘1’, lw.
Onl. in ēn ‘bijeen’, eino ‘de ene’ [10e eeuw; W.Ps.], ein ‘een’, ook als onbepaald lidwoord [1100; Will.]; mnl. een als telwoord en als onbepaald lidwoord.
Os. ēn; ohd. ein (nhd. ein); ofri. ēn, ān (nfri. ien); oe. ān (ne. one); on. einn (nzw. en); got. ains; < pgm. *aina- ‘een, alleen’.
Verwant met Latijn ūnus (< Vroeglatijn oinos); Grieks oínē ‘één (op een dobbelsteen)’; Oudpruisisch ains, Litouws víenas, Lets viens; Oudiers oin; bij de wortel pie. *oi-nos ‘een’ (IEW 286).
In de meeste Germaanse talen is het woord een ook in gebruik gekomen als onbepaald lidwoord, net als in de Romaanse talen. In het Nederlands moet dat in de loop van de 11e eeuw zijn gebeurd.
Lit.: Alan S. C. Ross & J. Bern (1992) ‘Germanic’, in: Jadranka Gvozdanovic (ed.) Indo-European Numerals (Trends in Linguistics. Studies and Monographs 57), Berlin-New York 1992, 559-561

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

een* [telwoord, lidwoord] {oudnederlands ein 901-1000, middelnederlands een} oudhoogduits ein, oudsaksisch ēn, oudfries ān, ēn, oudengels ān, oudnoors einn, gotisch ains, latijn unus, grieks oinos [één op een dobbelsteen], oudiers óen, oudindisch ena [hij, deze], eka [één].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

een telw. mnl. een, onfrank. ein, os. ēn, ohd. ein, ofri. ān, ēn, oe. ān (ne. one en a, an), on. einn, got. ains; grondvorm *aina. — Idg. *oino vgl. lat. ūnus (< *oinos), gr. oinḗ ‘een op de dobbelsteen’, oi. ēna ‘hij’, osl. -ino (v. Wijk, IF 30, 1912, 382), opr. ains, lit. víenas, lett. viēns, oiers ōin. — Men kan het woord beschouwen als een afl. van de idg. pronominaal-stam *e: *i vgl. os. es, is, ohd. ir, er, iz, ez, ofri. er, got. is ‘hij’, on. es betr. vnw. en verder lat. is ‘deze’, gr. hom. ie͂s. ie͂i, iō̃i, oi. ayam, idam, lit. jìs ‘hij’, oiers ē ‘hij’, ed ‘het’ (IEW 281-6).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

een lidw. en bijv., Mnl. id., Onfra. ein, Os. ên + Ohd. ein (Mhd. en Nhd. id.), Ags. án (Eng. telw. one, lidw. an, vóór medekl. a), Ofri. én, On. einn (Zw. en De. en), Go. ains + Skr. ena- (hij), Arm. ain (= die ginds), Gr. dial. oinós, Lat. unus, Ier. óen, Osl. inu, Lit. vënas.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

ein (telw.) een; Aajdnederlands eino <901-1000>.

eine, ein, ei (onbep. lidw.) een; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) eijne, Aajdnederlands ein <1100>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

een vnw. Ook ene.
'n Sekere persoon of ding, ter vervanging in Afr. van 'n s.nw. ná 'n b.nw. gebruik.
Volgens Changuion (1844) wsk. in navolging van die Friese konstruksie, bv. dat is een mooije een, i.p.v. dat is er een mooije. Volgens Pannevis (1880) uit Eng. that one, the other one 'daardie een/ene', 'die ander een' in Afr. Eerste optekening in vroeë Afr. in 1793 in die frase 'die ander een is nog weg' (Scholtz 1972).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

een (vòòr naam van een weekdag, bv: een zondag) verleden en aanstaande (verschillende dialecten). = mnl. vz. in.
HCTD XX 87-98, Wortes Anst 1986, 499, Mnl Wb III 818-819, Joos 207.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

één, één en al (o.i.d.). Ze blokken* je, één disko* (Cairo 1979b: 58) = Ze houden je op een afstand, één en al discriminatie. Ook bijv.: één knal van jewelste (mond.) = een oorverdovende knal; het was één drukte (mond.) = het was een enorme drukte.
— : één voor de laatste, de op één na laatste. Hij hoorde bij die gelegenheid dat een voor de laatste W.C. door hem [huurder op een erf*] werd gedeeld met twee huizen, liever gezegd woningen*, voor de zijne (Dobru 1968b: 8). - Zie ook: derde*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

’n I: ass. of nasg. in uitspr. na gelang v. frasering en aard v. d. volgende klank (lRo-Pien USW gee 7 gevalle), onbep. lw.; uit Ndl./Afr. een (wat in Afr. s.nw. of telw. kan wees en derhalwe geen klemteken(s) soos in Ndl. ter ondersk. v. lw. vereis nie); vgl. Gron. n (Mole 275).

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

eentje ‘Doe mij er maar eentje.’ ‘En nog maar eentje.’ Deze bestelling moet talloze malen in de kroeg hebben geklonken. In theorie kan er alles mee worden bedoeld, maar in de praktijk wordt eentje vooral gebruikt voor een glaasje jenever. Daarmee behoort het tot de meest gebruikte borrelnamen aller tijden. En tot de saaiste. Om dat laatste te ondervangen zijn er in de loop der tijd allerlei woorden aan eentje toegevoegd om het op te leuken, uit te breiden of te verduidelijken. Alleen al in het oostelijke gedeelte van Noord-Brabant zijn negentien verschillende combinaties aangetroffen. Maar ook elders in Nederland en in Vlaanderen zijn er vele gehoord. Daarbij zijn de volgende vormen te onderscheiden: 1. eentje die in het glas blijft hangen; 2. eentje met een kop erop (een hele volle, soms ook verkort tot kop erop); 3. eentje om de wervelkolom te smeren, — het af te leren; 4. eentje op de goede afloop, — de loopplank (dit is ‘ter afscheid’, zie ook bij glaasje); 5. eentje tegen de dorst, — de koppijn, de kou, de kopzorgen, de loodvergiftiging, de sproeten, de stinkende adem, de stuipen, de tandpijn, de verkoudheid, de wormen, het uitdrogen, zere tanden; 6. eentje uit de stenen fles of kruik; 7. eentje van de brandweer, — de gistfabriek, de stokerij, de weduwe, van onder de tafel (zonder twijfel clandestien gestookte jenever), van vijf [cent], van zes [cent] enzovoort; 8. eentje voor drie centjes, — de koude voeten, onderweg, de slaapluizen; 9. eentje uit de kelderkast.
De lijst is naar believen uit te breiden. De oudste voorbeelden zijn gevonden in het midden van de 19de eeuw. Een spreekwoordenboek uit 1856 vermeldt de uitdrukkingen hij heeft een kinderachtigen smaak in den mond, en neemt er eentje om dien te verdrijven voor ‘hij pakt eene fikschen borrel’, en: hij neemt er één, dun gesneden. De toelichting bij deze laatste uitdrukking luidt: ‘Zoo spreekt de soldaat van een glaasje ligt [licht] bitter.’ Ook erg geliefd in de 19de eeuw was eentje tegen de koude voeten. Deze is in de literatuur vele malen aangetroffen. In het Engels spreekt men wel van one. In het Frans kan met un of une respectievelijk een liter of een fles wijn worden aangeduid.
Vergelijk iets.

[Harrebomée 1:171; Herroem 2, 38, 131; Ter Laan 1952:33-34; Mullebrouck 335; Ritter 71; Stoett 1:273; WNT III2 3861, & XVIII 930]

Ch.F. Haje (1932), Taalschut, schrijf weer Nederlandsch, Leiden

een onmogelijke (zijn taak is)
Zijn taak is een onmogelijke. Zijn houding was een lijdzame. Die kwestie is een tere. De voorstelling was een schitterende (een schitterend geslaagde). Zoo was Beyerinck de eerste privaat-docent der Polytechnische school, als was die benaming aan die inrichting een onbekende. En toch meenen wij, dat de keuze van Jhr. Mr. Ruys de Beerenbrouck en zijn aanvaarding van het eere-voorzitterschap een buitengewoon gelukkige is geweest. - Doorenbos’ invloed is stellig een dankbaar te erkennene geweest (Kloos).
Dit alles, met tientallen dagelijks voorkomende soortgelijke te vermeerderen, is Eng.-Duitsche manier. Het is een vermorreling van de structuur onzer taal, die hier staat op den regel: Het adjectief als deel van het gezegde, predicatief, blijft onverbogen (1): de man is dood, de kinderen zijn vroolijk, de bedelaars waren blind . Hieruit volgt, dat wanneer het adjectief in het gezegde toch in den verbogen vorm met een (in het meervoud dan natuurlijk alleen) optreedt, het niet meer bijvoegelijk, doch zelfstandig is: je bent een mooie, een beste; daar ging een hooge met een gouden kraag; die grijsaard is een wijze; die stakkers zijn blinden van het gesticht; de Europeanen zijn blanken.
Zij de schrijven, kunnen tegenwoordig niet meer zien, of ze met een bijvoegelijk dan wel met een zelfstandig gebruikt adjectief te doen hebben en zouden dus over één kam scheren: Wie lang aanhoudt, is een taaie - dat konijn is een taai. Die mop is een goeie - die vrouw is een goede. Het zijn vrienden en bekenden - de daders zijn bekende. Die tapper is een gare - die spijs was een gare.
Het bijvoegelijke woord noemt een toevallige eigenschap; het zelfstandige een blijvende. Of: het bijvoegelijke volstaat met aan te wijzen, het zelfstandige rangschikt en deelt in: de Zoeloes zijn zwarten (van het zwarte ras), die appel is een zure, een zoete . Die buffels zijn wilde (tamme buffels worden soms wild). Die pruim is een blauwe, een gele . Dat bataljon is een Madoereesch. Dat toneelstuk is een klassiek, dat gedicht een lyrisch (2).
Zoo deelt de taal ook in bij vóórzetting van het bepalende lidwoord: Zijn methode is de klassieke . De rechte weg is de beste. Ook met het bezittelijke vnw.: Die hoed is mijn nieuwste; dat bittertje was zijn laatste. Evenzoo bij het aanwijzende met sterken nadruk: Die sprong, kijk eens aan, die was een hooge. Die wijn is waarlijk een uitstekende. Voorts bij ontkenning met nadruk door middel van geen: Zijn fiets is geen ijzersterke. Zijn keus was geen gelukkige.

(1) Uitgezonderd bij veel en weinig, die trouwens telwoorden zijn: ’s Mans tekortkomingen zijn vele. De arbeiders in den wijngaard waren weinige.

(2) De meeste van zulke constructies, hoezeer ten volle geoorloofd, worden om haar veronderstelde stijfheid liefst vermeden òf door omzetting: dat is een blauwe pruim, dat is een klassiek tooneelspel; òf door herhaling: die wijn is roode wijn, dat gedicht is een lyrisch gedicht.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

Verkeerd gebruik van het lidwoord van bepaaldheid, in plaats van het lidwoord van onbepaaldheid. – In sommige Fransche uitdrukkingen staat het lidwoord van bepaaldheid, terwijl in de Nederlandsche aequivalenten het lidwoord van onbepaaldheid gebruikt wordt, b.v. bâtir sur le sable, op een zandgrond bouwen; se casser le bras, la jambe enz., een arm, een been breken; donner le bras à quelqu’un, iemand een arm geven; donner le change, op een dwaalspoor brengen; prendre le change, zich op een dwaalspoor laten brengen; prendre l’air, een luchtje scheppen; dépasser quelqu’un de la tête, een hoofd uitsteken boven iemand; il est plus grand que moi de la tête, hij is een hoofd grooter dan ik; faire la grimace, een leelijk gezicht trekken; faire la haie, in een lange rij langs den weg geschaard staan; faire la chaîne, in een rij hand aan hand staan, bij een brand elkaar de emmers water aanreiken; faire l’aumône, een aalmoes geven; demander l’aumône, om een aalmoes vragen; jeter la pierre à quelqu’un, een ongunstig oordeel vellen over iemand; être, devenir la proie de -, een prooi worden van -; verder in uitroepen als la belle demande! een mooie vraag! - le beau mérite! een mooie verdienste! - le bel avantage, ma foi! - Een mooi voordeel, waarlijk! - Oh, la belle villa! O, wat een mooie villa! Ook hier geeft het Fransche taalgebruik aanleiding tot fouten: uitdrukkingen als zich den arm breken, iemand den arm geven leest men dagelijks in de nieuwsbladen; faire la haie wordt letterlijk vertaald met: den haag vormen (verg. boven in de eerste afdeeling, II, het art. Haag); vooral leest men veel de prooi worden. || In die benarde tijden werd het land de prooi van een onnoemlijk getal vreemde ambtenaars, MATHOT, Troebele Tijd 11. De regeering werd nu de prooi van juristen en politiekers, 27.

Verkeerde weglating van het lidwoord van onbepaaldheid. – Zijn er Fransche uitdrukkingen ingeleid door en, waarvan het Nederlandsch aequivalent het lidwoord van bepaaldheid vereischt, er zijn er ook, waarvan dit aequivalent het lidwoord van onbepaaldheid vereischt, b.v. vivre en honnête homme, als een fatsoenlijk man leven; parler en homme raisonnable, als een verstandig man spreken; se battre en désespéré, als een wanhopige vechten; porter le bras en écharpe, den arm in een band dragen; ranger en cercle, in een kring zetten. Naar het voorbeeld van het Fransch gebruik, bezigen Zuidnederlandsche schrijvers die uitdrukkingen soms zonder lidwoord. || Hij (herhaalde) die woorden ... in eenen groep van tien personen ..., die omtrent hem in ring stonden, DE PAUW, Besouch XII (de schrijver heeft blijkbaar aan fr. en cercle gedacht; er wordt in elk geval vereischt in een kring).
– Andere uitdrukkingen, die in het Fransch geen lidwoord, maar in onze taal dat van onbepaaldheid hebben, zijn: mettre fin à quelque chose, een eind aan iets maken; faire angle avec quelque chose, een hoek maken met iets; prendre exemple sur quelquʼun, een voorbeeld aan iemand nemen; rendre, faire visite, een bezoek afleggen; rendre service; een dienst bewijzen; il y a moyen, er is een middel; trouver moyen, een middel vinden; faire signe, een teeken geven; tenir boutique, een winkel houden; imputer à faute, à crime, als een fout, een misdaad aanrekenen; lier conversation, een gesprek aanknoopen; porter plainte, een klacht indienen; prendre jour, een dag afspreken; se faire scrupule de quelque chose, van iets een gewetenszaak maken; sans dire mot, sans mot dire, zonder een woord te zeggen. Sommige dezer uitdrukkingen vindt men bij onze schrijvers, naar het voorbeeld van het Fransche spraakgebruik, zonder lidwoord; in de spreektaal is winkel houden in Vlaanderen algemeen; faire signe wordt vaak vertaald met teeken doen. || Wellicht zou alles niet van degelijken aard genoeg zijn om in het tijdschrift te kunnen opgenomen worden, doch, er zou ten minste middel zijn, ... een goede keus te maken, BUYSSE in De Gids 1894, III, 47 (beter dan er zou ten minste een middel zijn zou luiden: er zou wel een middel zijn, het zou wel mogelijk zijn, er zou wel kans zijn).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

een ‘telwoord’ -> Negerhollands een, en ‘telwoord’; Berbice-Nederlands en ‘telwoord’; Skepi-Nederlands en ‘telwoord’; Sranantongo ein ‘telwoord’; Tiriyó ein_me ‘telwoord’.

een ‘lidwoord’ -> Negerhollands een, ēn ‘lidwoord’; Berbice-Nederlands en ‘lidwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

een* telwoord 0901-1000 [WPs]

een* lidwoord 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

175. Op één been kan men niet loopen (of staan).

Deze zegswijze wordt gebezigd om iemand aan te moedigen na een glaasje nog een tweede te gebruiken; ook wel in andere soortgelijke gevallen. Vgl. Slop, 206: Oppassen, je verstand er bij gebruiken, scherpte hij zich zelf in. Toch.... op een been kan-je niet staan.... eentje nog? A. Jodenh. III, 14: Bet neemt het zakje balletjes dat zij bij Brijnie gekocht heeft, en geeft hem een. ‘Is dat alles?’ zegt Sam, aane begabbel, op één been kan 'k nie loope; H.v.Z., 600: Hier, op één been kan je niet staan. Synonieme uitdr. waren hiervoor: Ten gaet geen monic alleen; daer gaet noyt goed Monnick alleen; een goed Monik gaat niet alleen: dit gebruikt men als een beweegreden, wanneer ymand verzoekt om het by een niet te laten blyven, b.v. een glas wyn te drinken, een pyp tabak te rooken, enz. (Tuinman I, 28); de minrebroeders gaen alleen niet; de kapuciens gaan altijd getweeën. Thans nog dial. één soldaat en vecht niet; ze moeten gematen zijn. Zie De Cock1, 283; Antw. Idiot. 192; Harreb. I, 40; II, 88; III, 296-297; Taalgids V, 163; oostfri. up ên bên kan men nêt lopen; fri. op ien foet net gean kinne; fr. vous ne pouvez vous en aller aver (ou sur) une seule jambe; hd. auf einem Beine kann man doch nicht stehen! In het eng. zegt men: wet the other eye!

454. De een zijn dood is de ander zijn brood,

de dood van den een bezorgt een ander een middel van bestaan, doordat hij in diens plaats komt; ook wel in algemeener zin, dat men dikwijls voordeel trekt uit het nadeel van een ander; vgl. lat. lucrum sine alterius damno fieri non potest.; De Brune, 379: 't Verderf van d'een, als nu en dan, ist rijzen van een ander man De zegswijze dateert uit de 16de eeuw; vgl. Trou m. Blycken, bl. 9: Des eens doot is dikwils des anders vrame (voordeel); Tuinman I, 114: Des eenen dood, is des anderen brood, door 't afsterven van den eenen, verkrygt de andere levensmiddelen, door erfenis, door amptvolging, enz.; II, 150; Sewel, 181: De een zyn dood is de ander zyn brood, one's death is another's bread; Ndl. Wdb. III, 2833; Arbeid, 24 Sept. 1913, p. 2 k. 1; Schuermans, 81 b; Waasch Idiot. 182 b; De Bo, 190 b; Antw. Idiot. 304; 1654; Rutten, 41 b; Teirl. 340: iemands dood es iemands brood; fri.: de iene syn skea (schade) is d'oare syn brea. Ook in het hd. de. zwe. en eng. komt de zegswijze voor. Zie Wander IV, 1235: de ên sîn Dôd is de anner sîn Brot (Eckart, 525; Dirksen II, 20); des einen Tod des andern Brot; eng. what is one man's meat, is another man's poison (niet alles is voor allen hetzelfde) naast one man's breath is another man's death.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

e-3, ei-, i-, fem. ī- paradigmatisch verbundene Pronominalstamme ‘der, er’, (e, i wohl ursprünglich Demonstrativpartikel). Zu i- gesellt sich der Relativstamm i̯o-. Zusammenfassende Darstellungen bieten bes. Brugmann Dem. 32 ff., BSGW. 60, 41 ff., Grundr. II2 2, 324 ff., Pedersen Pron. dém. 311 ff.

A. Kasuell verwendete Formen:
ai. ayám ‘er’ = gthav. ауǝ̄m, jav. aēm (nach ahám ‘ich’ erweitertes ar. *ai = idg. *ei; idg. *ei vom St. e-, wie *qo-i vom St. ko-, nicht Hochstufe zu i-); ai. idám ‘id’ (ohne die sekundäre -am-Erweiterung ai. ít, av. it̰ als hervorhebende Partikel), ai. iyám (erweitert aus *ī-) = av. īm (d. i. iyǝm), apers. iyam ‘sie, ea’, Akk. Sg. m. ai. imám (erweitert aus *im) = apers. imam (darnach f. imām usw.), Gen. m. n. asyá, ásya = av. ahe, fem. ai. asyā́ḥ = av. aiŋ́hā̊, Dat. m. n. asmāí, ásmāi = av. ahmāi, Gen. Pl. m. n. ēšā́m = av. aēšąm, Dat. Abl. Pl. m. ai. ēbhyáḥ = av. aēibyō usw.; gthav. as[-čit̰], ǝ̄ je einmal n. Sg. m.; vom St. ā- Pl. fem. Gen. ai. āsā́m = av. ā́ŋhąm, Dat. Abl. ābhyáḥ = av. ābyō usw.
Kуpr. ἴν ‘eum, eam’ (scheint auch in μίν, νίν verbaut, s. Schwyzer Gr. Gr. I 6081); hierher lesb. thess. hom. ἴα (*ii̯ǝ) ‘una’ (ursprünglich ‘gerade die, nur die’), hom. ἰῆς, ἰῇ, danach auch n. hom. ἰῷ?; anders Schwyzer Gr. Gr. I 588 (*s[m]i̯ās).
lat. is, id Nom. Sg. m. (alt auch īs, inschr. eis, eis-dem, entweder mit -s ausgestattetes idg. *ei = ai. ay-ám, wie man auch für umbr. er-e und bestimmter für ir. (h)ē ‘er’ eine solche Grundf. *ei-s erwägt, oder Umbildung von is nach eiius, e(i)ī); Akk. altlat. im (= gr. ἴν) und em, gedoppelt emem ‘eundem’ (vom Parallelst. e-?) = Adv. em ‘tum’ und *im in inter-im ‘unterdessen’, in-de ‘von da’, Dat. Abl. Pl. ībus (: ai. ēbhyáḥ); osk. iz-io ‘is’, idic, ídík ‘id’ (das Anhängsel -ík, -ic ist selber das adverbiell erstarrte n. *id + *ke), osk. ís-íd-um ‘idem’ und esídum ds., umbr. er-e ‘is’ ers-e er̆-e ‘id’, umbr. Dat. Sg. esmei, esmik, Gen. Pl. osk. eisun-k, umbr. esom (= ai. ēṣ̌ā́m); daraus wurde ein St. *eiso- außer in Nom.-Akk.-Formen gefolgert, z. B. osk. eizois ‘iis’, umbr. eru-ku ‘cum eo’, doch ist immerhin mit einem alten n. *ed zu rechnen, vgl. lat. ecce ‘da! sieh da!’ (wohl aus *ed-ke) = osk. ekk-um (*ed-ke-um) ‘item’, und vielleicht Akk. mēd, tēd, sēd, wenn aus *, *, * + ed, wenngleich dies nur mehr adverbiell erstarrtes *ed voraussetzt;
ital. eo-, , im Osk.-Umbr. nur in den Nom. (außer Sg. m. n.) und Akk., im Lat. auf fast alle Casus obliqui ausgedehnt (nur eius aus *esi̯o-s, danach Dat. ei steht abseits), z. B. lat. ea, eam, osk. iúk, ioc ‘еа’, ionc ‘eum’, u. eam ‘eam’, sind von der dem ai. Nom. ay-ám entsprechenden Form *e(i̯)om ausgegangen, die wegen ihres Ausganges -om als Akk. empfunden wurde und eam usw. nach sich zog; iam bei Varro 1.1. 5, 166 und 8, 44 wohl Schreibfehler für eam. - Aus dem Lat. hierher ipse aus *-is-pse (wegen alat. fem. eapse), is-te (aber ille erst danach umgebildetes ollus), vgl. umbr. estuistum, ista’;
air. ē () ‘еr’ (wohl *ei-s), s. oben; ed (hed) ‘es’ (aus *id-ā = got. ita, womit formell identisch ai. idā ‘jetzt’; aber lit. tadà ‘dann’ erfordert wegen ostlit. tadù einen Auslaut auf Nasal); Nom. Pl. ē () m. f. n. = mkymr. wy (hwynt-wy) wohl wenigstens zum Teil aus idg. *ei (Näheres bei Thurneysen Gr. 283), Akk. Sg. bret. en ‘ihn, es’ (infigiert), cymr. e (ebenso), ir. -a n- (ebenso), -i (suffigiert hinter Verben; hinter Präp. teils ebenso, z. B. airi aus *ari-en ‘auf ihn’, teils nur mehr als Mouillierung nachwirkend, z. B. foir aus *u̯or-en), Gen. Sg. *esi̯o, f. *esi̯ās ‘eius’, proklit. a, älter z. T. noch e, æ; cymr. *eið- nach dem Vorbild der konjugierten Präpositionen zu mcymr. eidaw, f. eidi differenziert, womit identisch air. a ‘sein’ (len.) und ‘ihr’ (geminierend), cymr. corn. y, bret. e, usw.; über air. betontes āi, āe ‘eius’ und Dat. Pl. -ib s. Thurneysen Gr. 285;
got. is ‘er’, Akk. in-a, neutr. it-a (s. o.) ‘es’ (dazu neugebildete Pluralformen: got. eis aus *ei̯-es, Akk. ins, Dat. im, ahd. as. im) ahd. er, ir, Akk. in-an, in; n. iz; as. in-a, n. it; anord. Relativpartikel es, er, run. eR; vom St. e-: Gen. Sg. got. m. is, f. izos, ahd. m. n.es(is), f. ira(iru), as. es(is), era(ira); Gen. Pl. got. ize, izo, as. ahd. iro; Dat. Sg. f. got. izai, ahd. (mit anderer Endung) iru; m. n. got. imma, ahd. imu, imo, as. imu; vom St. ī- got. Akk. ija (ahd. sia usw. mit s-Vorschlag nach dem Nom. sī̆), wonach neugebildete Pluralformen, got. Nom. Akk. ijōs (ahd. sio);
lit. jìs ‘er’, Akk. jį̃ (zum anl. j- s. Brugmann Grundr. II2 2, 331), fem. jì, Akk. ją̃ (jõs, jaĩ usw.);
aber aksl. Akk. Sg. f. jǫ, Nom. Akk. Pl. f. ję (über die weiteren Kasus s. Brugmann aaO.), Akk. Sg. m. -(j)ь in vidity-jь ‘videt eum’, vъń-ь ‘in eum’ usw. (über weiteres slav. Zubehör, z. B. jakъ ‘qualis’, jelikъ ‘quantus’, s. Berneker 416 f.) eher aus idg. i̯o-;
nach Pedersen Hitt. 58 f. soll das Pron. -aš ‘er’ usw. ein o im Ablaut zu idg. *esi̯o usw. enthalten (?); vom Stamm i- hat sich vielleicht das n. it ‘es’ in der Verbindung netta ‘und es dir’ (*nu-it-ta) erhalten (Friedrich Heth. Elem. I 27); vgl. hierogl. hitt. is ‘dieser’, Akk. jan.
B. Relativstamm i̯o-:
ai. yás, yā́, yád, av. , gr. ὅς, ἥ, ὅ ‘welcher’, phryg. ιος (νι) ‘wer immer’, slav. *i̯a- in i-že, f. ja-že usw., balt. u. slav. in der Bestimmtheitsform des Adjektivs, z. B. lit. geràs-is, apr. pirmann-ien, -in, aksl. dobry-jь (s. Berneker 416 f., Trautmann 105 f.). Zweifelhaftes (lit. jeĩ ‘wenn’, got. jabai ‘wenn’) s. bei Brugmann II2 2, 347 f. (Lit.); Keltisches bei Pedersen KG. II 235, Thurneysen Gr. 323, doch kann cymr. a nicht dazu gehören.
Komparativ ai. yatará-, av. yatāra-, gr. (kret. gort.) ὅτερος ‘welcher von beiden’; vgl. ai. yāvat, gr. ἕως, dor. ἇς (*ἁ̄ϝος) ‘solange als’, ai. yād ‘insofern, wie’ = gr. ὡς ‘wie’; s. Schwyzer Gr. Gr. I 528, 614 f.
C. Partikeln und Adverbia:
Über die adnominale und adverbale Partikel ē̆, ō̆ s. oben S. 280 f.
e-, ē- Augment (‘*dann, damals’) ai. a- (auch ā-, z. B. ā-vr̥ṇak), av. a-, arm. e- (z. B. e-lik’ = ἔ-λιπε), gr. ἐ- (auch ἠ-, z. B. hom. ἤείδη).
e- in ai. a-sā́u ‘jener’ (neben av. hāu), a-dáḥ ‘jenes; dort’, a-dyā́, a-dyá ‘heute’ (Stammkompositum?), á-ha ‘sicher, ja’;
arm. e-te (neben te) ‘daß, wenn’;
gr. ἐ-χθές, ἐ-κεῖ, ἐ-κεῖνος (neben κεῖνος);
osk. e-tanto, umbr. e-tantu ‘tanta’, osk. päl. e-co ‘hic’, osk. exo- (*e-ke-so) ‘hic’;
aksl. (j)e-se ‘еccе’ (neben se ds), aruss. ose, russ. é-to ‘da, dahier’, é-tot ‘der hier, dieser’ (neben tot ‘jener’); serb. bulg. e-to ‘da’ (usw., s. Berneker 259 f);
unsicherer got. i-bai, i-ba Fragepartikel, ahd. ibu, oba, as. anord. ef ‘ob’ und ‘wenn’, ags. gif, engl. if ds.;
über *eno- in gr. ἔνη usw. siehe besonderes Stichwort.
Zu e- auch die Komparativbildung av. atāra- ‘dieser, der von beiden’, ds., alb. ját()rë ‘anderer’, umbr. etro- ‘anderer’, lat. in cēterus ‘der andere oder übrige’, aksl. eterъ, jeterъ ‘irgendwer’, Pl. jeteri(ji) ‘einige’, nsorb. wótery.
ed (Nom. Akk. Sg. n.): über lat. ecce, mēd s. oben; av. at̰ zur Hervorhebung des vorhergehenden Wortes (wie it̰, s. unten; Bartholomae Altiran. Wb. 67); wohl auch in aksl. jed-inъ, -ьnъ ‘einer’ als ‘*gerade, nur einer’; ob auch ksl. jede, kyjь ‘quidam’ aus gedoppeltem *ed-ed oder nach ide im Ausgang gerichtetem *ed? (Berneker 261, bestritten von Brückner KZ. 45, 302, vgl. MeilletSlave comm.2 444.)
ēd und ōd (Abl.): ai. āt ‘darauf; und; (im Nachsatz) so’, av. āat̰ ‘darauf, dann; und; aber; denn’, ostlit. ė̃ ‘und aber’ (aksl. i ‘und’ ist eher *ei), lit. ‘und, aber’ = aksl. a ‘aber’.
ei (Lok.): gr. εἰ ‘*so, wenn’ (εἶ-τα ‘dann’, εἴ-θε ‘möchte doch!’, ἐπ-εί (vgl. el. ἐπ-ή) ‘da’, ἔπ-ειτα; daneben dial. αἰ, Lok. des f. St. ᾱ, und ἠ Instr. ‘wenn’; aksl. i ‘und, auch’ (vgl. ti ‘und’ vom St. *to-; von Brückner KZ. 46, 203 dagegen = lit. teĩ gesetzt), got. -ei Relativpartikel (vgl. þei vom St. *to- in gleicher Geltung), z. B. sa-ei ‘welcher’, nach Junker KZ. 43, 348 auch die arm. Abl.-Endung -ē. Siehe auch unten ī-.
em (alat. em, s. oben S. 282) liegt vor in gr. ἔνθα ‘da, dahin, damals’, rel. ‘wo, wohin, woher’, ἔνθεν ‘von da, von wo’ usw. (Schwyzer Gr. Gr. I 628); über air. and s. oben S. 37 und vgl. kypr. ἄνδα αὕτη.
e-tos: ai. á-taḥ ‘von hier’ (s. unter eti).
i: wahrscheinlich im Lok. auf idg. -i; ferner die Grundlage der Komparativbildung *i-tero-: ai. i-tara- ‘der andere’ (neuiran. Entsprechungen bei Bartholomae IF. 38, 26 f.);
lat. íterum ‘zum andern, zum zweiten Male’; ferner in ai. i-va ‘wie’ (vgl. oben ἠ-ϝὲ ‘wie’); in gr. ἰ-δέ ‘und’ (vgl. ἠ-δέ).
i-dha und i-dhe:
ai. i-há, prākr. idha, av. iδa ‘hier’;
gr. ἰθαγενής ‘(*hier geboren’, daher:) eingeboren, rechtmäßig geboren’ (über ἰθαιγενής s. Schwyzer Gr. Gr. I 448);
lat. ibī ‘da, dort’ (die Lautentwicklung dh zu f, b nach ubī; im Auslaut nach den Lokativen der o-St. gerichtet), umbr. ife ‘ibī, еō’, ifont ‘ibīdem’ (die ar. und ital. Formen könnten an sich auch -dhe enthalten, vgl. ai. ku-ha = aksl. kъ-de ‘wo’, sь-de ‘hier’ und Schwyzer Gr. Gr. I 6274);
mcymr. yd, у ncymr. ydd Verbalpartikel, corn. yz, yth-, bret. ez-? (s. Pedersen KG. II 234, Lewis-Pedersen 243, Thurneysen Gr. 324 f.); dazu auch air. infigiertes -id- aus *id(h)e oder*id(h)i.
i-t(h)-: ai. itthā́, itthā́d ‘hier, dort’, av. iþā̆ ‘so’, ai. itthám ‘so’ und mit -t- (-tǝ oder-ti?) ai. íti ‘so’; lat. ita ‘so’, item ‘ebenso, ebenfalls’, umbr. itek ‘ita’, mcymr. Präverb yt-, ncymr. yd-, z. B. in yr yd-wyf ‘ich bin’; lit. dial. it ‘durchaus; wie’, ìt, ỹt ‘ganz, sehr’, lett. it, itin ‘recht, eben’.
ī́ (betont zur Verstärkung eines deiktischen Wortes, unbetont hinter einem relativ gebrauchten Wort):
ai. ī́ (auch ī́m), av. ī́ hervorhebend nachgestellt, nach Relativ in ved. yad-ī;
gr. οὑτοσ-ί̄, -ί̄ν (= ai. īm? oder erst jüngere Erw. von -ī́ ?), ἐκεινοσ-ί:, el. το-ΐ;
umbr. wohl in po-ei ‘qui’ (usw), lat. in utī (aus *uta-ī);
air. (h)ī deiktische Partikel und Stützpartikel vor Relativsätzen;
got. -ei Relativpartikel in sa-ei, iz-ei, ik-ei hingegen wohl idg. *ei, s. oben;
aksl. verstärkend in to-i (s. Berneker 416), aksl. e-i ‘ja, wahrlich’ (? Berneker 296).
Auch im 1. Gliede von ai. ī-dr̥ç- ‘so aussehend, so geartet’, lit. ý-pačiai ‘besonders’, y-patùs ‘einsam, allein, abgesondert, eigentümlich’.
Zweifelhaft, ob aus idg. *ei oder ī: ags. ī́dæges ‘desselben Tages’, īsiðes ‘zu gleicher Zeit’, īlca (*ī-līca) ‘derselbe’, womit vielleicht anord. ī dag ‘heute’ (obwohl als Präp. ī gefühlt) und die darnach gebildeten ī gǣr ‘gestern’, ī fjǫrð ‘πέρυσι’ zusammenhängen;
unklar ist āi (Lok. fem. in adverbieller Erstarrung) in ai. āi-šámaḥ adv. ‘heuer’, Bed. ‘gerade an dém - demselben’ wie gr. ἰῳ̃ ἤματι, s. Schulze KZ. 42, 96 = Kl. Schr. 5396, Holthausen KZ. 47, 310, Junker KZ. 43, 438 f., der mit dem ai. Worte auch arm. aižm aus *ai žam vereinigt. Dasselbe *āi in Verbindung mit den Pron.-St. *k̑o-, *to-, *no- enthalten die arm. Demonstrativa ai-s, ai-d, ai-n (Junker ааО.); vgl. Benveniste Origines 129 ff., Schwyzer Gr. Gr. I 548 f.
i̯ām (= Akk. Sg. f.): lat. iam ‘jetzt, bereits, schon’, got. ja, ahd. jā̆ ‘ja’; mit der Endung des Lok. Sg. auf *-ou- der u-Stämme: *i̯ou, *i̯u ‘schon’ (von Kretschmer KZ. 31, 466 dagegen zu *i̯eu- ‘jung’ gestellt) : lit. jaũ ‘schon’, lett. jàu, aksl. ju ‘schon’, schwundstufig got. ahd. as. ags. ju ‘schon’ (die Bildung hätte Vergleichbares an got. þau, þau-h, ags. þea-h, ai. tú ‘aber’ zum St. *to-).
i̯āi (= Lok. Sg. f.): got. jai ‘fürwahr’, nhd. (jeh), umbr. ie etwa ‘iam’ in ie-pru, ie-pi; aber cymr. ie (zweisilbig) ‘ja’ aus mcymr. ī-ef ‘dies (ist) es’.
D. Zusammensetzungen und Ableitungen (soweit nicht oben eingereiht):
ai. ē-šá, ē-šā́, ē-tát, av. аēšа-, aēta- ‘der da’ (*ei-so, -to-, während arm. aid aus *āi-to-, s. oben; osk. umbr. eiso-, ero- dagegen aus dem Gen. Pl. *eisōm);
(m)arm. i-sa, i-ta, i-na Demin. aus *ei-k̑o-, -to-, -no- (Junker KZ. 43, 346 f.);
ai. ē-vá, ē-vá-m ‘so’, wozu mit der Bedeutungs-Entw. ‘gerade só, gerade dér - nur dér - der allein, der eine’;
av. aēva-, apers. aiva- ‘ein, einzig, allein’, gr. οἶος, kypr. οἶος ‘allein’ (idg. *oiu̯e, *oiu̯os); s. auch oben S. 75.
oi-nos: ai. ē-na- ‘er’ (kann auch *ei-no- sein);
arm. -in der Identitätsadverbia andrēn ‘ebendort’, astēn ‘ebenhier’, vielleicht auch der Identitätspronomina so-in ‘derselbe hier’, do-in ‘derselbe da’, no-in ‘derselbe dort’ (‘gerade der, ein und derselbe’; *oino-s zunächst zu ēn, noch in der Bedeutung ‘Gott’, d. h. ‘der eine’, und in so-in usw. zu -in geschwächt, Junker KZ. 43, 342; für so-in erwägt er auch *k̑o- + ĕnos); anders Meillet Esquisse 88;
gr. οἶνος, οἶνη ‘eins auf dem Würfel’;
lat. ūnus, alt oinos;
air. ōen ‘ein’; cymr. bret. corn. un ‘ein (auch unbestimmter Artikel)’;
got. ains, ahd. ein, anord. einn (hierher gehört altnord. einka ‘besonders’ und weiter ekkja ‘Witwe’, ekkill ‘Witwer’);
apr. ains (f. ainā) ‘ein’, ablaut. lit. ýnas und ìnas ‘recht, wirklich’; daneben mit präfig. Partikel (?):
lit. víenas, lett. viêns ‘ein’ (wegen lit. vičveĩnelis ‘ganz allein’ aus *einos), ablaut. lett. vińš ‘er’ (*vini̯as; vgl. skr. ȉn aus *ēino-); s. Trautmann 3, Endzelin Lett. Gr. 356, 381 f.
aksl. inъ ‘unus’ und ‘alius’, ino-rogъ ‘Einhorn’, inǫ ‘in einem fort, immer’, inokъ ‘solus’ (= got. ainaha ‘einzig’, lat. ūnicus, anord. einga, ags. ānga, ahd. einac, as. ēnag, nhd. einig), woneben aksl. jed-inъ (zum 1. Glied, wohl idg. *ed, s. oben) ‘ein’, woraus durch Kürzung in längeren Flexionsformen z. B. jednogo (geschrieben jedьnogo), russ. odinъ, odnogo.
Mit Formans -ko- (wie ai. dviká ‘aus zweien bestehend’) ai. ēka- ‘unus’, ēkatī́ya ‘der eine’, urind. (im hitt. Text) aika-vartana ‘eine Drehung’ (Kretschmer KZ. 55, 93); über lat. ūnicus, got. ainaha, aksl. inokъ s. oben
Mit Formans -go- got. ainakls ‘alleinstehend’ (auch oben anord. einka usw.), ksl. inogъ ‘μονίος, γρύψ’; s. Feist 22 f.
Entsprechende Zusammenrückungen mit e- (z. B. ai. asā́u) und āi- (ai. āišámaḥ, arm. ain usw.) s. oben.

WP. I 95 ff., WH. I 368 f., 399 f., 409, 671, 720 ff., 869, Trautmann 3, 65, 72, 105, Schwyzer Gr. Gr. I 548, 588, 608, 613 f., 628 f., 651.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal