Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

feit - (omstandigheid waarvan de werkelijkheid vaststaat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

feit zn. ‘omstandigheid waarvan de werkelijkheid vaststaat’
Mnl. dit fait te bringhene ter vierscarne ‘deze (mis)daad voor de vierschaar te brengen’ [1294; CG I, 2030], ic ... hebbe ghesien menich scoon feyt, hoe dat jc selue noyt scoen feit en dede ‘ik heb menige grote daad gezien, hoewel ik zelf nooit een grote daad verrichtte’ [1462; MNW-P], van eenen fayte onlancx ghedaen ‘over een (mis)daad die onlangs begaan was’ [1479-83; MNW-R]; in de collectieve betekenis ‘het gebeurde’: al dat fait, al dat feet [1350-1420; MNW]; nnl. in een schralen kronijkstijl ... als 't feit spreekt ... ‘in een kale kroniekstijl, als het werkelijk gebeurde spreekt (zonder oordeel van de schrijver)’ [1838; Geel], feit ‘omstandigheid waarvan de werkelijkheid vaststaat’ [1866; WNT].
Ontleend aan Frans fait ‘werkelijke omstandigheid’ [ca. 1160; Rey], ‘opmerkelijke daad’ [1170; Rey], dat is ontwikkeld uit Latijn factum ‘daad, gebeurtenis’, het gesubstantiveerde onzijdige verl.deelw. van facere ‘handelen, maken’, dat verwant is met → doen.
In het Middelnederlands had fait of fayt vrijwel uitsluitend de betekenis ‘misdaad’. Later, tot in de Vroegnieuwnederlandse periode, wordt de betekenis (wrsch. onder invloed van het Frans, dat deze betekenisvernauwing niet kende) weer algemener ‘daad’. De huidige betekenis ‘omstandigheid waarvan de werkelijkheid vaststaat’ is veel jonger (1866); deze zou opnieuw aan het Frans ontleend kunnen zijn.
Diverse andere Nederlandse woorden gaan op hetzelfde Latijnse werkwoord facere en zijn afleidingen terug, bijv.factor, → factuur, → faculteit, → fatsoen, → fax, → fetisj. Met voorvoegsels verschijnt facere in het Latijn als -ficere, zoals in → affaire, → confectie, → defect, → effect, → infectie, → perfect, → profijt. In Latijnse samenstellingen had het werkwoord meestal de vorm -ficāre, dat in het Nederlandse meestal weer door -ficeren wordt gerepresenteerd, zoals in → identificeren, → modificeren, → rectificeren.
Lit.: J. Geel (1838), Onderzoek en Phantasie, Leiden, hier 234

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

feit [wat werkelijk is] {fayte, fait [daad, misdaad] 1294 de betekenis ‘vaststaand gegeven’ 1570} < frans fait < latijn factum [daad, feit], eig. o. enk. van het verl. deelw. van facere [maken, doen] eig. dat wat gedaan is.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

feit znw. o., mnl. fait, feit, feet < fra. fait < lat. factum ‘daad’. — De afl. feitelijk komt reeds in de 16de eeuw voor als faictelyck ‘gewelddadig’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

feit znw. o., mnl. fait, feit, feet o. “daad, handeling”. Uit fr. fait < lat. factum.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

feit o., Mnl. id., uit Fr. fait, van Lat. factum = daad, zelfst. gebr. v.d. van facere (z. doen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

feit: “gegewe, werklikheid”; Ndl. feit (Mnl. fait/feit/feet), soos Eng. fact, uit Fr. fait uit Lat. factum, ons. vorm v. factus, verl. dw. v. ww. facere, “doen, maak”.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

feit (Frans fait)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Feit van ’t Fr. fait en dit van ’t Lat. factum = daad (van facere = doen).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

feit ‘daad, wat werkelijk is’ -> Papiaments fèit ‘daad, wat werkelijk is’.

Dateringen of neologismen

R. Schutz (2007), Brekend nieuws, Nijmegen

feit van (het) leven. Letterlijke vertaling van Engels fact of life = onontkoombaar feit; India heeft ook het tweede grootste bevolkingsrecht achter China en in vele steden is de overbevolking een feit van het leven; Een recente natuurdocumentaire over cheeta's in het leefgebied van leeuwen liet een merkwaardig feit van het leven in het wild zien

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

feit daad, wat werkelijk is 1294 [CG I Brugge] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal