Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fetisj - (afgodisch vereerd voorwerp; voorwerp dat seksuele opwinding veroorzaakt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

fetisj zn. ‘afgodisch vereerd voorwerp; voorwerp dat seksuele opwinding veroorzaakt’
Vnnl. fetisso ‘voorwerp (of dier) waaraan goddelijke eer wordt bewezen’ in Als daer yemant sterft, so maken sy oock een Fetisso, ende bidden hem dat hy het lichaem in d'ander werelt wil brenghen [1602; WNT wereld]; nnl. fetiche [1824; Weiland], fetisch, fetiche [1847; Kramers], fetisch [1858; WNT godheid], fetisj [1903; Koenen], fetish [1918; WNT]. In de moderne betekenis ‘voorwerp of normaal niet erogeen lichaamsdeel dat seksuele opwinding veroorzaakt’ [1919; WNT].
Dit woord gaat uiteindelijk terug op Portugees feitiço ‘toverij’ [15e eeuw; TLF], een term die door de Portugezen werd geïntroduceerd voor de voorwerpen waarmee de inheemse bevolking van de Afrikaanse westkust toverij bedreef. Het was een substantivering van het bn. feitiço ‘kunstmatig’ [15e eeuw; TLF], dat is ontwikkeld uit Laatlatijn factīcius ‘kunstmatig’, een afleiding van klassiek Latijn facere ‘maken’, zie → feit.
Bovenstaande oudste Nederlandse vindplaats in een reisbeschrijving staat geïsoleerd en is direct op het Portugees gebaseerd. Hetzelfde geldt voor de ongeveer even oude woorden Engels fetissos (mv.) [1600; Delattre 1943], Duits fetis(s)o [1606; id.] en Frans Fetissos (mv.) [1605; TLF]. De oudste attestatie in het Frans staat in een vertaling van een Nederlandse tekst; later in diezelfde eeuw verschijnt de verfranste vorm fétiche [1669; TLF]. Het is dat laatstgenoemde woord, dat in de 18e eeuw onder invloed van het werk van de Franse antropoloog Charles de Brosses deel is gaan uitmaken van de internationale geleerde woordenschat, bijv. Engels fetish, Duits Fetisch. In de oudste Nederlandse vindplaatsen komen spellingen met -che, -sh en -sch voor, maar uiteindelijk overheerst het inheemse grafeem sj voor /š/.
De figuratieve betekenis ‘voorwerp ter seksuele verering’ is afkomstig uit de psychologie en komt voor het eerst voor in het Engels [1901; OED].
fetisjisme zn. ‘verering van een fetisj; ziekelijke of seksuele voorkeur voor iets’. Nnl. het Fetissismus ‘godsdienstige verering van een fetisj’ [1807; WNT], fetichismus ‘afgodendienst’ [1824; Weiland], fetischismus (o.a.) ‘blinde vereering’ [1895; Broeckaert], daarna met de uitgang -me: fetisjisme ‘verering van een fetisj’ [1903; Koenen], fetischisme ‘seksuele voorkeur voor iets’ [1930; WNT Aanv. masochisme]. Gezien de oudste vormen ontleend aan Duits Fetischismus [begin 19e eeuw; Pfeifer], een afleiding van Fetisch, maar met latere betekenisontlening aan het Engels. ♦ fetisjist zn. ‘iemand die zich met seksueel fetisjisme bezighoudt’. Nnl. fetisjist ‘iemand met ziekelijk wellustige voorliefde voor bepaalde voorwerpen’ [1910; Kramers II], fetichist ‘id.’ [1934; WNT Aanv.]. Afleiding met → -ist van fetisj in de moderne seksuele betekenis.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fetisj [vereerd voorwerp] {fetisse 1602} < frans fétiche < portugees feitiço [idem] < latijn facticius [nagemaakt, kunstmatig] (vgl. factice).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fetisj znw. m., laat-nnl. < nhd. fetisch < fra. fétiche < port. feitiço eig. ‘kunstig gemaakt’ (< lat. facticius), maar gebruikt voor de voorwerpen, die de inboorlingen van Afrika als toveramulet gebruikten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

fetisch znw., laat-nnl. Uit hd. fetisch m. < fr. fétiche “fetisch” < port. feitiço “toovermiddel” (< lat. factîcius “nagemaakt”).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

fetisch. Ouder-nnl. komt de vorm fetisso voor, die rechtstreeks uit het Port. is ontleend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

fetisj: “voorwerp v. verering”; Ndl. fetisch/fetish/fetisj, ontln. via Fr. fétiche, Eng. fetish of Hd. fetisch a. Port. feitiço (ouer fetisso) uit Lat. factitius, “kunsmatig”.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

fetisj (Frans fétiche)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

fetisj ‘vereerd voorwerp’ -> Indonesisch fétis ‘vereerd voorwerp’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fetisj vereerd voorwerp 1602 [WNT fetisch] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal