Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fleur - (bloei (overdrachtelijk); frisheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

fleur zn. ‘bloei (overdrachtelijk); frisheid’
Vnnl. fleur in de verouderde betekenissen ‘vrouw die uitmunt tussen anderen; het puikje’ [fluer 1521; WNT], ‘maagdelijkheid’ [1567; WNT]. In de huidige betekenissen: ‘fris voorkomen’ in maar als ... de fleur 'er of is ‘maar als de eerste frisheid eraf is’ [1693; WNT], ‘bloei’ (meestal m.b.t. welzijn of welvaart van personen of instellingen) in ghy verliest u fleur [1610-19; WNT].
Het woord en alle bovengenoemde betekenissen zijn ontleend aan Frans fleur, dat als hoofdbetekenis ‘bloem’ heeft en via Oudfrans flor, flur [1080; Rey] is ontwikkeld uit Latijn flōs (genitief flōris) ‘bloem’, verwant met bloem, zie → bloeien.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fleur [bloeiende toestand] {1521} < frans fleur < latijn florem, 4e nv. van flos [bloem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fleur 1 znw. m. v. ‘bloei’, sedert Kiliaen < fra. fleur < lat. flore (vorm in verb. nv. van flos).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

fleur I (bloei e.dgl.), sedert Kil., die als vreemd woord fleur, flore “flos” opgeeft. Uit fr. fleur (lat. flôs). Evenzoo nhd. flor, laat-mnd. flōr m. “bloei, bloesem”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

fleur 2 m. (bloei), uit Fr. id., van Lat. florem (flos) = bloem (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

fleur s.nw.
1. Tydperk van volle krag, bloeityd. 2. Fris, ongerepte voorkoms; glans, aantreklikheid.
Uit Ndl. fleur (1622). Vgl. die Ndl. uitdr. in die fleur van sy jare (1566 - 1600), in Afr. in die fleur van sy lewe.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fleur bloeiende toestand 1521 [WNT wijd I] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal