Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

frutselen - (knoeien, prutsen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

frutselen ww. ‘knoeien, prutsen’
Zonder -r-: mnl. futselen ‘beuzelen, zijn tijd verknoeien’, wrsch. al in de toenaam Wouter die Futsellare [1281; CG I, 605] en in de afleiding futselinge ‘onzin, gebeuzel’ [1315-35; MNW-R]; het werkwoord zelf verschijnt echter pas in het vnnl., in In dachuer futselen sij als geleerde clercken ‘bij de rechtszitting treuzelen zij als echte klerken’ [ca. 1550; WNT futselen]; ‘peuteren, kriebelig werk doen’ in Wat futselje mit de mantel? [1616; WNT futselen]. De vorm met -r- is veel jonger: nnl. frutselen “futselen, kleinigheden verrichten, ook heimelijk iets doen” [1865-70; Schuermans].
Frutselen is in de 19e eeuw ontstaan als nevenvorm van het oudere en toen gelijkbetekenende futselen, met r-epenthese. De combinatie fr- komt, evenals de combinatie fl-, veel voor in woorden met klankexpressieve waarde, zoals → frommelen en misschien ook al → fröbelen, die alle in hetzelfde betekenisveld liggen. Bij deze woordgroep voegde zich in diezelfde tijd ook → friemelen. Het is goed mogelijk dat deze woorden, en wellicht ook → prutsen, elkaar hebben beïnvloed. De herkomst van futselen is onbekend.
De betekenisovergang of -vernauwing in de 17e eeuw van futselen ‘beuzelen’ naar ‘peuteren, prutsen’ is wellicht beïnvloed door → knutselen. Futselen wordt nog maar weinig gebruikt. Wel gangbaar is de afleiding → ontfutselen.
Lit.: Hoptman 2000

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

frutselen* [knoeien] {1878} mogelijk een emfatische nevenvorm van futselen, misschien echter o.i.v. prutsen ontstaan.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

frutselen ww ‘prutsen, knoeien’. Kan met emfatische r naast futselen staan, maar zie ook: prutsen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

frutselen, frotselen, fritselen, ww.: beuzelen, prutsen, knoeien, peuteren; sukkelen. Ook Vlaams en Brabants. Expressieve var. van futselen met r-epenthesis. Of met pr/fr-wisseling < prutselen, freq. van prutsen. Rijnl. fritzeln ‘peuteren’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

frotsen, frotselen, ww.: kreukelen. Klankexpressief, var. van frutsen, frutselen ‘prutsen’.

frutselen, fritselen, ww.: beuzelen, prutsen, knoeien, peuteren. Ook Vlaams. Expressieve var. van futselen met r-epenthesis. Of met pr/fr-wisseling < prutselen, freq. van prutsen. Samenst.: frutselkloot; frutselkont, frutselwerk; afl.: frutseleer ‘knoeier, prutser’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

frusselen, frosselen ww.: ergens aan wriemelen, plukken. Door assimilatie rs > ss uit frutselen. Dat kan met ­r-epenthesis – ook vanwege het klankexpressieve fr – teruggaan op Mnl. futselen ‘beuzelen’, Vnnl. futselen ‘peuteren’ (EWN). Of frutselen, freq. van prutsen, met pr/fr-wisseling.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

frotsen 1 (ZO), ww.: stoten (van een speld in een kinderspel). Intensivum van frotten. Afl. frotsinge 'ranseling', syn. met frottinge.

fritselen (G, L, W, ZO), ww.: ritselen, uitrafelen, uitpluizen, peuteren, onrustig zitten (G); prutsen, knoeien, knutselen (L, W); keuvelen, kwetteren (ZO). 1795 hy zit daer toens op zynen stoel en fritzelt en hefkeutelt of hy de mieren in zyn broek had, Gent (LC). In de bet. 'onrustig zitten' met r-epenthesis uit Mnl. vitselen 'heen en weer bewegen'. Of ontronde var. van frutselen 'peuteren, wriemelen', var. van futselen met epenthetische r (zie i.v.).

frotsen 2, fratsen (W), ww.: knutselen, klussen, knoeien. Klankexpresief woord, zoals frotsen 1 intensivum van frotten, maar ook var. naast frutselen.

frutselen (B, W), ww.: prutsen, peuteren. Ook Poperings. Expressieve var. van futselen met r-epenthesis. Of met pr/fr-wisseling < prutselen, freq. van prutsen.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

frutselen (P), ww.: peuteren, prutsen, broddelen. Var. van futselen, met (expressieve) r-epenthesis. Evt. met pr/fr-wisseling < prutselen, freq. van prutsen. Afl. ontfrutselen (GG: B) ‘losmaken door te prutsen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

frutselen* knoeien 1878 [WNT tuieren II]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal