Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gammel - (wrak, bouwvallig, oud en versleten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gammel bn. ‘wrak, bouwvallig, oud en versleten’
Nnl. gammel ‘loom, lusteloos’ [1839, Drente; WNT Aanv.], gammel, gemmelig ‘lusteloos’ [1842, Groningen; Verwijs 1870], gammel ‘oud, versleten’ [1870, Noord-Holland; id.], ik voel me zo gammel en loom en ik hang maar rond [1870; WNT Aanv.], die wagen is gammel, dat wil zeggen, wordt oud en zwak [1886; WNT Aanv.]. Daarnaast gewestelijk nog gamel ‘een of meer nachten oud (van vis)’ zoals in die visch is gamel, we moeten er van of ‘die vis is oud, we moeten ervan af’ [1897, Noord-Holland; WNT Aanv.] en al mnl. in de zn. nachtgamel ‘(vis van) een nacht oud’ [1445; MNW], ook nachtscham, nachtschamel, nachtgaem, visserstermen die betekenden dat de haring niet rechtstreeks na de vangst gekaakt werd, maar een dag later aan wal.
Overgenomen uit noordelijke of noordoostelijke dialecten.
Nnd. gammlig ‘oud, schimmelend’ (ontleend als nhd. gammelig ‘onappetijtelijk, onordelijk’), Oost-Fries gammel, gammelig, gamelig ‘lusteloos, flauw’; ohd. gamal alleen in namen, bijv. Gamalbold en Gamalberht; oe. gamol, gamel ‘oud’; on. gamall (nzw. gammal ‘oud’); < pgm. *gamal-.
Daarnaast de werkwoorden: os. gigamalod (verl.deelw.) ‘oud geworden, op leeftijd’ (mnd. gam(m)elen ‘oud worden’, nhd. gammeln ‘ongenietbaar worden, bederven’, vergammelt ‘onverzorgd’, Gammler ‘werkschuwe jongere’); oe. gamolian ‘oud worden’; on. gamlaðr ‘oud geworden, verouderd’ (verl.deelw.).
Verdere herkomst zeer onzeker. Met → gemelijk is het niet verwant (Verwijs 1870: 129). Misschien is pgm. *gam- ablautend verwant met pgm. *gim- ‘winter, sneeuw’ dat voorkomt in: onl. aingimnis ‘een winter oud’ en tuigimnis ‘twee winters oud’ [8e eeuw; LS]; on. gemla ‘éénjarig (éénwinterig) schaap’, gymbr ‘éénjarig, vrouwelijk schaap’ (nzw. dial. gimmer ‘jong schaap dat nog niet heeft gelamd’). Hiermee zijn wrsch. verwant: Grieks khiōn ‘sneeuw’; Oudiers gaim (< *giam) ‘winter’; en ablautend met o.a. Latijn hiems ‘winter’; bij de wortel pie. hiem-. De correspondentie met de Germaanse vormen is echter niet geheel klankwettig. Met pgm. *gam(al)- is bovendien het semantische verband mager: men moet dan denken aan een ontwikkeling ‘winterachtig’ > ‘ten einde lopend’ > ‘oud’ > ‘krakkemikkig’.
Lit.: E. Verwijs (1870), ‘Gemelijk’, in: Taal- en Letterbode 1, 123-131

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gammel* [wrak, vervallen] {gamel [oud (van haring)] 1466} oudengels gamol, oudnoors gamall; waarschijnlijk afleiding met suffix -al van een germaans woord voor ‘winter’ (vgl. oudnoors gemla [eenjarig schaap]), verwant met latijn hiems, oudkerkslavisch zima, iers gam [winter]. De betekenisontwikkeling is dan: eenjarig > overjarig > oud.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gammel bnw. ‘oud, vervallen, wrak’, mnl. gamel ‘oud’, ohd. gamal (nhd. gammelig), oe. gamol, on. gamall ‘oud’.

De verklaring van dit woord is onzeker: 1. van germ. *gam (< idg. *ghōm naast *ghi̭ōm, vgl. gr. chiōn ‘sneeuw’). — 2. < germ. *gamēlaz bij maal 1. (Kluge KZ, 26, 1883, 70) — 3. < germ. *ga-hamalaz ‘verminkt’ (Wadstein IF 5, 1895, 12); beide laatste passen niet op de westgerm. vormen! — 4. *gam-ala, waarin *gam de bet. ‘eten, gedijen’ zou hebben (Rooth, Altgerm. Wortstudien 50). — 5. bij lat. humilis ‘nederig’, gr. homalós naast chthamalós en dan uit *ghom-ali ‘even hoog als de aarde gegroeid’ (Szemerényi, Word 8, 1952, 50, die het woord dus ook met germ. *alan ‘voeden’ verbindt).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gammel* wrak, vervallen 1445 [MNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

g̑hei-2 : g̑hi- ‘Winter, Schnee’, nach Specht Dekl. 14, 330 f. alter -men- Stamm, mit schon idg. Wandel von mn zu m.

A. g̑hei-men-, *g̑heimn-:
Die r-Erweiterung ist analogisch nach *semero- ‘sommerlich’.
Ai. hḗman (Lok.) ‘im Winter’, hēmantá-ḥ m. ‘Winter’ (: hitt. gimmanza ds.);
gr. χεῖμα n. ‘Winter, Wintersturm, Kälte’, χειμών m. ‘Wintersturm, Winterwetter, Winter’ (dazu auch χείμαρος ‘Zapfen’, der herausgezogen wurde, wenn das Schiff ans Land gebracht wurde);
alb. geg. dimën m., tosk. dimër() ‘Winter’ (alter Akk. *g̑hei-men-om);
bsl. *žeimā (aus *žeimnā) in lit. žiemà, lett. zìma, apr. semo ‘Winter’ und
aksl. zima, Gen. zimy, russ. zimá, bulg. zíma, skr. zíma, sloven. zíma, čech. zima, poln. zima ‘Winter’.
hitt. gi-im-ma-an-za ‘Winter’ s. oben.
Dazu g̑heim(e)rinos und g̑heiminos ‘winterlich’.
In gr. χειμερινός, lat. hibernus (< *gheimrinos), lit. žiemìnis, aksl. zimьnъ, russ. zímnij, skr. zȋmnȋ, čech. zimní (čech. zimný ‘kalt’), poln. zimny ‘kalt, winterlich’ (vgl. mit ablaut. i in der Wurzelsilbe arm. jmeṙn ‘Winter’).
Zu *ghei- allein: av. zayan-, zaēn- m. ‘Winter’, npers. dai; av. zayana- ‘winterlich’ und mit Vr̥ddhierung ai. hā́yana- ‘jährlich’, hāyaná- m. n. ‘Jahr’ (Reimbildung zu av. hamana ‘sommerlich’).
B. g̑hi̯ōm, ghii̯ōm, Gen. g̑hiemós, g̑himós, auch g̑hi̯omós (m aus *mn?).
Av. zyā̊ f. ‘Winter’ (Akk. zym, Gen. zimō);
arm. jiun ‘Schnee’ (< *ghii̯ōm), Gen. jean (< g̑hii̯on-, s. Meillet Esquisse 45);
gr. χιών (*χιώμ), χιόνος ‘Schnee’;
ligur. mōns Berigiema (‘schneetragend’), mit umgestalteter Endung;
lat. hiems, -is ‘Winter’;
mir. gem-adaig ‘Winternacht’ (gam ‘Winter’ ist nach sam ‘Sommer’ umgeformt, vgl. Thurneysen KZ. 59, 2, 8; 61, 253); acymr. gaem, ncymr. gauaf, acorn. goyf, bret. goan̄v, gall. Wintermonat Giamon[ios], Eigenname Giamillus, weitergebildet mir. gem-rad n., mcymr. gaeaf-rawd ‘Winter’ (*g̑hii̯emo-rōto-, zu ret- ‘laufen’); auch ir. gamuin ‘jähriges Kalb’;
aisl. gōi f. und gǣ f., gōi-mānaðr ‘der Monat von Mitte Februar bis Mitte März’, isl. gōa, u. f., norw. gjø f., schwed. göjemånad (gō- < gi̯ō- nach Bugge Ark. f. nord. Fil. 4, 123 ff.).
Fraglich die Anreihung von an. gamall ‘alt’, gemlingr ‘jähriges Schaf’, ags. gamol ‘alt’, gamelian ‘altern’, as. gigamalod ‘bejahrt’, ahd. nur in Eigennamen wie Gamalbold, Gamalberht, Gamalberga usw. als ‘bejahrt’, vgl. lat. annōsus.
C. g̑himo- (aus g̑hi-mn-o-?):
Ai. himá-ḥ m. ‘Kälte, Frost, Schnee’, hímā f. ‘Winter’, av. zǝmaka- m. ‘Wintersturm’ (vgl. den Gen. von zyā̊ : zimō unter В.);
gr. δύσχιμος ‘winterlich, stürmisch’, ὁ χίμαρος ‘Ziegenbock’, ἡ χίμαρος ‘die einjährige (Ziege)’, χίμαιρα ‘Ziege’, lat. bīmus (< *bihimos), trīmus, quadrīmus ‘zwei- usf. jährig’ (vgl. ved. śatá-hima- ‘hundertjährig’), norw. dial. gimber, schwed. dial. gimber, dän. gimmerlam ‘weibliches Lamm’, dial. aber ‘einjähriges Lamm’ (Pedersen KZ. 32, 248), andfrk. (Lex Salica) ingimus? ‘porcus anniculus’. Die Formen mit y: aisl. gymbr ‘einjährige Sau’, norw. gymber, schwed. gymmer ‘Lamm’ beruhen wahrscheinlich auf Einfluß des nicht verwandten - übrigens ungedeuteten - aisl. gymbill, PN Gumbull, aschwed. gummerlamb ‘Widder’, isl. gummarr, norw. gumse, schwed. gumse ‘Widder’, siehe Hellquist SvEO. 210.

WP. 1 546 ff., WH. I 106, 645 f., Trautmann 367, Specht KZ. 53, 307 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal