Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gist - (rijsmiddel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gist zn. ‘rijsmiddel’
Mnl. nige ber unde gerstenber, gest ‘jong bier en gerstebier, droesem’ [1300-50; MNW gerstenbier], broet ghebacken sonder ghest ‘brood gebakken zonder rijsmiddel’ [1440-60; MNW-R]; vnnl. den wtganc der natuerlijcker gisten ‘het vrijkomen van de natuurlijke lichaamsdampen’ [1514; MNW], hij heeft zijn broot vul ghist ghedaen [1566; WNT zat I], gist ‘droesem, bezinksel’ [1599; Kil.], een schuymachtige stoffe, als gest [1693; WNT schuim]; nnl. gest in het beslag [1858; WNT verkeerd].
Afleiding van een wortel die ‘zieden, opbruisen’ betekent; gist is dus letterlijk ‘dat wat opschuimt, opbruist’ en dan ook ‘dat wat het opbruisen veroorzaakt’ en ‘het resultaat van het schuimen en bruisen’.
Mnd. gest ‘bezinksel, droesem’; mhd. jest, gest ‘schuim’; (nhd. Gischt ‘bruisend schuim’); oe. gist (ne. yeast ‘gist’); on. jöstr ‘gist’ (nzw. jäst); < pgm.*jest-, afleiding van het werkwoord *jesan-, waaruit ohd. jesan, gesan (nhd. gären ‘gisten, bruisen’ ). Bij deze wortel horen ook → geur ‘wat men ruikt’, → goor ‘smerig’ en → gier 2 ‘mest’. Hiernaast staan mnd. gere ‘gisting, mesthoop, vuil’, gare ‘op de akker uitgespreide mest’; on. gerð ‘biergist’, die wrsch. eerder bij gaar horen; wrsch. zijn de groepen van → gist en → gaar door elkaar gelopen (NEW).
Verwant met: Grieks zeĩn ‘koken, zieden’ (zie → eczeem); Sanskrit yásati ‘wordt warm, ziedt’; Welsh ias ‘hitte, bijtende kou; koken’; Tochaars A yäs ‘koken’; bij de wortel pie. *ies- ‘schuimen, bruisen’ (IEW 506).
De betekenis ‘droesem, bezinksel’ is na het Vroegnieuwnederlands verdwenen.
In het Middelnederlands is in de betekenis ‘rijsmiddel’ veel gebruikelijker het woord heffe, heve, een afleiding van → heffen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gist* [rijsmiddel] {gest(e), gist 1461} middelnederduits gest, middelhoogduits jest, oudengels giest (engels yeast), oudnoors jǫstr, van het ww. middelnederlands geren, oudhoogduits jesan, gesan [gisten] (hoogduits gären); buiten het germ. grieks zeō [ik kook], middelwelsh ias [het koken], oudindisch yasyati [hij kookt, (onovergankelijk) wordt heet, is woedend], verwant met geur.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gist znw. m., mnl. ghest, ghist m. (met i < e voor st of na g evenals in gisteren en met g > j evenals in gier en gij), mnd. gest, mhd. jest (nhd. gischt, gäscht), oe. giest m. (ne. yeast), on. jǫstr m. ( < oern. *estuR < germ. *jestuz), behoort bij het ww. ohd. jesan ‘gisten’ (nhd. gähren < caus. *jerjan ‘doen gisten’), nnoorw. æsa (< *jēsian), nzw. dial. esa ‘gisten’. — gr. zéō (< *jesō) ‘koken’, oi. yasati ‘kookt’, kymr. ias ‘toestand van koken’ (IEW 506). — Zie ook: gier 2.

Daarnaast staat mnd. gere ‘gisting, mesthoop, vuil’, gare ‘op de akker uitgespreide mest’, on. gerð ‘biergist’, die eerder tot de groep van gaar zullen behoren. Maar blijkbaar zijn beide woordgroepen door elkaar gelopen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gist znw., mnl. ghest, ghist m. (i vóór st als in gisteren). Met g uit j (zie gij). = mhd. jëst (nhd. gäscht, gischt), mnd. gëst, ags. giest m. (eng. yeast), on. jostr m. (*jestu-) “gist, schuim”. Afl. van ohd. jësan “gisten”, waarnaast het causativum jerjan, gerjan “doen gisten” (nhd. gähren). Dit jësan = gr. zéō] “ik zied”, alb. g’eš “ik kneed (brood)”, oi. yásati (ook yásyati) “hij wordt warm, ziedt, tobt zich af”. Hierbij ook kymr. ias “hitte, koken, hevige kou”. Naast jes-, jez- neemt men voor on. gerð v. “gist, schuim” een germ. basis ʒer- aan (anderen zijn van *ʒa-jaziþô- uitgegaan), waarvan ook een deel der du. vormen zou kunnen komen. Dit kan dezelfde basis zijn, waarbij ohd. gor, ags. gor o. “mest, vuiligheid” (eng. gore “geronnen bloed”), on. gor o. “half verteerd voedsel in de ingewanden van een dier” hooren. Ook geur en gier II mnd. gâre “mest” zullen wel van deze basis komen. Vgl. verder nog goor en de daar opgesomde woorden, noorw. dial. gyrja, zw. dial. görja “modder”, noorw. gurm, gyrma “droesem, bezinksel, modder, inhoud van de maag”. De combinatie met de bij warm geciteerde woorden uit andere idg. talen, gebaseerd op de hypothese, dat anlautende gh germ. ʒ, niet w wordt, is ook semasiologisch niet wsch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gist. De i schijnt vooral westelijk (holl., vla.) te zijn; oostelijker diall. hebben e.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gist v., Mnl. id. + Ohd. jest (Mhd. id., Nhd. gischt), Ags. giest (Eng. yeast), On. jostr (Zw. jäst, De. gjest), afgel. van een werkw. waarin g met j en s met r afwisselt (gelijk in was, waren, verliezen, verloren), en dat zich alleen in ’t Hgd. vertoont: Ohd. jesan en caus. jerian, Mhd. jern, Nhd. gären = gisten + Skr. wrt. yas, Gr. zéein = zieden, Alb. g' = kneden, We.. ias = koking.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

ges (zn.) gist; Middelnederlands ghest <1440-1460>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2gis s.nw.
Stof wat fermentasie veroorsaak.
Uit Ndl. gist (al Mnl.).
Vgl. Eng. yeast.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

gis II: “iets wat gisting veroorsaak, bv. suurdeeg”; Ndl. s.nw. gist (Mnl. ghest/ghist) en ww. gisten (Mnl. ghesten/ghisten), Hd. gäscht/gischt, gähren, “laat gis”, Eng. yeast, hou wsk. verb. m. Eng. gore, “dooiebloed”, en m. Afr. goor(maag) en hoërop m. Gr. zeō, “ek kook”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gist (de g is uit j gevormd, zie ginder) van den Germ. stam: jes, yes, Skr. yas = koken, schuimen. In ’t Hgd. is Gischt dan ook schuim, maar bij ons ’t schuim, dat bij vloeistoffen ontstaat, wanneer de suikerdeelen in alcohol worden omgezet, de z.g. „gisting”; verder de stof, die de gisting bewerkt: biergist, wijngist.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gist ‘rijsmiddel’ -> Fries gist ‘rijsmiddel’; Frans dialect giest, gist ‘biergist’; Muna hesi ‘rijsmiddel’; Sranantongo gesi ‘rijsmiddel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gist* rijsmiddel 1461 [MNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

i̯es- ‘wallen, schäumen’, von kochendem Wasser, i̯es-tu- ‘Schaum’

Ai. *yásati, yásyati ‘sprudelt, siedet; müht sich ab’, yayastu ‘soll verbrühen’; mit ā- ‘sich anstrengen’ (ā-yas-ta- ‘angefacht, angestrengt, ermüdet, erschlafft’, ā-yās-ayati ‘strengt an, ermüdet, quält’), prá-yasta- ‘überwallend’, Intens. i-yas-yatē ‘erschlafft, schwindet hin’, redupl. yeṣati (*i̯e-i̯s-) ‘wallt, sprudelt’, av. yaēšyeiti ‘siedet (intr.)’;
gr. ζέω (= yásati) ‘kochen, wallen, sieden (intr.)’, ζέσσε, ζεστός, ζέσμα und geneuert ζέμα ‘Absud’, ζόη· τὸ ἐπάνω τοῦ μέλιτος (Gischt, Schaum) Hes.;
gallo-rom. i̯estā ‘Schaum’ (v. Wartburg), cymr. ias f., Pl. iasau ‘Sieden, Schaumen, Kochen’; air. ess m. (älter n., aus *i̯estu) ‘Wasserfall’; bret. gòi ‘gären’ vielleicht abstrahiert aus gòell ‘Hefe’ (*upo-i̯es-lo-);
ahd. jesangären, schäumen’ = schwed. mdartl. esa (as) ‘gären’, norw. æse, schwed. mdartl. äsa (*jēsian) ds., norw. mdartl. asa (*jasàn; Prät. ōs) ‘aufbrausen, gären, brausen, stürmen, rasen’, esja (*jasjan) ‘gären’, anord. ø̄sa (*jōsjan) ‘in heftige Bewegung setzen’, vgl. norw. mdartl. ‘das Brausen, Unruhe in Tieren und Menschen’, anord. jǫstr, Gen. jastar m. (zunächst aus *estuz, *estauz, älter jes-) und jastr n. (zunächst aus *estra) ‘Hefe’, ags. giest (engl. yeast) ‘Schaum, Geifer, Hefe’, mnd. gest ‘Hefe’, mhd. jest, gest m. ‘Schaum’, nhd. Gest und Gischt ‘Schaum, Hefe’;
toch. A yäs- ‘sieden’.

WP. I 208. O’Rahilly Ériu 13, 144 f.

gher- ‘heiß, warm’, Adjektiv ghermo- und ghormo- ‘warm’ und Substantiva gheros-, ghoros- n., ghormo- n., ghormii̯ā f., ghorno-s, ghr̥no-s, ghortii̯ā und ghrē̆-ns-o-s ‘Hitze, Wärme, Glut, Brand’, usw.

Ai. háras- n. ‘Glut’ (= gr. θέρος, arm. ǰer), ghr̥ṇá- m. ‘Glut, Hitze’ (= lat. fornus, aksl. grъnъ), ghr̥ṇṓti ‘glüht, leuchtet’, gharmá- m. ‘Glut, Hitze’, av. garǝma- ‘heiß’, n. ‘Hitze, Glut’, apers. in garma-pada- Monatsname, etwa ‘*Eintritt der Hitze’ (= lat. formus, dt. warm; apr. gorme);
arm. ǰer ‘Wärme, schönes Wetter; warm’, ǰernum ‘wärme mich’, ǰerm ‘warm’ (= gr. θερμός; vielleicht als *gher-mn-os Ableitung vom men-St.:) ǰermn Gen. ǰerman ‘Fieber’ (auch gr. θέρμα f. ‘Wärme’ ursprünglich ein Neutrum?);
thrako-phryg. germo- ‘warm’ (in vielen ON: Jokl Eberts Reallex. 10, 142 f., 13, 285, 292, 294), kappadok. garmia(s) ‘Stadtname auf der Peutingerschen Tafel’ (a = idg. o);
Gr. θέρος n. ‘Sommerhitze, Ernte’, θέρομαι ‘werde heiß’, θερμός ‘warm’, θέρμασσα ‘Ofen’;
auch Germ- in illyr. PN, wie auch wohl im ursprüngl. nordillyr. VN Germani (Pokorny ZceltPh. 21, 103 ff); alb. tosk. zjarr ‘Feuer, Hitze’ (rr aus rm), gheg. zjarm (: θερμός), ngroh ‘wärme’ (*ghrē- wie in aksl grěti ‘wärmen’, lett. grēmens ‘Sodbrennen’); alb. gatsë ‘brennende Kohle’ (*ghorti̯ā?);
lat. formus ‘warm’ (Festus), fornus, furnus (*ghorno-s), fornāx ‘Ofen (letzteres auf einem fem. ā-St. beruhend), fornix, -icis ‘Gewölbe’ (*fornicos ‘die Gestalt eines Ofens habend’);
air. fo-geir ‘erwärmt, erhitzt’ usw., bret. gred m. ‘Wärme, Hitze; Mut’ = mir. grith ‘Sonne, Hitze’ (*ghr̥tu-s), mir. gorim, guirim ‘erhitze, erwärme, brenne’, nir. gor ‘Hitze; Brüten; Geschwür’; cymr. gori ‘brüten’, gor ‘Brut, Eiter’, bret. gor ‘(feu) ardent, furoncle’; air. gorn ‘Feuer’ (= lat. fornus); dagegen ist ir. gorm ‘blau’ Lw. aus cymr. gwrm ‘dunkel-(blau)’ und dieses samt abr. uurm in Uurm-haelon MN ‘aux sourcils bruns’ aus ags. wurma ‘Purpurfarbe’ entlehnt (Gwynn Hermathena 20, 63ff.); air. goirt ‘bitter’ (‘*brennend vom Geschmack’), wozu air. gorte (*ghorti̯ā) ‘Hunger’;
anord. gǫrr (*garwa-), gerr, gørr (*garwia-) ‘fertig, bereit, vollkommen’, ahd. garo ‘bereitgemacht, fertig’, ags. gearu, nhd. gar, anord. gørva, ahd. garawen, mhd. gerwen ‘fertigmachen, bereiten, rüsten, gerben’, ags. gierwan ‘zubereiten, kochen’, anord. gerð (*garwiþō) ‘das Gären des Bieres’ (formell allerdings = ahd. garawida ‘Herrichtung’), mhd. gerwe ‘Hefe, Unreinigkeit’, mnd. gere ‘Gärung, Gestank, Mistpfuhl, Schmutz’, geren ‘gären’ sind eher nach Holthausen Wb. des Altwestn. 102 aus Präfix ga- und *-arwa- > anord. ǫrr ‘rasch, geschickt’ (oben S. 331) zu erklären;
ags. gyrwe-fenn ‘Morast’, gyre ‘Dünger’, mnl. gore, göre ‘Rauch, Geruch’, mnd. göre ‘Pfütze’, norw. dial. gurm ‘Hefe, Kot, Speisebrei’, anord. gor n. ‘der halbverdaute Mageninhalt’, gjǫr (*gerva-) ‘Bodensatz’, ags. mnd. ahd. gor ‘Mist, Dünger’; zur Bedeutung vgl. oben cymr. gor ‘Eiter’;
hierher wohl anord. gersta ‘verbittern’, mhd. garst, nhd. garstig ‘verdorben’;
über got. warmjan ‘wärmen’ usw. siehe jedoch unter u̯er- ‘kochen’;
lit. gãras ‘Dampf; starkes Verlangen’, lett. gars ‘Dampf, Geist, Seele’, apr. goro f. ‘Herd’, gorme ‘Hitze’, lett. gar̂me ‘Wärme’, apr. garewingi Adv. ‘brünstig’, lett. grēmens ‘Sodbrennen’;
aksl. goritъ, gorěti ‘brennen, grějǫ, grěti ‘wärmen’, žeravъ ‘glühend’, požarъ ‘Brand’, grъnъ ‘Kessel’ (= lat. fornus), grъnilо ‘Ofen’, russ. gorn ‘Herd’, poln. garniec ‘Topf’; ferner aksl. gorьkъ (*ghori-ko-) ‘bitter’ (‘*brennend vom Geschmack’; vgl. oben ir. goirt), aber sloven. górǝk auch ‘warm’, čech. horký ‘warm’, dagegen ačech. hořký ‘bitter’; isoliert skr. gȓk, f. gŕka ‘bitter’, vgl. Berneker 232; aksl. gorьjь Komp. ‘schlechter, schlimmer’ (‘*brennender, bitterer’), gore ‘wehe!’
ghrē̆-ns-o- (auf Grund eines es-St. ghre-nes-):
ai. ghraṁsá-ḥ m. ‘Sonnenglut, Sonnenschein, Helle’ = bret. groez, grouez (*ghrenso-) ‘Sonnenhitze’, cymr. gwres ‘Hitze’ (zum w s. Pedersen KG. I 108, das e durch Einfluß von tes ds.); das ī von air. grīs ‘Feuer’, grīsaid ‘feuert an, reizt an’ wohl aus *ghrēnso-, trotz Thurneysen Gr. 130.

WP. I 687 ff., WH. I 532 ff., Trautmann 79, 102.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal