Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

grens - (scheidingslijn, limiet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

grens zn. ‘scheidingslijn, limiet’
Vnnl. grenzen (mv.) [1573; WNT], grensen (mv.) [1593; WNT zandberg], als het blijft ombepaelt, mit zijnen grens ‘als de grens ervan niet wordt vastgelegd’ [1596; WNT verpletten], grentsen (mv.) (niet-Brabants) [1599; Kil.], vande grents van Spangien [1621; WNT Supp. avontuursch]; nnl. grens ook in allerlei overdrachtelijke betekenissen, zoals in de hemel trok die grens [1841; WNT trekken], de grens (‘maximale waarde’) der zamenpersbaarheid (van lucht) [1843; WNT vloeibaar], op de grens van jeugd en jongelingschap [1860; WNT zelfstandig], autonomie ... binnen zekere grenzen [1916; WNT zelfbestuur].
Ontleend aan Nederduits grenitse, grentse, grense [12e-13e eeuw; Pfeifer], dat zelf ontleend is aan Oudpools granitsa, granća ‘grensgebied, grensteken’, een afleiding van Proto-Slavisch *granĭ ‘hoek, kant’. Het woord werd langs de hele Pools-Duitse grens ontleend; het is ook in het Hoogduits terechtgekomen als Grenze, onder meer omdat Luther het gebruikte.
Ook nzw. gräns, ontleend aan nnd.
Verdere etymologie onduidelijk. Proto-Slavisch *granĭ ‘hoek, kant’ zou formeel verwant kunnen zijn met: ohd. grana ‘baardhaar’, mhd. gran(e) ‘haarpunt, stekelhaar, graat’, oe. granu ‘snor’; maar het betekenisverband is zwak. Dit zouden uitbreidingen met -n kunnen zijn van de o-trap van een wortel *ghreh1- ‘uitsteken’ (IEW 440). Hiermee worden ook wel → gras en mogelijk → graat verbonden, maar dit alles is zeer twijfelachtig.
grenzen ww. ‘naburig zijn’. Vnnl. aen d' ander sijde grensen de Japonesen met de Filipinen ‘... zijn de Japanners buren van ...’ [1622; WNT], plaatsen daar aan grenzende ‘... die daar naast liggen’ [ca. 1645; WNT]; nnl. geen verw-stof, dewelke nader aan het beste purper der Ouden grenst, als den Indigo ‘... die meer lijkt op, dichter in de buurt komt van ...’ [1722; WNT verf], ... grenst aan het wonderbare ‘... is weinig minder dan een mirakel’ [1872; WNT wonderbaar]. Afleiding van grens.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

grens [scheidingslijn] {1573} < nederduits grenize of < hoogduits Grenze; het woord komt in de 13e eeuw voor in oostelijk nd. ontleningen aan pools granica, russisch granica.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

grens znw. v., oudste voorkomen grenzen 1573 (Plantijn), dan bij Kiliaen grentsen (Ger. Sax. Fris. Sicamb. Holl.) < oostnnd. grenicze, dat in Pruisen in de 13de eeuw opkomt als ontlening aan pools-russ. granica ‘grensmark’, afl. van osl. granĭ ‘hoek’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

grens znw. ʼt Eerst bij Plantijn (1573): grenzen mv., bij Kil. “grentsen. Ger. Sax. Fris. Sicamb. Holl.”. Gaat terug op oostndd. grenicze, dat in de 13e eeuw uit po. russ. graníca (c = ts) ontleend is. Evenzoo hd. grenze v., de. grænse, zw. gräns “grens” uit het Oostndd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

grens v., vroeger grentse, uit Hgd. grenze, van het Slav.: Osl., Ru. , Po. granica, Boh. hranice = grens, afgel. van Osl., Ru. granĭ = hoek; verdrong het inheemsche mark.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1grens s.nw.
1. Skeidingslyn, sowel konkreet as denkbeeldig. 2. Skeidslyn, onderskeid. 3. Beperking, limiet.
Uit Ndl. grens (1573 in bet. 1, 1620 in bet. 2, 1821 - 1824 in bet. 3).
Ndl. grens uit Nederduits Grenize of Hoogduits Grenze (13de eeu), in beide gevalle uit Pools granica. Die woord het in D. deur die geskrifte van Luther wyer bekendheid verwerf.
D. Grenze, Sweeds gräns.

grensregter s.nw. (sport)
Persoon wat by sekere balspele beslis of 'n bal uit die speelveld geraak het.
Samestelling van grens en regter, mntl. na analogie van Eng. touch judge (1893), of uit Ndl. grensrechter (1909), so genoem omdat die persoon langs die grenslyn staan en soos 'n regter beslis.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

grens I: “skeidingslyn” (s.nw.), “naasaan geleë wees” (ww.), soms in Afr. genas., soms nie; Ndl. s.nw. grens (sedert 1573), ww. grenzen (by Kil grentsen) via ONed. grenicze uit Poo.-Rus. granica, “grensgebied”.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

grens (Nederduits grenize of Duits Grenze)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

grens ‘scheidingslijn’ -> Deens grænse ‘scheidingslijn’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors grense ‘scheidingslijn’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds gräns ‘scheidingslijn’ (uit Nederlands of Nederduits); Sranantongo grens ‘scheidingslijn’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

grens scheidingslijn 1573 [WNT] <Nederduits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal