Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hapschaar - (diender)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hapschaar [diender] {1691} < frans happe-chair [idem], van happer [vastpakken] + chair [vlees] < latijn caro [idem] (vgl. carnaval, carnivoor).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hapschaar m., uit Fr. happechair, van happer = vastnemen, en chair = vleesch.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

hebschaar, habsjaar, hapsjaart, hapsjaal, hapschaar, hapsjeer, zn.: gierigaard, vrek, egoïst, gulzigaard; penningmeester; gelukkige in het spel. Vgl. Brabants hapsjaar, hapsjeer ‘opschepper, snoever, bedrieger, onbetrouwbaar persoon, valsaard, verrader’, Ovl. hapsjaar ‘onbetamelijk persoon, iemand die zich onbehoorlijk gedraagt’, Wvl. hapschaard, hapsjaart, hapesjaar ‘politieagent, veldwachter; onbetamelijke kerel, rare kerel, lomperd, stommerik’. Ndl. hapschaar, hapscheer ‘lagere gerechtsdienaar in vroeger eeuwen’ (GVD). Zoals De Bo en Vercoullie verklaart Van Dale het woord als zinwoord < Fr. happe-chair ‘grijp-vlees’, met dezelfde betekenis. Mij lijkt het omgekeerde het geval te zijn hapscheer > happe-chair. Aannemelijker lijkt me een samenstelling (Weijnen, WNT) van happe ‘bijl’ en D. Scherge ‘lagere gerechtsdienaar’, Mhd. scherge, scherje ‘gerechtsdienaar, beul’, Ohd. skerio ‘schaarleider’, nomen agentis bij Ohd. scara ‘schaar, legerafdeling’. De var. hebschaar en de bet. ‘gierigaard’ door associatie met hebben.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

hapsjaar, hapsjeer, apsjaar, zn.: opschepper, snoever, bedrieger, onbetrouwbaar persoon, valsaard, verrader. Ook Ovl. hapsjaar ‘onbetamelijk persoon, iemand die zich onbehoorlijk gedraagt’, Wvl. hapschaard, hapsjaart, hapesjaar, met verschillende betekenissen. De Wvl. bet. ‘politieagent, veldwachter’ is wel oorspronkelijker, blijkens Ndl. hapschaar, hapscheer ‘lagere gerechtsdienaar in vroeger eeuwen’ (GVD). Zoals De Bo en Vercoullie verklaart Van Dale het woord als zinwoord < Fr. happe-chair ‘grijp-vlees’, met dezelfde betekenis. Mij lijkt het omgekeerde het geval te zijn hapscheer > happe-chair. Aannemelijker lijkt me een samenstelling (Weijnen, WNT) van happe ‘bijl’ en D. Scherge ‘lagere gerechtsdienaar’, Mhd. scherge, scherje ‘gerechtsdienaar, beul’, Ohd. skerio ‘schaarleider’, nomen agentis bij Ohd. scara ‘schaar, legerafdeling’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

hapsjaar (B, Gb), zn. m.: onbetamelijk persoon, iemand die zich onbehoorlijk gedraagt. Ook Wvl. hapschaard, hapsjaart, hapesjaar, met verschillende betekenissen, maar de Beverse bet. is dezelfde als die van Oostends apesjaar. De Wvl. bet. 'politieagent, veldwachter' is wel oorspronkelijker, blijkens Ndl. hapschaar, hapscheer 'lagere gerechtsdienaar in vroeger eeuwen' (GVD). Zoals De Bo en Vercoullie verklaart Van Dale het woord als zinwoord < Fr. happe-chair 'grijp-vlees', met dezelfde betekenis. Mij lijkt het omgekeerde het geval te zijn hapscheer > happe-chair. Aannemelijker lijkt me een samenstelling (Weijnen, WNT) van happe 'bijl' en D. Scherge 'lagere gerechtsdienaar', Mhd. scherge, scherje 'gerechtsdienaar, beul', Ohd. skerio 'schaarleider', nomen agentis bij Ohd. scara 'schaar, legerafdeling'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

hebschaor, hapsjaart gierig iemand, gelukkige in ‘t spel (Noord-Brabant, Limburg), hapschere kijfachtige vrouw (Epe) gierig iemand, gelukkige in ‘t spel (Noord-Brabant, Limburg), kijfachtige vrouw (Epe) (Noord-Brabant, Limburg, Epe). = znl. hapschaar ‘bep. lagere gerechtsdienaar’ (» fra. happe-chair). Het eerste deel is happe ↑ ‘bep. bijl’, het tweede = hgd. scherge ‘lagere gerechtsdienaar’ = ohgd. scario, afleiding bij nl. schaar ‘troep’.
Swanenberg red. 131, Kats 99, Van den Bremen 62, WNT V 2145-2146.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

haps(ch)aard (DB: B, O), hapsjaart (O), hapesjaar (O), zn. m.: politieagent, veldwachter (B, O), zeedraak, schelvisduivel (O, naar de gelijkenis met een politiepet). In het Oostends ook overdr. apesjaar, apsjaart ‘onbetamelijk persoon’, apesjarel ‘idem, rare kerel’, apesjorre ‘domoor, lomperd, stommerik’. GG noteerde in Lo hapsaard ‘stoute jongen, durver’. De Grote Van Dale vermeldt hapschaar, hapscheer ‘lagere gerechtsdienaar in vroeger eeuwen’ en (gew.) ‘vrek’. Zoals De Bo en Vercoullie verklaart VD het woord als zinwoord < Fr. happe-chair ‘grijp-vlees’, met dezelfde betekenis. Mij lijkt veeleer het omgekeerde het geval te zijn hapscheer > happe-chair. Aannemelijker lijkt me een samenstelling (Weijnen) van happe ‘bijl’ en D. Scherge ‘lagere gerechtsdienaar’, Mhd. scherge, scherje ‘gerechtsdienaar, beul’, Ohd. skerio ‘schaarleider’, nomen agentis bij Ohd. scara schaar, legerafdeling’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal