Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hark - (tuin- en landbouwwerktuig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

hark zn. ‘tuin- en landbouwwerktuig’
Mnl. harke ‘hark’ in vor twe harken daermen dat ruet uyt onser stad graven mede treckede ‘voor twee harken waarmee men het riet uit de stadsgrachten trok’ [1384; MNW riet], harke ‘hark’ [1420; Claes 1994a], Fabius ... sloech Romus doot myt ener harken ‘Fabius sloeg Romus dood met een hark’ [ca. 1465; MNW].
Hark is oorspr. een Noord-Nederlands woord; hierop wees Kiliaan al, die harcke, hercke “Saksisch, Fries, Rijnlands en Hollands” noemde. Ook in Duitsland is Harke vanuit het Middelnederduits (harke, herke) in de standaardtaal gedrongen. Zuidelijker was het woord onbekend en gebruikte men woorden als rake (zie hierna) en gritsel. Herkomst onzeker, wrsch. oorspr. een klanknabootsende vorming, naar het schrapende geluid dat men met een hark maakt.
Ook op klanknabootsing wijzen bijv. on. harka ‘met kracht en veel geluid voortslepen’, hark ‘geluid’, nno. en nzw. harka ‘krassen, schuren’, harkla ‘de keel schrapen’.
Suggestief is de synonymie met zuidelijk mnl. rake, reke ‘hark’ (nu alleen dialectisch Vlaams raak), waarnaast bovendien: os. reko; ohd. rehho (nhd. Rechen); oe. raca (ne. rake); on. raka (nzw. raka); < pgm. *raka-, *reka-, bij een werkwoord *rekan- ‘bijeenbrengen’, waaruit ohd. rehhan; got. rikan. Deze beide woorden, harke en rake, kunnen echter bezwaarlijk met elkaar verbonden worden: men moet eerst metathese veronderstellen voor rake > *arke, en vervolgens hypercorrectie voor harke. Dat laatste is alleen te verwachten in een gebied zonder h-foneem, dus in het zuidwesten, en dat is juist het gebied waar mnl. harke onbekend was. En ook de genoemde metathese is ongewoon.
Klanknabootsend is wrsch. wel de Germaanse woordgroep bij → roek < pgm. *hrōka-, en Grieks krṓzein ‘krassen (van vogels)’, maar of hier van directe woordverwantschap sprake is, is allerminst zeker.
harken ww. ‘met een hark bijeenschrapen’. Vnnl. hercken ‘id.’ [1573; Thes.], harcken, hercken ‘id.’ [1599; Kil.]. Afleiding van hark.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hark* [tuingereedschap] {harke 1420} middelnederduits harke, herke, oudnoors hark [lawaai], harka [bij elkaar schrapen], oudhoogduits rahhison [rochelen]; buiten het germ. oudindisch kharjati [hij knarst]; uitgangspunt is wel een klanknabootsende vorming.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hark znw. v., mnl. (zelden) harke, Teuth. harck, hercke, mnd. harke, herke (> nhd. harke). — on. harka ‘met een schurend geluid voortslepen’, noorw. zw. harka ‘krabben, schuren, moeilijk gaan’, on. hark ‘lawaai, geruis’. — Blijkbaar moet men uitgaan van een woord voor een schrapend of schurend geluid; dan zijn te vergelijken: gr. krázō ‘schreeuwen’, krṓzō ‘knorren’, oi. kharjati ‘knarst’, lit. krėgė́ti ‘knorren, toch. Β keruc ‘lawaai’. Deze behoren tot de idg. wt. *kerg (waarvoor zie: roek), een afl. van *ker (IEW 659).

De hark is dus het instrument om te harken en dit betekent ‘een schrapend geluid maken’. Alleen in het NO. van ons land (evenals in Noord-Duitsland) wordt het woord hark gebruikt, maar het is ook in Holland bekend en vandaar kwam het in de algemene taal. Vgl. Α. van Gerwen, Taaltuin 4, 1935-6, 344, die opmerkt, dat daarnaast in Vlaanderen rake gebruikt wordt (vgl. rechen in Midden- en Zuid-Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland), in Noord-België en N. Brabant rijf en in het Z.O. van Zuid-Nederland (plaatselijk) gritsel. — Vgl. ook Martin, Teuth 1, 1924-5, 186 en voor de zuid-nl. dialecten nog J. L. Pauwels, Hand. Comm. Top. Dial. 6, 1932, 153 vlgg.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hark znw., mnl. (zelden) harke v. = Teuth. harck, hercke, mnd. harke, herke v. (waaruit nhd. harke) “hark”; zw. harka “eg met ijzeren punten, hark” komt wsch. uit ’t Ndd. Verwant met on. harka “iets sleuren, zoodat het met kracht wrijft tegen wat er onder ligt”. Van een wortel q(h)erĝ- “krabben”, waarvan ook oi. kharjū̆- “jeuk”. Hiermee kan idg. q(h)rē̆ĝ-, q(h)rō̆ĝ-, waarvan ohd. rahhisôn “rochelen”, ags. hrâca m. “spog, opgehoest slijm”, hræ̂can “slijm ophoesten, uitspugen”, on. hrâki m. “spog”, hræ̂ka “uitspugen” in ablaut staan. Een dgl. bet. hebben ook de. harke, zw. harkla “zich de keel schrapen”. Aangezien “krabben, krassen” e. dgl. een door een geluid begeleide beweging aanduiden, is verdere verwantschap met de bij roek besproken woordfamilie, hoewel onzeker, toch mogelijk; als we de j van oi. kharjū̆- door palataliseering in de casus met ē̆u verklaren, kan de hier besproken basis ook zooals die van roek velare g hebben. Men vergelijkt nog wel oi. khṛ́gala-, daarvoor de bet. “borstel” aannemend.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

hark, is een noordndl. woord, dat vooral in het N. en O. thuishoort, maar ook in Holland niet onbekend is. Synoniemen zijn rijf (zie rijven) rake, rakel(e) (zie rakelen), gritsel (Z.-Ndl.). Een overzicht van de verbreiding der verschillende benamingen geeft de kaart bij Martin Teuth. I,186 vlg., speciaal voor de zuidndl. diall. J. L. Pauwels Hand. Comm. v. Top. & Dial. VI (1932), 153 vlgg. Het friese taalgebied heeft harke in het W. en Z., riuwe in het N.O. volgens de kaart bij Hof Fri. Dialectgeogr. 191.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hark v., + Ndd. harke, waaruit Hgd. id.; met ander slotklank, Eng. harrow, On. herfi (Zw. harf, De. harv) = egge + Lat. hirpex (Fr. herse).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

hark (de, -en), (ook, vrij alg.:) grote, sterke kam voor dicht kroeshaar. - Etym.: Gekscherend woord, duidend op de afmeting en de moeite die het kost om verward kroeshaar te kammen. – Zie ook: afrokam*, bosnegerkam*.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

hark: stijf persoon; iemand die zich houterig gedraagt en zich daardoor moeilijk bij anderen aansluit; pummel; boerenkinkel. De hark is een tuingereedschap met houten of ijzeren tanden. In de volksmond zegt men: zo stijf (stug) als een hark. Vgl. janklaassen; houten* klaas. In de jeugdtaal van eind twintigste eeuw heeft hark ook de betekenis gekregen van ‘lelijk wijf’ (zie Laps). In turbotaal ook: harko (zie Hoppenbrouwers).

Die styve hark, en maag’re moort. (A. Alewijn, Jan Los, of den Bedroogen Oostindies vaêr. Blyspel, 1721)
God zal mijn beware, wat een stijve harke! (A.M. de Jong, Frank van Wezels roemruchte jaren, 1928)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hark ‘tuingereedschap’ -> Fries harke ‘tuingereedschap’; Ests hark ‘(hooi)vork’ (uit Nederlands of Duits); Frans dialect harke, ark ‘tuingereedschap’; Noord-Sotho haraka ‘tuingereedschap’ <via Afrikaans>; Tswana haraka ‘tuingereedschap’ <via Afrikaans>; Xhosa hariki ‘tuingereedschap’ <via Afrikaans>; Zuid-Sotho haraka ‘tuingereedschap’ <via Afrikaans>; Shona hara ‘tuingereedschap’ <via Afrikaans>; Papiaments harka (ouder: hark) ‘tuingereedschap’; Sranantongo ar'ari, har'hari ‘tuingereedschap’; Saramakkaans hálíki ‘tuingereedschap’; Sarnami harhári ‘tuingereedschap’; Surinaams-Javaans ari-ari ‘tuingereedschap’ <via Sranantongo>; Surinaams-Javaans hareg ‘tuingereedschap’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hark* tuingereedschap 1420 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

841. Een hark van een vent,

d.w.z. iemand, die zich niet gemakkelijk in de beschaafde wereld beweegt, een houterige, stijve Klaas, nd. 'n holten Hinr'k, een stijve hark, een tuinstaak (zie C. Wildsch. II, 386; W. Leevend II, 174). Vroeger noemde men zoo iemand een houten klik (Winsch. 89), een prengel, een pumpel (pummel), een gaffel, een kneppel, een knevel, een bengel, een loen, een plug, een loete; enz. Vgl. no. 201; zie Van Helten's Proeven van Woordverkl. 84 vlgg. en vlg. het Zuidnederl. een gaapstaak (bij ons gaapstok). In het Zaansch spreekt men van een hort van een kerel (Boekenoogen, 350), in het Westvl. van een bokketeers (tuinstaak); in het fri. van in houten hispel (haspel). Zie Ndl. Wdb. V, 2229; Gunnink, 100: arke, houterig mensch.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ker-1, kor-, kr- ‘Schallnachahmung für heisere, rauhe Töne, solche Tierstimmen und die sie ausstoßenden Tiere’, Anlaut meist k-, seltener k̑- auch mit beweglichem s- : (s)ker-.

I. Ai. karaṭa- m. ‘Krähe’ (?), karāyikā ‘eine Art Kranich’.
Gr. κόραξ, -ακος m. ‘Rabe’, κοράκιον ‘Schnabel des Raben’ (*kor-n̥-k-, vgl. lat. cor-n-īx), σκορακίζω ‘behandele schimpflich (aus ἐς κόρακας βάλλειν u. dgl.), κορώνη ‘Krähe’, κόραφος· ποιὸς ὄρνις Hes. (*kor-n̥-bhos); κορκορυγή ‘Kollern im Leibe’;
lat. corvus ‘Rabe’, cornīx, -īcis ‘Krähe’, umbr. curnāco ‘cornicem’ (-īk- neben -āk-); Specht, Idg. Dekl. 118, 161 stellt hingegen corvus und cornīx zur Farbwurzel ker-;
čech. krákorati ‘gackern’ (*kor-kor-, vgl. κορκορυγή), serb. krakoriti ‘gracillare’, klr. kerekoríty ‘kollern, girren’.
S. auch kar- ‘laut preisen’.
1. Dentalerweiterungen:
Älter dän. skrade ‘rasseln, röcheln’, schwed. mdartl. skrata ‘schallen’, norw. mdartl. skrata ‘gackern, schelten, laut lachen’, skratla ‘rasseln’, schwed. skratta ‘lachen’, dän. skratte ‘einen gesprungenen Ton geben’.
2. Gutturalerweiterungen:
A. Auf -k- (gebrochene Reduplikation): kerk-, krek-, krok-:
Ai. kr̥kara-, krakara-, kr̥kaṇa- m. ‘eine Art Rebhuhn’, kŕ̥ka-vāku- m. ‘Hahn’, kr̥kaṣā, kr̥kālikā ‘Vogelnamen’; av. kahrkatāt- f. ‘Hahn’, npers. kärk ‘Huhn’, av. kahrkāsa- m. ‘Geier, eigentlich Hähneesser’; ai. karkati (unbelegt) ‘lacht’, krákṣamāṇa-, -krakṣa-, -krakṣin- etwa ‘knarrend’;
arm. vielleicht als Neuschöpfung karkač̣ ‘Rauschen, Geräusch’, karkačem ‘übermäßig lachen, brausen’;
gr. κέρκαξ· ἱέραξ Hes., κερκάς· κρεξ τὸ ὄρνεον Hes., κερκιθαλίς· ἐρωδιός Hes., κερκίς· ... εἶδος ὄρνῑθος Hes., κέρκνος· ἱέραξ, ἤ ἀλεκτρυών Hes., κέρκος· ... ἀλεκτρυών Hes., κίρκος ‘ἱέραξ’, κορκόρας· ὄρνις. Περγαιοῖ Hes., κρέξ ‘eine Vogelart’, κέρχνος m. ‘Heiserkeit’ (wenn aus *κερκ-σνος), κέρχνη, κερχνηίς f. ‘Turmfalke’;
lat. crōciō, -īre und crōcō, -āre ‘krächzen’ (: ir. crāin, lit. krokiù, lett. krācu, slav. krakati, vgl. mit -g: gr. κρώζω, anord. hrókr);
mir. crāin, Gen. crāna ‘Sau’ (‘grunzend’; urkelt. *krākni-); cercc ‘Henne’ (aber cymr. ysgrechf. ‘Schrei’ aus ags. *scrǣc ‘Geschrei’; mir. scrēch ‘Schrei’ aus anord. skrǽkr); abret. corcid, nbret. kerc’heiz, cymr. crychydd ‘Reiher’, ir. corr (*kork-so-) ‘Kranich’;
apr. kerko f. ‘Taucher (Vogel)’, lett. ḱḕrcu, ḱḕrt ‘gackern, rauschen, Lärm machen’, lit. karkiù, kar̃kti ‘schnarren, krächzen, gackern’, lit. kirkiù, kir̃kti ‘kreischen (von der Bruthenne)’; lit. krẽkinuos, -intis ‘brünstig sein (vom Schwein)’, lett. krecêt ‘heiser werden’; apr. kracto (lies kracco) ‘Schwarzspecht’, lit. krãkė ds., lit. kr(i)okiù, kr(i)õkti ‘röcheln, grunzen’ (: lat. crōciō usw.), kr(i)oklỹs ‘Wasserfall’, lett. krā̀cu, krā̀kt ‘krächzen, schnarchen, röcheln, tosen’; lit. kurkiù, kur̃kti ‘quarren’, lett. kùrcu, kùrkt ‘quarren’ (: aksl. krъknǫti; ablautend mit lit. kvar̃kti?); vgl. Mühlenbach-Endzelin Lett.-D. Wb II 296, 270, 322;
aksl. krъknǫti ‘krächzen’ (usw.); russ.-ksl. krečetъ ‘Zikade’, russ. krëk ‘Aufstehnen’, krečet ‘Jagdfalke’, serb. krȅka ‘Geschrei der Hühner oder Frösche’ (usw.), čech. škřek ‘Geschrei’, osorb. škŕekava ‘Eichelhäher’; russ. krochálь ‘Tauchergans’, bulg. krókon ‘Rabe’, serb. krȍčēm, kròkati ‘krächzen’ (usw.); russ.-ksl. (usw.) kraču, krakati ds.; dazu slovz. krẽk (*krakъ) m. ‘Rabe’.
Nasaliert: ags. hringan ‘tönen, rasseln, klappern’, engl. to ring ‘lauten, klingen’, anord. hrang n. ‘Lärm’, hringia ‘läuten’, lit. krankiù, krañkti ‘krächzen, röcheln’, krankščiù, krañks̀ti ds., russ. krjákatь ‘krachen, ächzen, schnarren, krächzen’; toch. В kraṅko Hahn; ai. kruṅ, kruñca-, krāuñca m. ‘Brachvogel’.
Mit anl. k̑-: ai. śāri- f. ‘ein Vogel’, sārikā ‘die indische Elster’; arm. sareak ‘Star’; lit. šárka, apr. sarke ‘Elster’, russ. soróka, čech. straka, serb. srȁka ‘Elster’; daneben aksl. svraka, serb. svrȁka ds., s. unten.
Mit anlaut. k̑u̯-: alb. sorrë (*k̑u̯ērnā) ‘Krähe’ (Jokl, Mél. Pedersen 146);
aksl. soraka, serb. svrȁka ‘Elster’.
B. Auf -g-:
Ai. kharjati ‘knarrt’, khargálā ‘ein bestimmter Nachtvogel (Eule?)’;
gr. κρώζω ‘krächze’, κράζω, ἔκραγον, κέκρᾱγα ‘krächzen (vom Raben), schreien’; κάραγὺς· ὁ τραχὸς ψόφος οἷον πριόνων Hes.;
anord. hrōkr, ags. hrōc, ahd. hruoh ‘Krähe’; ndd. harken, dän. harke ‘sich räuspern’, schweiz. harchlen ‘röcheln’, anord. hark, skark ‘Lärm’, herkir, skerkir ‘Feuer’ (‘*knisternd’), anord. harka ‘lärmen’, ndd. harken ‘scharren, kratzen’, harke ‘Rechen’, nhd. Lw. Harke; zu ai. kharju- m. (unbelegt) ‘das Jucken, Kratzen’, khr̥gala- m. ‘Krücke’ (?);
ahd. rachisōn ‘sich räuspern’, ags. hraca m., hracu f. ‘Kehle’, ahd. rahho ‘Rachen’, ags. hrǣca m. ‘das Räuspern; Speichel’, hrǣcan ‘sich räuspern, spucken’, anord. hrāka m. ‘Speichel’; anord. skrǣkr m. ‘Schrei’ (*skrēki-), skrǣkja, skrǣkta ‘schreien’, skrǫk n. Pl. ‘Lüge’, skrǫkva ‘erdichten, erlügen’;
lit. kregždė̃ ‘Schwalbe’, krėgė́ti ‘grunzen’, krogiù ‘röchle, grunze’.
3. Labialerweiterungen:
A. Mit -p-: Ai. kŕ̥patē, Aor. akrapiṣṭa ‘jammern’;
kr̥cchrá- ‘schlimm’; n. ‘Not’, mind. aus *kr̥psra-;
npers. särfāk ‘Schall’, surf (iran. *sǝrǝfa-) ‘Husten’;
lat. crepō, -ās und -is, -āre ‘knattern, knistern, krachen’, crepundia, -ōrum ‘Klappern als Kinderspielzeug, Kastagnetten’ (nach M. Leumann, Gnomon 9, 240, vielmehr etruskisch); EM3 268;
anord. hrafn ‘Rabe’, urnord. HrabnaR, ags. hræfn ‘Rabe’, ahd. hraban, hram ‘Rabe’ (mhd. auch rappe), as. naht-ram ‘Nachteule’;
Mit s-: anord. skrafa ‘schwatzen’, skraf (und skrap s. unten) n. ‘Geschwätz’; anord. skarfr ‘Seerabe’, ags. skræf ds., ahd. scarba, scarva f., scarbo m. ds., nhd. Scharbe; bret. scrav ‘Meervogel’ ist germ. Lw.;
lett. krepēt, krēpēt ‘schmutzig werden’, krẽpât ‘zähen Schleim auswerfen’ (aus ‘*räuspern’), lit. skreplénti ds., lett. krẽpalas Pl., lit. skrepliaĩ Pl. ‘Schleimauswurf, aksl. kroplją, kropiti ‘bespritzen, besprengen’ usw., russ. kropotátь ‘brummen, mürrisch sein, sich sorgen’ usw.
Mit -b-: anord. skrap ‘das Rascheln, Geschwätz’, skrapa ‘rascheln, schwätzen’; lit. skrebė́ti ‘rascheln’, aksl. skrobotъ ‘Geräusch’. Nasaliert gr. κρέμβαλα ‘Kastagnetten’.
II. i-Basis (s)(k)erei-:
Air. scret f., nir. scread ‘Schrei’ aus *skri-zd(h)ā; vgl. Persson Beitr. I 348;
mit s-: bret. screo (*skriu̯ā) ‘kreischender Meervogel’;
ahd. as. scrīan ‘schreien’, ahd. screi n. ‘Schrei’, ndd. schrēwen, ndl. schreeuwen ‘schreien’ (*skraiwian), wfläm. schreemen, engl. scream ds. (*skraimian);
ohne s-: anord. hreimr ‘Geschrei’, anord. hrīna ‘schreien’ (vom Schweine); vgl. lett. krī̆na ‘Sau’ (ebenso ir. crāin ds. : lat. crōcio) und piem. crin (ligur.?) ‘Schwein’.
Gutturalerweiterungen:
A. Mit -k-: gr. κρίκε ‘(das Joch) knarrte, kreischte’; lit. krykščiù, krỹkšti ‘kreischen’, kriksėti ‘quaken’;
aksl. krikъ ‘Geschrei’, kričati ‘schreien’;
anord. hegri, ags. hrāgra, ahd. heigaro und (h)reigaro, mhd. heiger und reiger, nhd. Reiher (*kroikro-, *krikro-), z. T. mit diss. Schwunde des ersten r;
cymr. cryg ‘heiser’, fem. creg, davon creg-yr ‘Reiher’;
eine verschiedene Lautnachahmung ist bulg. cъ́rkam ‘zwitschere, zirpe; schreie, spritze’ (usw. s. Berneker 132);
B. Mit -g-: gr. κρῑγή ‘das Schwirren; Knirschen (der Zähne)’, κριγή· ἡ γλαῦξ Hes., κρίζω, κρίξαι, κέκρῑγα ‘kreischen, knurren’, böot. κριδδέμεν (δδ = γ) ‘γελᾶν’;
cymr. cre (*krigā), dychre (*dī-eks-krigā) ‘Geschrei’; abgeleitet crë-ydd, crë-yr ‘Reiher’;
anord. hrīka ‘knirschen’, hrikta ‘kreischen’;
mit s-: anord. skrīkia ‘Vogelschrei’, als Verbum ‘zwitschern’, ags. scrīc ‘Würger’, norw. skrīka, skreik ‘schreien’, as. skrikōn ds., an. skrǣkr ‘Schrei’;
späte Neuschöpfung: nhd. Krickente, schwed. krickand, krikka ds., ndl. kriek, krekel ‘Grille, Heimchen’, frz. criquet ds., ndl. kricken, kreken ‘Zirpen (von der Grille)’, mengl. creken ‘knarren’, engl. creak ds., frz. criquer ds.;
mit s-: aksl. skrъgati (d. i. skrъg-) ‘knirschen’, skrъžьtъ (d. i. skrьž-) ‘Geknirsche’.
III. u-Basis (s)k(o)reu-, (s)k(o)rau-:
1. Lat. corvus (s. oben S. 567); mir. crū ‘Rabe’ (*krou̯os); ndd. schrauen, schraulen, norw. skryla, ryla ‘schreien’, norw. dial. skrynia ‘klappern, Geräusch machen, hell klingen; husten’; anord. skraumi ‘Schreier, Hanswurst’; nordfries. skrummel ‘Getöse, Geräusch, Gerücht’, nhd. schrummeln ‘donnern’, anord. skrum ‘Geschwätz; lit. kriunù, -ė́ti ‘husten, stöhnen’; vielleicht auch toch. В keru ‘Trommel’.
2. Dentalerweiterungen:
Mit -d-:
Anord. hrjóta ‘brüllen, schnarchen, brummen’, ags. hrūtan ‘schnarchen, schnauben’, ahd. rūzan, rūzōn ‘rasseln, schnarchen, summen’; vgl. ags. hrot m. ‘dicke Flüssigkeit, Schleim’, usw. unten S. 537;
mnd. schrūten ‘schnarchen, schnaufen, prusten’, wfäl. Schrute ‘Truthenne’, schwed. skryta ‘prahlen’, dial. ‘schnarchen’, norw. dial. skrȳta ‘schnauben, prusten’, skrota (*skrutōn) ‘prahlen’ (vielleicht auch anord. skraut n. ‘Pracht, Schmuck’, skreyta ‘schmücken’, wenn eigentlich ‘prahlen’, vgl. norw. skrøyta ‘schmücken, loben, prahlen’, røyta ds.).
Mit idg. -t-: anord. hryðja f. ‘Spucknapf’, isl. hroði ‘Speichel’, norw. dial. ryda, skryda f. ‘Schleim im Halse’.
3. Gutturalerweiterungen:
Mit -k-: lit. krauklỹs ‘Krähe’, kraukiù, kraũkti ‘krächzen’, ablaut. kriūk-iù, -ti ‘grunzen’, krùkė ‘Gegrunze’; lett. kraûklis m. ‘Rabe’, kraũḱis ‘Saatkrähe’, kraukât ‘husten, Schleim auswerfen (vom Vieh)’; kraũka f. ‘Schleimauswurf’;
aksl. krukъ ‘Rabe’ (usw);
isl. hrygla ‘Rasseln in der Kehle’, mhd. rü(c)heln, nhd. röcheln, norw. rugde ‘Waldschnepfe’; dazu wohl ags. hrog ‘Nasenschleim’;
mit Geminata -kk-: dän. skrukke ‘glucksen’, skrokke ‘plaudern’, woneben älter dän. krokke ‘rufen, von Hühnern’, mnd. krochen ‘grunzen; heiser schreien (vom Raben)’.
Mit -k̑-: ai. krṓśati, av. xraosaiti ‘kreischt, schreit’, ai. krōśa-, klṓśa- m. ‘Schrei, Rufweite’, (: ags. hrēam ‘Notruf’ aus *hrauhma), npers. xurōs ‘Hahn’; s. W. Schulze Kl. Schr.166.
Mit -g-: gr. κραυγή ‘Geschrei’, κραυγός· δρυκολάπτου εἶδος (‘Art Specht’) Hes.; got. hruk Akk. ‘das Krähen’, hrukjan ‘krähen’.

WP. I 413ff., WH. I 275 f., 290, 291 f., 293, Trautmann 128, 139 f., Wissmann Nom. postverb. 130 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal