Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heem - (verblijfplaats)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

heem zn. ‘verblijfplaats; geboortegrond’
Onl. chaim- ‘woning, verblijfplaats’ [8e eeuw; LS], hēm in plaatsnamen, bijv. Alfheim ‘Alfen (Noord-Brabant)’ [709; Künzel]; mnl. heem, heim ‘woonplaats’, in huuse ende heem [1452-1501; MNW], te heyme ‘thuis’ [1470-90; MNW-R].
Os. hēm (mnd. hēm); ohd. heima (v.) (mhd. heim (o.), nhd. Heim); ofri. hēm (nfri. hiem); oe. hām (ne. home), on. heimr ‘wereld’ (nzw. hem); got. haims ‘dorp’; < pgm. *haima- ‘woonplaats’.
Verdere etymologie onduidelijk. Meestal neemt men een m-afleiding aan bij pie. *ḱei- ‘liggen’ (zie ook → huwen), waarbij Litouws šeima ‘gezin, familie’; Russisch sem'já ‘familie’; Oudiers cōim, cōem, Oudwelsh cum ‘lief, dierbaar’. Grieks kṓmē ‘dorp’ hoort hier wrsch. niet bij.
Als simplex is het woord in het Nederlands nooit zeer gebruikelijk geweest; in het Middelnederlands kwam het voornamelijk voor in Duits getinte teksten en in 20e-eeuws BN betekent het ‘lokaal van een jeugdbeweging’. Het komt vooral voor in samenstellingen en afleidingen: → geheim, → inheems, → ontheemd, heemraad < mnl. heemraet, heemkunde (leenvertaling van Duits Heimatkunde), heemtuin ‘tuin met inheemse dieren en planten’, en in vele toponiemen, en zie ook → heimwee.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heim* [woonplaats] {in de plaatsnaam Alfheim, nu Alphen (N.-Br.) <709>, heym [woonplaats, huis] 1401-1450} oudsaksisch, oudfries hem, oudhoogduits heim, oudengels ham, oudnoors heimr, gotisch haims; buiten het germ. litouws kaimas [dorp], oudkerkslavisch sěmija [huispersoneel] (russisch sem'ja [gezin]), oudiers coirn [geliefd], welsh cu [idem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heem znw. o., verouderd woord voor ‘woonplaats, huis’ (nog bewaard in heemraad, mnl. (noordnl.) heemraet, heimraet ‘college of ambtenaar die voor de belangen van een district, vooral van een waterschap, zorg draagt’ en verder in inheems en uitheems), mnl. heem, heim ‘woonplaats erf’, os. hēm, ohd. heim, o. ‘huis, woonplaats’, ofri. hēm o. m.?, hēme o. ‘woonplaats, huis, dorp’, oe. hām m. ‘woning, huis, woonplaats’, on. heimr m. ‘woonplaats, wereld’, got. haims v. ‘dorp, vlek’ (enk. i-stam, mv. o-stam). — osl. šemija ‘personeel, slaaf’, lit. šeimýna ‘huispersoneel’, vgl. oiers céile ‘makker’.

Wegens gr. keĩmai ‘liggen’ heeft men heem verbonden met de idg. wt. *ḱei ‘liggen’ (IEW 539). Het is echter de vraag, of men van den aanvang af het ‘huis’ als ‘het liggende’ zou hebben aangeduid; het kenmerk van de menselijke woning, is dat zij omtuind is; ook de balto-slavische woorden wijzen duidelijk op een huisgemeenschap. Daarom heeft J. Trier, Zs der Savigny-Stiftung f. Rechtsgesch. 65, Germ. Abt. 1947, 249-250 als uitgangspunt het begrip ‘omheining’ gekozen en wil uitgaan van een wt. *ḱei ‘tot algemeen gebruik dienend gemeenschappelijk bezit’, vgl. lat. civis (< *ḱeiu̯is) ‘burger’ en het nl. huwelijk. De grondbetekenis van ‘vlechtwerk, gevlochten omheining’ blijkt nog uit koĩtos ‘veeperk’, oiers cess ‘korf’, gr. lat. cunae ‘wieg’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

heem o., Mnl. id., Os. hêm + Ohd. heim (Mhd. en Nhd. id.), Ags. hám (Eng. home), Ofri. hém, On. heimr (Zw. kem, De. hjem), Go. haims = huis, dorp, vaderland, wereld + Gr. keîsthai = liggen, rusten, kṓmē = dorp, Oier. cóim = liefelijk, Ru. semja = gezin. Uit het Germ. komt Fr. hameau = gehucht, alsook Lit. këmas = hofstede en Opru. caymis = dorp.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

heim, heem, hem, him, haam zn. m./o.: haag, (om)heining. Mnl. heim, heem ‘afgeperkt grondstuk’, heimen ‘afheinen, afperken’, heimsel ‘omheining’, Vnnl. heym ‘omheining’ (Kiliaan). Aangezien dit woord in de andere Germaanse talen deze betekenis niet heeft, zal het ongetwijfeld hetzelfde woord zijn als heim, heem ‘woonplaats, huis, erf, hofstede’. Plantyn vertaalt heym oft hofstede nl. als ‘closture autour les maisons, bois ou champs’. Os. hêm, Mnd. hêm, ohd. heima, D. Heim, Ofri. hêm, Fri. hiem, Oe. hâm, E. home, Got. haims ‘dorp’ < Germ. *haima- ‘woonplaats’. Misschien een m-afleiding bij Idg. *kei- ‘liggen’. Wellicht is de betekenis ‘omheinde plaats, omheining’ wel de oorspronkelijke; vgl. tuun, tuin, town. Vgl. hamete. Samenst.: bochtheim, mispitheim.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

heim, êêm, eim (met achtervoegsels: heiming, eemienk, hemsel) afrastering (Brabant, Zeeland). = mnl. heim ‘afrastering’ (waarvan Zeeuws êême, eime ‘omheinen’ afgeleid is). Ofwel ~ nl. vero. heem ‘huis’, eng. home ‘tehuis’, hgd. heim ‘tehuis’, got. haims ‘dorp’ (omheining en woonplaats horen bij mensen immers ten nauwste samen) ofwel onder invloed daarvan ‹ nl. hein (grondwoord van omheinen; ~ heg).
WBD 218-219, WNT VI 474-477, Ghijsen 323, 326, NEW 242.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

heem 'woonplaats, woning'
Het toponymisch grondwoord onl. hem, mnl. heem, heim 'woonplaats, woning, boerenhofstede, dorp', got. haims 'dorp', oe. ham 'woonplaats, woning, landgoed, dorp', ono. heimr 'huis, woonplaats, wereld'. Plaatsnamen samengesteld met heem werden in geheel West-Europa gevormd in de periode vanaf de 4e tot en met de 10e eeuw. Heem is daarmee een zeer geschikt gidsfossiel voor de Germaanse nederzettingsgeschiedenis. Heem-namen komen overvloedig voor in de vroegmiddeleeuwse bronnen en ontbreken in gebieden die sinds omstreeks 1000 zijn ontgonnen1. Veel van deze namen zijn in de loop der tijd verdwenen, mogelijk omdat de nederzettingen die met heem aangeduid werden secundair waren en bestonden uit een enkele hoeve2. Het terpengebied van Friesland-Groningen is rijk aan heem-namen, zodat we mogen aannemen dat dit gebied in de vroege middeleeuwen dicht bewoond was. De Hollandse geestgronden kenden oorspronkelijk veel meer nederzettingen met heem-namen, maar zij zijn grotendeels verdwenen, mogelijk omdat de bevolking wegtrok naar de nieuw ontgonnen veengebieden. Men beschouwt het Hollands-Utrechtse heem-namen gebied als een uitloper van Friesland-Groningen3. In Drenthe, Zeeland (Walcheren), West-Brabant en een gedeelte van Holland komen heem-namen slechts sporadisch voor. De heem-namen in Limburg wijzen op hernieuwde vestigingen langs de Maas, vooral op Karolingische koningsgoederen, in een gebied dat in de Romeinse tijd dicht bevolkt was, maar dat na het vertrek van de Romeinen deels ontvolkte. Men heeft wel aangenomen dat heem een Germaanse vertaling is voor villa 'herenboerderij'4.
Het eerste deel van de samenstelling is vaak een zeer archaïsche persoonsnaam of een afleiding van een persoonsnaam met het suffix -ing-, waarvoor zie -ingahem. Voor de opvatting dat heem-namen samengesteld met een soortnaam (type →Rossum, → Zelhem, → Oostum) jonger zouden zijn, bestaat geen ondersteuning5. Dergelijke samenstellingen waren reeds in de vroegmerovingische tijd volop productief6. Wel kan men stellen dat een patronymische samenstelling wijst op een individuele stichting van een nederzetting en dat de samenstellingen met een soortnaam vaker betrekking hebben op geplande, systematische ontginning7. Een van de oudste attestaties in plaatsnamen met heem is 726 kopie 11e eeuw Marithaime (→ Merm)8. Heem ontwikkelde zich als zwakbeklemtoond tweede deel tot -um en viel daarmee samen met niet samengestelde plaatsnamen in datief meervoud. Als Berhusum een oude variant is van de plaatsnaam → Bierum, dan kunnen we aannemen dat reeds in de 14e eeuw -um (hier de uitgang van de datief meervoud) als heem werd gevoeld en daardoor kon wisselen met hus, dat we ook elders zien (vergelijk → Ernsheem en → Oosterhuizen).
Lit. 1Blok 1974 126, DOB 254, 2Philologia Frisica 4 (1966) 14, 3MVN 33 (1957) 18, 4DOB 254, 5Blok 1979 128-137, 6MVN 41 (1965) 96, 7Koss 2002 28, 8Künzel e.a. 1989 250.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Heem (heim, ham, hem, vgl. Windesheim, Den Ham, Arnhem) van ’t Skr. ksi = veilig wonen; vandaar: woonplaats, dorp, huis. Zie Geheim, Heimelijk.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

heim, heem* woonplaats 0709 [Claes]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

k̑ei-1 ‘liegen; Lager, Heimstätte, traut, lieb (von derselben Siedlung)’, k̑oi-to- ‘Lager’; k̑ei-mo-, k̑oi-mo- ‘vertraut’, k̑ei-u̯o-, k̑i-u̯o- ds.

Ai. śḗtē (älter śáyē), 3. Pl. śērē, av. saēte (: gr. κεῖται) ‘liegt’, 3. Pl. sōire, ai. śayate, -ti ‘liegt, ruht’, śayā́, śayyā ‘Lager’, madhyama-śī́- ‘in der Mitte sich lagernd, liegend’, ni-śī-tha- m. ‘Mitternacht’, usw.;
gr. κεῖται ‘liegt’, 3. Pl. κέαται aus *κεjn̥t-, umgebildet nach κει-, hom. κείαται; jung ist hom. κέονται (: ai. śayantē); κοῖτος m., κοίτη f. ‘Lager’, ἄκοιτις ‘Gemahlin’ (mit ion. Psilose aus *ἅ-κοιτις); vgl. bret. (d)argud ‘leichter Schlaf (*-are-koito-); κοιμάω ‘bringe zu Bett, schläfere ein’ (vgl. got. haims, air. cōim, lett. sàime, auch lit. šeimýna, ags. hǣman). Zweites Kompositionsglied -κι̯-ο- in περισσός, νεοσσός, u. dgl. Sehr wahrscheinlich lat. cūnae, cūnābula Pl. ‘Wiege, Nest’ (*k̑oi-nā) und anord. hīð, hīði n. ‘Lager des Bären’ (*k̑ei-to-);
hitt. Mediopassiv ki-it-ta (kitta) und ki-it-ta-ri (kittari) ‘liegt’; vielleicht auch lyk. sijęni ‘liegt’ (Pedersen, Lykisch u. Hitt. 17).
Mit dem Begriffe ‘Heim, traut, lieb’:
mit l-Suffix ai. śīla- n. ‘Gewohnheit, Charakter’, air. cé(i)le ‘Genosse, Gatte’ (*k̑ei-lii̯o-s), mit sekundärem i cymr. cilydd ‘Genosse’, usw.;
mit m-Suffix:
gr. κοιμάω (s. oben), κειμήλιον ‘aufbewahrtes Gut’ (von *κεῖμα n. ‘Lager’); dehnstufig κώμη f. ‘Dorf’ (*k̑ō[i]);
air. cōim, cōem ‘lieb’, acymr. cum, ncymr. cu usw. ‘lieb’ (koimo-);
got. haims f. (i-St.) ‘Dorf, Flecken; Pl. ἀγροί’, anord. heimr m. ‘Heimat, Welt’, þing-heimr ‘die beim Thing anwesende Versammlung’, ags. hām, as. hēm, ahd. heim ‘Heimat, Haus, Wohnung’ (ags. hǣman ‘beschlafen, heiraten’, ursprüngl. ‘κοιμᾶν’);
lett. sàime f. ‘Hausgesinde, Familie’, ablaut. lit. šeimýna f., apr. seimīns m. ‘Gesinde’;
aksl. sěmьja ‘Gesinde, Sklaven’, sěminъ ‘zum Gesinde Gehöriger, Sklave’;
lit. kiẽmas ‘Bauernhof, káimas ‘Dorf’, lett. cìems ‘Dorf, Versammlungshaus’, apr. caymis ‘Dorf’, lit. kaimýnas ‘Nachbar’, kaĩmenė ‘Herde’ sind der Entlehnung aus germ. *haimaz verdächtig;
Trautmann (112 f.) nimmt ablaut. urbalt. *kaima- m. und *kōimā f. an (idg. ōi : ai);
mit ro-Suffix: arm. sēr ‘Neigung, Liebe’, sirem ‘ich liebe’ (*k̑eiro-);
mit u̯o-Suffix: ai. śḗva- (= germ. hīwa-) ‘traut, freundlich, lieb, wert’, śivá- (= germ. *hĭwa-) ‘vertraut, lieb, heilsam’;
lat. cīvis ‘Bürger’ = osk. ceus ds.; die i-Flexion nach hostis (M. Leumann Gnomon 9, 237);
got. heiwa-frauja ‘Hausherr’, ags. hīw-cund ‘heimisch’, hīw-rǣden f. ‘Haushaltung’, ahd. hī-rāt ‘Heirat’, ags. hī-rēd ds., agutn. hī-skepr ‘Familie’, anord. hȳ-bȳli Neutr. Pl. ‘Hauswesen’ (daneben ablaut. *hĭwa- = ai. śivá- in anord. herað, aschwed. hæ-raþ ‘Bezirk’, hæ-skaper ‘Familie’ aus *hĕwa-); der germ. St. *hīwa- ist Kompositionsform zu *hīwan- ‘Hausgenossen(schaft)’ in anord. hjū(n), hjōn ‘Ehepaar, Dienerschaft, Gesinde’, ags. hīwan, hīgan ‘Hausgenossen, Familie’, hīwen n. ‘Haushalt’, asächs. sinhīwun ‘Ehegatten’, ahd. (w)un ‘Ehepaar, Dienstboten’, hī(w)o ‘Gatte; Hausgenosse, Knecht’, hīwa ‘Gattin’, asächs. hīwa ds.; mit -ro- erweitert anord. hȳrr ‘freundlich, gütig’, ags. hēore, hīere ‘freundlich, sanftmütig’, mhd. gihiure ‘mild, behaglich’, nhd. geheuer, ahd. as. unhiuri ‘unheimlich, grauenhaft’;
lett. siẽva ‘Weib’ (*šeiu̯ā mit dem Intonationswechsel des Femin.).

WP. I 358 ff., WH. I 224 f., 306 f., 856, Trautmann 112 f., 300 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal