Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heug - (zin, lust)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

heug zn. ‘zin, lust’
Mnl. hoghe, hueghe ‘vreugde’ in in hogen ende vro ‘blij en vrolijk’ [1265-70; CG II, Lut.K], die drake wert des bloets in hueghe ende wert dronken an die dranc ‘van het bloed werd de draak vrolijk en hij werd dronken van de drank’ [1287; CG II, Nat.Bl.D]; nu alleen nog in de uitdrukking tegen heug en meug ‘tegen zin en trek’: vnnl. teghen heughe ende meughe drincken [1599; Kil.].
De klinker /ö/ ontstond door i-umlaut van de Proto-Germaanse stam *hugi- ‘gedachte, verstand’. Voor deze klank werden verschillende spellingen gebruikt, vanaf de 15e/16e eeuw werd dit onder invloed van het Frans definitief eu.
Algemeen Germaans woord dat als simplex verder alleen in de Scandinavische talen bewaard gebleven is: os. hugi ‘gedachte, verstand’ (mnd. hoge, höge); ohd. hugi, hugu ‘verstand, ziel’, ook ‘vreugde’ in hugesangōn ‘lofzingen’ en hugescrei ‘juichkreet’; ofri. hei ‘gedachte’ (nfri. heuch < nnl.); oe. hyge ‘gedachte, bedoeling’; on. hugi ‘gedachte, moed’, hugr ‘gedachte, moed’ (ozw. hugher, nzw. håg ‘zin, lust’); got. hugis (genitief) ‘verstand’; < pgm. *hugi-, *hugu-. Voor werkwoordelijke afleidingen zie → heugen.
De verdere etymologie is duister. De in het verleden wel genoemde verwantschappen met Sanskrit śócati ‘(hij) glanst’, Litouws kaukas ‘huisgeest’ of Grieks kykãn ‘mengen’ zijn zeer onwaarschijnlijk. Misschien afgeleid van de wortel pie. *keuh1- ‘waarnemen’ (IEW 587), zie → horen, hoewel een achtervoegsel met velaar bij deze wortel geen parallellen heeft in de andere Indo-Europese talen.
De oorspr. Germaanse betekenis lijkt ‘gedachte’ te zijn. Deze betekenis komt ook bij hoghe, hueghe voor, maar leeft nu alleen nog voort in de woorden → heugen en → geheugen. Hieruit kan heel goed de betekenis ‘vrolijke gedachte’ > ‘vreugde’ zijn ontstaan (Duits en Nederlands). Ook ‘lust, zin’ is een vrolijke gedachte. Bij dit woord horen ook → verheugen en → heuglijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heug* [zin] {heuge, ho(e)ge [gedachte, herinnering, beraad, vrolijkheid] 1276-1300} oudsaksisch, oudhoogduits hugi, oudfries hei, oudengels hyge, oudnoors hugr, gotisch hugs; etymologie onzeker → heugen.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

tegen heug en meug

Het werkwoord heugen kennen wij nog in de betekenis: zich herinneren. Heug is dus: herinnering, maar ook: gedachte, zin. Het kwam mij in de zin is: ik herinnerde mij. Maar zin betekent ook: lust, trek.

Mengen is natuurlijk hetzelfde als: mogen. Dit werkwoord betekent niet alleen: toestemming hebben, maar ook: kunnen. Dit blijkt al duidelijk uit het rijmpje:

Bij mekaar deugen ze niet,

Van mekaar meugen ze niet,

dat slaat op verliefde mensen die altijd ruzie maken en toch niet zonder elkaar kunnen. Tegen heug en meug is dus: tegen zijn zin en zijn kunnen in, waarbij heug meer de geestelijke en meug meer de stoffelijke zijde vertegenwoordigt. Maar dit verschil is voor ons taalgevoel geheel en al teloor gegaan. Tegen heug en meug eten wil nu slechts zeggen: eten, terwijl men reeds volkomen verzadigd is.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heug znw., mnl. hōghe, heughe, hueghe m. v. ‘beraad, herinnering, gedachte, vrolijkheid’ uit de germ, grondvormen *hugu, *hugi. Van *hugi stammen ook os. hugi, ohd. hugi, ofri. hei, oe. hyge, got. hugs; van *hugu- on. hugr en van *hugan on. hugi. — Zie: heugen.

De etymologie is onzeker. 1. Bij oi. śócati ‘glanst, geeft licht’ (WP 1, 378, maar niet IEW 597). — 2. Bij lit. kaũkas ‘kobold, ongedoopt gestorven kind’ (Mikkola BB 22, 1897, 239). — 3. Bij gr. kukáō ‘roeren, vermengen’, en dan dus eig. ‘opwinding van het gemoed’. — 4. Bij tsjech. čihati ‘loeren’ en dan hoger op bij horen (Wood MPh 17, 1920, 572). — Nog andere, op even losse gronden berustende vermoedens bij FW 250.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heug znw., mnl. hōghe, hȫghe m. v. “beraad, herinnering, gedachte, vroolijkheid”. < *χuʒi-, hōghe misschien ook < *χuʒu-, beide komen evenals *χuʒan- in deze bett. benevens = “moed, geest” in de germ. talen voor: ohd. hugi, hugu m., os. hugi, ofri. hei, ags. hyge, got. hugs m. (alle vier *χuʒi-), on. hugr m. (*χuʒu-), hugi m. (*χuʒan-); ags. ymb-hoga m. “zorg”. Hierbij heugen, mnl. hōghen, hȫghen “denken aan, zich herinneren, verlangen naar, zich verheugen, een bewijskrachtige verklaring afleggen”, ook onpers. = “heugen, zich herinneren, verlangen, zich verheugen” en trans. = “verheugen”, waarin twee germ. ww. kunnen voortleven: 1. = ohd. huggen, hucken, os. huggian, ags. hycg(e)an, on. hyggja, got. hugjan “denken, meenen”, 2. = ohd. hogên, owfri. hugia, ags. hogian, on. huga “id.”. In de bet. “verheugen, troosten” komt ook mnd. hōgen voor, = “troosten” ook noorw. dial. hugga e.a. ngerm. vormen. Vgl. verheugen. Oorsprong onzeker. Men vergelijkt: 1. lit. kaũkas “kobold, ongedoopt gestorven kind”, 2. oi. çúci- “schitterend, rein”, çócati “hij schittert, brandt, lijdt pijn, treurt”, 3. oi. kuh-” verstoppen”, waarvan kuhaka- “goochelaar, goochelarij”, 4. arm. xausem “ik spreek”, 5. hoog (*χuʒi- enz. oorspr. = “moed”), 6. oi. kúçala- “in goede orde, gepast, gezond, handig, ervaren”. De aan hypothese 3 ten grondslag liggende overweging, dat germ. χuʒ- wsch. idg. gh of ĝh heeft gehad, is zeer plausibel, maar de etymologie is niet wsch.: *χuʒi- enz. zou dan oorspr. = “in ’t lichaam verstopt gedachte-menschje” zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

heug v .(zin), Mnl. hoghe, Os. hugi + Ohd. id. (Mhd. huge), Ags. hyge, Ofri. hei, On. hugr, Go. hugs = zin, verstand, gedachte, voldoening, vreugd: oorspr. zeer betwist.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

heug, zn.: feest bij ondertrouw. Van het ww. heugen. Het was blijkbaar een heuglijk feest.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

heug feest bij ondertrouw (Noordoost-Meierij). ~ heugen, geheugen. Het gegeven feest betekende de bevestiging van de trouwbelofte. Dat feest diende de bruidegom te heugen, d.w.z. in herinnering te blijven.
OV I 206.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

heug II [+]: (feitlik alleen in) teen heug en meug, “teen wil en dank”; Ndl. heug (Mnl. hoghe/heughe/hueghe, o.a. “beraad”), Os., Ohd. en On. hugi (lg. ook hugr), Got. hugs, wsk. wel verb. m. heug I, maar ook hier, veral hoërop, verw. onseker; tans in Ndl. en Afr. ’n relik, terwyl heugenis (wsk. m. nouer verb. m. heug I) nog dikw. gebr. word.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Heug. Dit woord heeft verschillende beteekenissen aangenomen en wel van: verstand, zin, lust, vreugde, herinnering; vandaar: tegen heug en meug (mogen = trek hebben in iets); zich verheugen, heuglijk, geheugen, heugenis.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

903. Tegen heug en meug,

d.w.z. tegen zijn zin; fri. tsjin heuch en meuch. Heug, mnl. hoge, heuge, beteekent opgewekte stemming, vroolijkheid, lust, en meug eveneens lust; vgl. Kil. Meughe, moghe, appetitus; teghen heughe en de meughe drinken, invito stomacho bibere; het mnl. en ndl. mogen = lusten (van spijzen). Eigenlijk vertegenwoordigt heug (vgl. got. hugs, verstand) de geestelijke en meug de lichamelijke zijde van de uitdrukking, en zijn beide woorden wel zinverwant, doch niet identisch. Langzamerhand is het verschil in beteekenis uitgewischt en thans worden ze als zoodanig opgevat; zie Tijdschrift VII, 311; Archief I, 213; Taalgids VIII, 215; Gunnink, 169; Joos, 48; Waasch Idiot. 287 b: tegen heug en meug of heug(e) tegen meug(e). In de 17de eeuw wordt de uitdr. o.a. aangetroffen bij Huygens VI, 254; Brederoo, Moortje, vs. 488; Winschooten, 298: het is teenemaal teegen mijn heug, en meug; Smetius, 154; enz.; zie ook Sewel, 776: Tegen heug en meug, against one's stomach; Tuinman I, 108; Harreb. I, 307; Ndl. Wdb. VI, 695; IX, 645.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal