Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kabas - (hengselmand)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kabas [hengselmand] {cabaes 1562} < frans cabas [vruchtenmand, boodschappenmand] < latijn capax [veel kunnende bevatten], van capere [nemen, ontvangen, opnemen, (kunnen) bevatten].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kabas znw. v. (zuidnl. ‘reismandje, hengselmand’, mnl. cabas, cabaes m. ‘hengselmand’ < fra. cabas ‘biezen mandje’ (sedert de 14de eeuw) < prov. cabas < vulg. lat. *capācium van capax ‘veelomvattend, ruim’. — Zie ook: karbies.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kabas v., uit Fr. cabas, wellicht uit Lat. capacem (-ax) = kunnende bevatten, van capere: cf. kas.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

kabas 1, kalbas, klabas, kallebas, kelebas, kebas, kelbas, kerbas, zn.: boodschappentas, handtas, schooltas. Vnnl. 1562 cabaes ‘cabas’ (Lambrecht), 1599 kabas ‘korf’ (Kiliaan). Fr. cabas, Prov. cabas < Ofr. cabas ‘uit biezen gevlochten korf voor vijgen en rozijnen’ < volkslat. capacius < capax, capacis ‘bevattend, inhoudend’ < capere ‘inhouden, bevatten’. Vgl. Ndl. karbies. Kal(le)bas, kelbas, kerbas met resp. l- en r-epenthesis. Afl. kabassen ‘arm aan arm gaan’, ook volksetymologisch en door epenthesis kalbassen. Wvl. kabazen, dat De Bo vergelijkt met Waals à cabas ‘bras dessus bras dessous’. De betekenis vanwege de ineengestrengelde armen, zoals bij het hengsel van een draagkorf.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

kabas, karbas, klabas, zn.: boodschappentas, handtas. 1562 cabaes ‘cabas’ (Lambrecht). Fr. cabas, Prov. cabas < Ofr. cabas ‘uit biezen gevlochten korf voor vijgen en rozijnen’ < volkslat. capacius < capax, capacis ‘bevattend, inhoudend’ < capere ‘inhouden, bevatten’. Vgl. Ndl. karbies. Karbas, klabas resp. met r- en l-epenthesis. Afl. kabassen ‘arm aan arm gaan’, ook volksetymologisch en door epenthesis kalbassen. Wvl. kabazen, dat De Bo vergelijkt met Waals à cabas ‘bras dessus bras dessous’. De betekenis vanwege de ineengestrengelde armen, zoals bij het hengsel van een draagkorf. Kabassen met de bet. ‘snoepen, smokkelen, achterhouden’ te begrijpen als ‘uit de kabas nemen, met de kabas meenemen’.

kalbas, kallebas, kollebas, zn.: boodschappenmandje, armkorf; schooltas, boodschappentas. Met epenthetische l uit kabas (zie i.v.) en ook volksetymologisch. Ook ww. kalbassen ‘arm in arm lopen’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

kabas (B, G, ZO), kaba (G, L, W), kallebas (B), zn. m./o.: boodschappentas, handtas. 1562 cabaes 'cabas' (Lambrecht). In het Gents ook overdr. (vulg.) 'vagina', b.v. 1722 kabaes en meer andere schandaleuse en injureuse woorden, Gent (LC). Het Eekloos maakt onderscheid tussen kaba 'tas' en kabasse 'armkorf'. Fr. cabas, Prov. cabas < Ofr. cabas 'uit biezen gevlochten korf voor vijgen en rozijnen' < volkslat. capacius < capax, capacis 'bevattend, inhoudend' < capere 'inhouden, bevatten'. De vorm kallebas met epenthetische l, mede beïnvloed door de peernaam kalebas. Vgl. Ndl. karbies. Afl. kabassen, kabazen 'jatten, heimelijk stelen', lett. 'in de kabas stoppen': 1629 ghestolen ofte ghecabaesde pasementen, Gent (LC).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

kabas korf met twee handvaten (Zuid-Nederland). « cat. cabas of « port. cabaz ‘id.’, of « fr. ~ cabas ‘rieten mand’ ‹ vulglat. capacîum.
NEW 292, Kroesels 174.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

cabas, zn., uitspr. kabas, ka’ba: boodschappentas, handtas. Fr. cabas, Prov. cabas < Ofr. cabas ‘uit biezen gevlochten korf voor vijgen en rozijnen’ < volkslat. capacius < capax, capacis ‘bevattend, inhoudend’ < capere ‘inhouden, bevatten’. Ook - met r-epenthesis - karbaas, vgl. Ndl. karbies.

kabeuze (D), zn. v.: boodschappentas. Contaminatie van kaba (zie cabas) en beuze < beurze ‘boodschappentas’; vgl. buzze (K).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

karba: groterige kan met mandjiewerk bedek, in S.A. is o.a. gedok. kabriesen (wsk. i.p.v. karbiesen), caaba en carabassen (Bosh VT en EWA) en in Ndl. en dial. o.a. kaba(as), karbaas en karbies, mntl. uit Port. caraba, wat soos Eng. carboy wsk. verb. hou m. Pers. kärābä/qarabah, Arab. kirba en Arab.-Pers. qirbah, “watersak v. vel”; v. ook kraffie.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kabas, kalbas ‘(gewestelijk) hengselmand’ -> Japans kaban ‘tas, valies, koffer’; Koreaans kabang ‘mand’ <via Japans>; Negerhollands kalbasch ‘mandje’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal