Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kans - (waarschijnlijkheid dat iets zal gebeuren; gunstige gelegenheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kans zn. ‘waarschijnlijkheid dat iets zal gebeuren; gunstige gelegenheid’
Mnl. misschien al in de eigennaam kanseken, met verkleiningsachtervoegsel [1292; CG I, 1817], dan canse ‘worp’ in hets recht, dat hi de canze boedt ‘het is billijk dat hij de worp verliest’ [1350-1400; MNW-R], ‘gunstige gelegenheid’ in doe wast verloren aerbeit, verzuumt so hadden si haer canze ‘toen was het verloren moeite, ze hadden kun kans gemist’ [1350-1400; MNW-R]; nnl. kansen ‘waarschijnlijkheid dat iets zal gebeuren’ in als daar twee speelders zyn A en B, die ider evenveel kanssen hebben om een zeeker spel te winnen [1716; WNT], de kans of de waarschijnlijkheid om ... [1903; WNT].
Ontleend aan de Picardische variant cance van wat in het standaardtalige Frans tot chance evolueerde; met syncope van de -d- en samentrekking ontwikkeld uit Latijn cadentia ‘worp in het bikkelspel’ en algemener ‘val’, bij het ww. cadere ‘vallen’.
Latijn cadere ‘vallen’ is verwant met Sanskrit śad- ‘vallen’; bij de wortel pie. *ḱeh2d-.
In het Oudfrans verschijnt nog de rechtstreeks met het Latijn vergelijkbare betekenis ‘dobbelsteenworp’, maar hieruit gegeneraliseerd ook al ‘toevallige gebeurtenis’ en in het bijzonder ‘gunstige toevallige gebeurtenis, gunstige gelegenheid’, de betekenis die ontleend werd door het Nederlands. In het Nieuwfrans begon men de meervoudsvorm chances ‘mogelijkheden voor een gunstig voorval’ te gebruiken als ‘waarschijnlijkheid dat iets zal gebeuren’, en ook dit gebruik werd overgenomen door het Nederlands. In het Nederlands nam het enkelvoud kans later de abstracte betekenis van het meervoud over. In constructies waarbij de mate van de waarschijnlijkheid een ondergeschikte rol speelt, kan nog steeds het meervoud voorkomen: de kansen keren, wisselende kansen, gelijke kansen.
Hetzelfde Latijnse woord cadentia dat aan kans ten grondslag ligt, is later nog tweemaal ontleend: via het Italiaans als → cadens en via het Italiaans en het Frans als → cadans; en zie ook → sjans.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kans [waarschijnlijkheid] {canse, kans [gelukkige worp bij het dobbelen, toeval] 1350} < picardisch cance, oudfrans chance, van latijn cadere [vallen (van de dobbelstenen)] (vgl. cadens).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kans znw. v., laat-mnl. canse ‘gelukkige worp bij dobbelspel; gelukkig toeval’ < pikard. cance = ofra. cheance = lat. cadentia van cadere ‘vallen’. Uitgangspunt van de bet. is dus wel ‘het vallen van de dobbelstenen’. Daarnaast mnl. ook ‘maat, cadans’, met dezelfde bet. dus als cadans. — > mnd. kanze, kanse ‘goede gelegenheid, kans’.

Daarentegen is mhd. schanz(e) worp of inzet bij het dobbelspel, toeval, geluk’, evenals ne. chance uit het fra. chance ontleend.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kans znw., later-mnl. canse v. “gelukkige worp, gelukkig toeval, kans” (“maat, cadans”. Rose). Ontl. uit een pic. cance “id.” = fr. chance (< lat. cadentia van cadere “vallen”; vgl. cadans). Uit ’t Centraalfr. eng. chance “toeval, geluk, kans”, mhd. schanz(e) v. “id., dobbelspel, worp hierbij, inzet hierbij”. Mnd. kanze, kanse v. “(goede) gelegenheid, kans” komt wsch. uit ’t Ndl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kans v., uit Pic. canche, Fr. chance, van Mlat. cadentiam (-ia) = geval, gelukkig geval, een afleid. van ’t teg.d. van Lat. cadere = vallen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kans (de, -en), (i.h.b.:) kwade kans, kans op mislukking, risico. Je moet zelf maar weten of je in de rivier gaat zwemmen. Je neemt een kans. - Etym.: In AN alleen in de uitdr. ’de kans lopen, dat...’. E chance heeft bovengenoemde bet. vaak, bijv.: I’m taking no chances = ik neem geen risico.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kans (Picardisch cance)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kans, van ’t Fr. chance en dit van ’t Lat. cadentia = gelukkig toeval, van ’t Lat. cadere = vallen, zooals de dobbelsteen enz. valt.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

kansen. - Naar fr. les chances; in ’t Nederlandsch past in een zin als den hieronder aangehaalden alleen het enkelvoud. || Hunne verbonden legers (nl. van Oostenrijk en Pruisen) vielen in Frankrijk en het gelukte hun eenige zegepralen op de Fransche troepen te behalen. Doch de kansen keerden; eerlang werden zij uit Frankrijk verdreven, G. BERGMANN, Gedenkschr. 8.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kans ‘waarschijnlijkheid, goede gelegenheid’ -> Deens † kans ‘goede gelegenheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds kans ‘goede gelegenheid’; Indonesisch kans ‘waarschijnlijkheid, mogelijkheid’; Ambons-Maleis kans, kansi ‘waarschijnlijkheid, gelegenheid’; Jakartaans-Maleis kans ‘een kans om (in het spel) te winnen’; Kupang-Maleis kans ‘gelegenheid, mogelijkheid’; Petjoh kans maken ‘naar de gunsten van een meisje dingen, verkering willen hebben’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kans waarschijnlijkheid 1350 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal