Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kapen - (overvallen en bemachtigen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kapen ww. ‘overvallen en bemachtigen’
Vnnl. eerst in de vaste verbinding ter kaep vaeren ‘kapen’ [1612; WNT kaap III], dan kapen ‘geoorloofd aanvallen en beroven’ in hebben hare Hoogh Mog: Commissien uytgedeelt ... om op d'Engelse te kapen ‘hebben de Staten Generaal toestemming verleend om op de Engelsen te kapen’ [1652; WNT], dat wy onderscheid gewoon zijn te maaken, tussen kaapen en rooven: te weeten, dat kaapen is, met oorlof van den Prinse van den Lande der Vyanden Scheepen en Goederen te neemen op See, of elders op de Stroomen: maar rooven is sonder verlof Vrienden en Vyanden afbreuk doen [1681; WNT]; nnl. kapen ‘wederrechtelijk overmeesteren van een vliegtuig’ [1974; Koenen], later ook van andere vervoermiddelen [1975; van Nierop].
Herkomst onzeker. Gezien de datering is het zn. kaap ‘het kapen’ wrsch. primair en het werkwoord kapen daarvan afgeleid. De enige acceptabele verklaring voor kaap is ontlening aan Oudfries kāp ‘koop, handel’, afleiding van kāpia ‘kopen, handelen’, verwant met → kopen. Buiten het Nederlands is het woord alleen bekend als ontlening.
Uit het Nederlands ontleend: Duits Kaper ‘kaper (als historisch begrip)’ en de afleiding kapern ‘kapen (als historisch begrip), wegkapen’; Engels caper ‘kaper’ [alleen 17e-18e eeuw; OED] (nu privateer), Zweeds kapare ‘kaper’ en het ww. kapa.
In oorlogstijd was het geoorloofd met een eigen vaartuig de handelsschepen van de vijand aan te vallen en te beroven van hun koopwaar, zoals de citaten uit 1652 en 1681 illustreren. Deze roof op zee stond bekend als kaapvaart en werd van hogerhand toegestaan middels de uitgifte van kaper- of commissiebrieven. De gekaapte goederen mochten openlijk verhandeld worden, kaap kan dus worden beschouwd als benaming voor de op deze manier gevoerde ‘koophandel’.
Uit de oorspr. betekenis ontwikkelde zich een overdrachtelijke, met name in de afleiding wegkapen ‘heimelijk wegnemen’ [1808; WNT weg II]. Het werkwoord kapen en de afleidingen kaper en kaping zijn sinds de jaren 1960 herleefd door vliegtuig- en treinkapingen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kapen [overmeesteren] {1652} waarschijnlijk < fries kapia [kopen]; ook is wel gesuggereerd ontlening aan latijn capere [nemen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kapen ww., zal wel uit fri. cāpia ‘kopen’ stammen, afgeleid van cāp ‘koop’. Het woord diende dan als een euphemisme voor ‘zeeroof plegen’ en kan een herinnering bewaren aan de vroegere tijd, toen de koopvaarder, wanneer de kans schoon was, ook als zeerover optrad. Daarnaast kan de bijgedachte aan kaap 1 van invloed geweest zijn: het varen van kaap tot kaap om uitkijk te houden naar de aanzeilende schepen. Dan is echter ook te denken aan het ww. kapen ‘uitkijk houden’, dat onder kaap 2 behandeld ís (vgl. van Lessen Ts. 61, 1942, 213-228).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kaap II (ter k. varen), en het ww. kapen, waarvan het — in verschillende talen ontleende — znw. kaper, nog niet bij Kil., worden wel van ofri. kâp m. (= ndl. koop) afgeleid: deze woorden zouden dan oorspr. van handelsschepen, die het recht van kaapvaart hadden, gebruikt zijn. Of hebben wij met een (oorspr. schertsende?) ontl. van lat. capere “nemen, pakken” te doen?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kaap 3 v. (het vrijbuiten), + Ndd. id., van kapen, eigenl. Fri. vorm van koopen; voor de bet. cf. buit, buiten. Uit Ndl. kaper komt Fr. capre = kaapschip.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

kaap ww.
1. In 'n oorlog ter see beslag lê op 'n skip en goedere van die vyand, of 'n skip en goedere deur seerowery buitmaak. 2. (ongewoon) In oorlogstyd met toestemming van die regering en met jou eie vaartuig jag maak op vyandelike skepe. 3. (geselstaal; skertsend) Stilletjies laat verdwyn. 4. Die kontrole van iets, veral 'n vlieg- of voertuig, oorneem.
In bet. 1, 2 en 3 uit Ndl. kapen (1665 in bet. 1, 1781 in bet. 2, 1864 in bet. 3). Bet. 4 het in Afr. self ontwikkel.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kaap II: jag maak op handelskepe; seerowery bedryf (y./AT s.v. kaap2); Ndl. kapen waarby gedink word aan kaap I (nl. v. kaap tot kaap vaar); aan verb. m. Mnl. s.nw. cape, “uitkyktoring” (by ww. capen, “uitkyk”) en aan verb. m. Ofri. kāp ( = Ndl. koop) en Eng. keep, “beskut”, selfs bevraagteken of mntl. verb. m. Lat. capere, “gryp” – almal in ’n mate onseker.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kapen (Oudfries kāpia)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kapen ‘kaapvaart uitoefenen, overmeesteren’ -> Engels † cape ‘kaapvaart uitoefenen, overmeesteren’; Schots † cape ‘kaapvaart uitoefenen, overmeesteren’; Duits kapern ‘kaapvaart uitoefenen, overmeesteren’; Deens kape ‘kaapvaart uitoefenen, overmeesteren’; Noors kapre ‘kaapvaart uitoefenen, overmeesteren’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds kapa ‘overmeesteren, veroveren; inpikken’; Fins kaapata ‘overmeesteren’ <via Zweeds>; Pools kaperować ‘kaapvaart uitoefenen, overmeesteren’; Lets kaperēšana ‘overmeesteren, veroveren; inpikken’ (uit Nederlands of Duits); Litouws kaperiauti ‘overmeesteren, veroveren; inpikken’ (uit Nederlands of Duits); Esperanto kaperi ‘zich vijandige koopvaardijschepen toe-eigenen’ <via Duits>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kapen overmeesteren 1652 [WNT] <Fries

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

g̑ā̆b- ‘schauen, ausschauen nach’?

ergäbe sich, wenn man mit Zupitza Gutt. 194 aisl. kōpa () ‘starren, gaffen’, ags. cǣpan ‘beobachten, ausschauen nach, sorgen für, schützen’, ablautend ags. capian up ‘aufblicken’, asächs. upcapen ‘eminere’, mnd. kapen ‘gaffen, schauen’, mhd. kaffen ds., ahd. (mit Intensivgemination) kapfēn ‘schauen, spähen’ (daraus rückgebildet ahd. kapf ‘Ort, von dem manausschaut, Gipfel’) und ahd. ūfkepfen ‘aufschauen’ zu russ. zabota ‘Sorge’, zabotitь śa ‘sich sorgen machen, sich bekümmern’ stellen dürfte.
Alles ganz unsicher. Der Ansatz einer Wurzel, die mit unaspirierter Media an- und auslautet, hat von vornherein wenig Wahrscheinlichkeit für sich (vgl. Meillet Introduction7 173 f.).

WP. I 530.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal