Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

karboeger - (iemand van gemengd bloed)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

karboe’ger (de, -s), (veroud.) persoon (i.h.b. man) geboren uit een negerin en een mulat of uit een mulattin en een neger, dus ¾ neger en ¼ blank. De zorg en verpleging zijner gevangenen had hij aan Archibald opgedragen, een zeventienjarigen Karboeger, dien James hem voorgesteld had als zijn kweekeling (van Schaick 1866: 84). - Etym.: Oudste vindpl. Hartsinck 1770: 811 (Caboeger). Vgl. ’caboclo’ (Port.) in Brazilië en ’cabukru’ in Guyana (D.g.f. 18): halfbloed van blanke en Indiaan. Tegenwoordig (volgens Woordenl. SNE) S kaboegroe (bn.) = gemengdbloedig. NB de mening van Veth (1889: 104): Eigenlijk zijn de Karboegers een stam van Indianen, die de oevers van de Tibiti-rivier, een zijtak van de Coppename, bewoont. Deze Karboeger-Indianen* onderscheiden zich van de andere Indiaansche stammen door een donkerder huidskleur en gekroesd haar. Zij zijn blijkbaar een gekruist ras, en men beweert dat zij afstammen van Caraïben*, die van een gestrand schip de mannen gedood en de vrouwen weggevoerd hebben. Deze schr, veronderstelt verder, dat men in Paramaribo een persoon die ¾ neger en ¼ blanke is, k. noemde, omdat deze nog het meest op een ’Karboeger-Indiaan’ leek. - Syn. sambo*. Zie ook: mesties*, kasties*, poesties*, testies*; Creool*, neger*; dogla*.
— : Indiaan’se karboe’ger, (veroud.) persoon (i.h.b. man) geboren uit een Indiaan(se) en een neger(in), dus ½ Indiaan en ½ neger, AN zambo. De Indiaansche Karboegers () zijn ongemeen schoon en veelal grooter en sterker, dan de Indianen en de Negers zelve zijn (Teenstra 1835 II: 161; oudste vindpl.). - Syn. karboeger-indiaan* (1).

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

Karboeger [iemand van gemengd bloed]. Een bijzondere soort van kleurlingen wordt in Suriname door de naam van Karboeger aangeduid. Eigenlijk zijn de Karboegers een stam van Indianen die de oevers van de Tebiti-rivier, een zijtak van de Coppename, bewoont. Deze Karboeger-Indianen onderscheiden zich van andere Indiaanse stammen door een donkerder huidskleur en gekroesd haar. Zij zijn blijkbaar een gekruist ras, en men beweert dat zij afstammen van Caraïben die van een gestrand schip de mannen gedood en de vrouwen weggevoerd hebben. Te Paramaribo geeft men de naam van Karboegers aan kinderen van negers en mulattinnen of negerinnen en mulatten, die dus drie vierde negerbloed hebben en een terugtred tot het zuiver zwarte ras maken. Zij heten waarschijnlijk zo omdat hun carnatie [huidskleur] het meest met die van de Karboeger-Indianen overeenkomt. Zie over hen Van Sijpesteyn, Suriname, p. 161, en dr. Dumontier in Catalogus der afdeeling Nederlandsche Koloniën, groep I, p. 151. [Zie ook neger.] [V]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal