Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kloot - (houten bal; teelbal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kloot zn. ‘houten bal; teelbal’
Mnl. cloet ‘bol, klont’ [1240; Bern.], te gader gedruct in enen cloet ‘samengedrukt tot een klont’ [1276-1300; VMNW], ‘bal, bol, kogel’ in geselen ... met starcken geknochtden rimen ende met blien cloten ‘gesels met sterke geknoopte riemen en loden bollen’ [1290-1310; MNW bliën], i.h.b. ‘(speel)bal’ in tsollen, scaecspel ende met cloeten rollen ‘kolven, schaakspel en met ballen rollen’ [1340-60; MNW-P], en ‘munitie’ in loden cloten ... stienen cloten ‘loden kogels, stenen kogels’ [1419; MNW]; vnnl. clooten ‘zaadballen’ [midden 16e eeuw; WNT], clootkens (verkleinwoord) ‘id.’ [1567; Nomenclator, 37a].
Ohd. klōz ‘klomp, homp, massa, houtblok e.d.’ (mhd. klōz, zie → klos; nhd. Kloß ‘klomp, knoedel’); ofri. klāt ‘hoop (turf)’ (nfri. kloat ‘bal’, kloet ‘vaarboom’, ontleend aan het nnl.); me. cleete ‘stevige klomp hout, wig’ (ne. cleat ‘wig, klamp’); nzw. klot ‘kluit, klomp’; < pgm. *klauta-.
Daarnaast staat ablautend (nultrap) pgm. *klutta-, waaruit: ohd. kloz ‘houten tap, spon’ (nhd. Klotz ‘houtblok’); oe. clott, clot ‘kluit, klont’ (me. clot met nevenvorm clod, later met betekenisdifferentiatie ne. clot ‘klont’ en clod ‘kluit’). Met lange klinker horen hierbij ook pgm. *klūta- en *klūda-, zie → kluit. Een genasaliseerde, maar jonge en weinig verspreide vorm is te vinden in pgm. *klunta-, zie → klont.
Herkomst onduidelijk. De bovengenoemde Germaanse stammen hebben min of meer dezelfde grondbetekenis en horen wrsch. bij elkaar. Op Indo-Europees niveau zijn deze varianten moeilijk te verklaren en mogelijk verwante woorden bestaan slechts in het Balto-Slavisch: Litouws glaũsti ‘aandrukken, samentrekken’ (presensstam glaud-), Russisch glúda ‘klomp, kluit’, Sloveens glûta, glúta ‘klont, gezwel’. Misschien zijn deze woorden dus afkomstig uit een voor-Indo-Europese substraattaal. Verband met → kluwen is onwaarschijnlijk.
Mnl. cloot was een algemeen woord voor een rond voorwerp. In het Vroegnieuwnederlands was kloot met name bij verschillende balspelen het gewone woord voor ‘(speel)bal’. In het hedendaagse Nederlands herinnert de spelnaam klootschieten [1628; WNT klootschieten] daar nog aan. Maar de algemene betekenis, vooral in het meervoud kloten, is nu meestal ‘zaadballen’. Op deze betekenis gaan enkele van onderstaande samenstellingen en afleidingen terug.
klootzak zn. ‘rotzak’. Vnnl. kloot-sack ‘balzak’ [1644; WNT]; nnl. klootzak (BN) ‘bedrieger’ [1914; Van Dale], ‘sul’ [1920; WNT], “... thans alleen als plat scheldw. voor: ezel, sukkel” [1950; Van Dale]. Samenstelling van kloot en → zak, met een betekenisontwikkeling tot scheldwoord zoals ook vele andere namen van geslachtsdelen. ♦ klote bn. ‘ellendig, beroerd’. Nnl. toch klote [1975; WNT Aanv.], in samenstellingen als kloteweer ‘heel slecht weer’ [1974; Koenen]. Het zn. kloot als tussenwerpsel of als bn. gebruikt. ♦ kloten ww. (NN) ‘zaniken, klieren’, (BN) ‘bedriegen, pesten’. Nnl. in dieë jongen zit overal aan te klooten ‘... te knoeien’ [1900; WNT], gij wilt mij 'en bijte klooten ‘je wilt me een beetje voor de gek houden’ [1900; WNT], ‘zaniken, zeuren’ [1974; Koenen]. Afleiding van kloot. ♦ aardkloot zn. ‘aardbol’. Vnnl. den cloot ofte masse vander weerelt [1567; WNT], alle delen des aarden kloots [1618; WNT], aerdtcloot [1629; WNT]. Samenstelling van → aarde ‘wereld’ en kloot ‘bol’. ♦ klootjesvolk zn. ‘gepeupel, het gewone volk’. Vnnl. dit klootjes volck vande vesten, of uyt de slopjes ‘dit klootjesvolk van de wallen of uit de sloppen’ [1612; WNT vest II]. Samenstelling van het verkleinwoord van kloot en → volk. De betekenis van het eerste lid is niet duidelijk. Vnnl. kloot ‘onbeduidend persoon’ is een zeldzame betekenis; WNT denkt daarom aan kloot ‘zaadbal’, hetzij in de zin van ‘iets waardeloos in het algemeen’, hetzij dat klootjesvolk een schimpnaam van intellectuelen was voor ‘volk dat alleen voor het seksuele leeft’. Een vierde mogelijkheid is verwijzing naar de woonomstandigheden: ‘volk dat op een klootje/kluitje, in de dichtbevolkte wijken leeft’, vergelijkbaar met steegjesvolk en vestjesvolk ‘het arme volk uit de steegjes resp. uit de buurt van de stadswallen’, termen met een oudste attestatie bij dezelfde auteur (Bredero) als klootjesvolk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kloot* [(teel)bal] {cloot [klomp, kluit, bol, bal, kogel] 1201-1250} middelnederduits klot [(ook) teelbal], oudhoogduits klōz, oudfries klāt, oudengels cleat [klamp]; ablautend met kluit1, met t afgeleid van de stam van kluwen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kloot znw. m., mnl. cloot m. ‘klomp, kluit, bol, bal, teelbal, kogel’, mnd. klōt m. ‘klomp, kluit, bal, teelbal’, ohd. chlōʒ, ‘klomp, kluit, bal, bol’, oe. clēat ‘klamp’. — Germ. *klauta, gaat terug op idg. *gleud-, gloud-, vgl. russ. glúda ‘klomp, kluit’, lit. glaudžiù, glaũsti, lett. glaũst ‘iets nauw tegen iets aanvlijen’. — Behoort tot de onder kalf 1 behandelde groep.

Abl. zijn verder germ. *klūta, waarvoor zie: kluit en *klŭtta, vgl. mnl. clotte ‘kluit, klomp’, mhd. kloz m. o. (nhd. klotz) ‘kluit, klomp, blok’, ne. clot ‘kluit, klont’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kloot znw., mnl. cloot m. “klomp, kluit, bol, bal, teelbal, kogel”. = ohd. chlôʒ m. “klomp, kluit, bal, bol” (nhd. kloss), mnd. klôt m. “id., teelbal”, eng. cleat “klamp”: wgerm. *klauta-, ablautend met kluit I. Een t- (idg. d-)afl. van de basis van kluwen: vgl. russ. glúda “klomp, kluit”. Een derde ablautvorm is nog mnl. clotte, Kil. klot(te) “kluit, klomp” (nog dial.), mhd. kloz m. o. “id., blok” (nhd. klotz m.), eng. clot “kluit, klonter” uit *gludnó-, of *gludon-, *gludn-. Volgens sommigen is oi. gola- “kogel, bol” uit *gloda- ontstaan en identisch met kloot. Vgl. ook lit. glaudùs bij kluwen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kloot. Adde: ofri. klât m. ‘kluit, klomp’, en bij de ablautvormen mnl. clotte enz.: ags. clott ‘klomp, massa’; voor de idg. grondvormen * gludnó- enz. vgl. bakken Suppl. 1e alin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kloot m. (klomp, bal), Mnl. cloot + Hgd. klosz, Eng. cleat: z. kluit.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kloet (zn.) zaadbal; Nuinederlands cloot <1550>.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

kloet, kloot, zn.: klomp, aardkluit (met de spade afgestoken), lomperd. Hetzelfde woord als kloot ‘klomp, bal’. Zie ook klod.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

kloet(e) 2 zn.: klomp, aardkluit (met de spade afgestoken); lomperd, onbehouwen man. Hetzelfde woord als kloot ‘klomp, bal’. Zie ook klodde. Afl.: bn. kloetig ‘bonkig, onbehouwen’.

klote zn. v.: handvat (van spa b.v.). Hetzelfde als kloot ‘klomp, bal’, naar de ronde, bolle vorm. Vgl. kloete, klodde.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

kloet (G), zn. m.: klomp, aardkluit (met de spade afgestoken), houten blok, lomperd. Hetzelfde woord als kloot 'klomp, bal'. Zie ook klod(de).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

kloet (DB), zn. m.: klamp, stuk hout om een staak te verlengen en te steunen. Hetzelfde woord als kloot ‘klomp, bal’.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kloot: vervelende, saaie, onaangename vent. In oude kluchten wordt dit woord veelal in samenstellingen aangetroffen: een arme, domme, saaie enz. kloot.

Kloot, (stud.), vervelend, onaangenaam of onbeduidend mensch. (Taco De Beer & Dr. E. Laurillard, Woordenschat, 1899)
Ofwel zijt gij een geslepen leugeneer, ofwel zijt gij de onnoozelste kloot die hier ooit in den amigo gezeten heeft. (Ernest Claes, Kobeke, 1933)
Nu rest hem het isolement, weg van de domme kloten. (Vrij Nederland, 30/08/2003)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

kei. Voor Vlaanderen kent Mullebrouck (1984) de verwensing kus mijn kei! Met de letterlijke betekenis van kei ‘rolsteen’ heeft deze verwensing niets te maken. Kei is hier gebruikt in de zin van kloot. De verwensing drukt minachting uit en kan weergegeven worden met ‘je kunt mij wat, maak dat je wegkomt’.

klos. Een correspondent uit Mechelen maakt melding van mijn klos kust ze! Het gaat hier om een uitroep van minachting. Die letterlijke betekenis van klos is ‘teelbal’. Die betekenis is verzwakt tot ‘ga weg, donder op’.

kloten. In het hedendaags Nederlands betekent het werkwoord kloten ‘leuteren, vervelend zijn’ of ‘bedriegen, foppen’. Die betekenis treffen wij niet aan in de West-Brabantse verwensing ze moesten je kloten! Ik ga voor de letterlijke betekenis van dat kloten uit van ‘iemand van zijn kloten, ballen beroven’. De emotionele betekenis van de verwensing duidt op minachting en kan weergegeven worden met ‘donder op’. → breken, schop.

kloot. De verwensing dat hij naar de kloten loopt! geeft uitdrukking aan een wens of verlangen van de spreker. Je kunt van mijn part naar de kloten lopen drukt afkeer en minachting uit, getuige ook de betekenis ‘bekijk het maar, je kunt me wat’. Hetzelfde geldt voor kus(t) mijn kloten!; je kunt mijn kloten kussen! en voor krijg de krampen in je/uw kloten!, een verwensing die vooral in Vlaanderen veel gebruikt wordt. Voor Mechelen werd nog opgegeven mijn kloten kust ze! Andere Vlaamse varianten zijn volgens Mullebrouck (1984): kus(t) de bok zijn kloten!; ge zijt een mooie kloot, maar ge moest onder een ezel hangen! en kus(t) de kloten van Herodes, ze hangen achter Pilatus’ deur! In de verwensing loop naar de klote!, die ons opgegeven werd door een correspondent uit Gent, ligt het voor de hand aansluiting te zoeken bij de betekenis van klote- in samenstellingen als klotewijf en klotevent. Klote- betekent daar ‘vervelend, onaangenaam’, loop naar de klote! betekent dan zoveel als ‘loop naar iets onaangenaams, bijvoorbeeld naar de verdoemenis’. Als uitroep komt ook vaak voor klote! De emotionele waarde ervan is gelijk aan die van kut. In De kleine blonde dood [1985] van Boudewijn Büch komt voor de hele wereld kan de kloten krijgen! Mullebrouck (1984) kent voor Vlaanderen mijn kloten pieroo! Wat Pierrot, de hansworst, hier doet is niet duidelijk. Waarschijnlijk gaat het om de klankexpressieve waarde van het woord. De emotionele betekenis kan weergegeven worden met ‘bekijk het maar, rot op’. In geval van woede wenst men zijn vijanden uit minachting alle kwalen van de wereld toe. Dat blijkt eens te meer in een variant van het verwensingsvers stik, verrek, verrot, verteer enz. Daarin komt de regel voor val in sloten, breek je kloten, sterf! Deze verwensing maakt lawaai als waanzinnig geworden aardewerk. Courant zijn niet alle verwensingen die Mullebrouck voor Vlaanderen opgeeft. Onderzoek in 1999 onder 111 Vlamingen leerde bijvoorbeeld dat slechts 9 zegslieden kust de kloten van Herodes, ze hangen achter Pilatus’ deur! kenden, terwijl 11 vertrouwd zijn met ge zijt een mooie kloot, maar ge moest onder een ezel hangen!doodvallen, hangen, hond, klos, kramp, kunnen, kussen, kut, lepra, lopen, Mina.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kloot ‘bal, bol, kluit; teelbal; knop boven op een mast’ -> Fries kloat ‘bal’; Duits Klöten ‘teelballen’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens klod ‘planeet, de aarde’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors klode ‘hemellichaam, planeet’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds klot ‘bal, bol’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins klooti ‘bal, bol’ <via Zweeds>; Frans dialect clotet ‘bal van modder of sneeuw, die zich tijdens het lopen onder de hak vormt’; Russisch klot, klótik ‘vlaggenknop van een mast’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kloot* teelbal 1550 [WNT]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

kloten hebben, informeel voor ‘durf, lef hebben’. Oorspronkelijk alleen van toepassing op personen, nu ook op zaken (film; muziek enz.).

Deze film is veel affer. En hij heeft nog steeds kloten. (Haagse Post, 13/05/89)
We maken ook een krant met kloten. (Elsevier, 21/03/98)
Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

gel-1 ‘ballen, sich ballen; Gerundetes, Kugeliges’ usw.

Belege für die unerweiterte Wurzelform sind selten und z. T. sehr unsicher:
Ai. gula-ḥ, gulī (Lex.), gulikā ‘Kugel, Ball, Perle’, gúlma- m., n. ‘Geschwulst, Busch’ (zum -ul- vor Kons. s. Wackernagel Ai. Gr. I 30); mit n-Suffix ai. guṇikā (Lex.) ‘Geschwulst’;
gr. redupl. γαγγλίον n. ‘Geschwulst, Überbein’;
lat. galla f. ‘Gallapfel’ als ‘kugeliger Auswuchs’ aus *gel-nā oder *gol-nā; daraus entlehnt ags. gealla, gealloc, nhd. ‘Gallapfel’;
alb. gogëlë ‘Kugel, Ball; Gallapfel’ (*gel-gal-nā);
älter holl. kal ‘Kern in Äpfeln und Birnen’; schwed. dial. kalm ‘Steinhaufen’;
aksl. žьly (žely) ‘Geschwür’, bulg. želka ‘Drüse, Geschwulst’, russ. žolvь, žolvúj, želvak ‘Beule’, čech. žluna, žluva ‘Geschwulst’, klr. žolá ‘Erdnuß, Erdeichel’; poln. gleń, glon ‘Klumpen, Stück Brot’.
A. Gutturalerweiterungen:
gel-g̑-:
Gr. γέλγῑς f., Gen. γέλγīθος (auch γέλγιος und -ιδος), Pl. γέλγεις ‘Knoblauchkern’ (wenn nicht wegen ἄγλῑς, -ῑθος ‘Knoblauchkopf’ = *ἁ-γλῑθ- ‘aus Teilknöllchen, Zehen zusammengesetzt’ aus redupl. *γελ-γλῑθ- dissimiliert; doch vgl. auch:) ai. gr̥ñja-ḥ, gr̥ñjana-ḥ ‘Art Knoblauch’, vielleicht auch gr. γέλγη Pl. ‘Trödelwaren’ (wenn etwa ‘Rundwaren, Knöllchen’, vgl. nhd. Kurzwaren);
schwed. kälk ‘Mark im Holz’ (‘Markkügelchen’), mengl. kelkes ‘ova of fishes’, colk, colke ‘Apfelkern’.
Die folgenden nur germ. (und kelt.?) Wortgruppen (idg. gleg̑-, glog̑-?) mit ihren expressiven Verschärfungen und Nasalierungen machen keinen idg. Eindruck, so
glek- in anord. kleggi (*klagjan-) ‘Heuhaufen’, nasaliert nhd. mdartl. (siebenbg.) heu-kling, kläng ‘Heuhaufen’, klang, klinge ‘kiesige seichte Stelle im Fluß, Sandbank’; ags. clingan ‘sich zusammenziehen, einschrumpfen’, engl. cling ‘sich anklammern, festhalten; haften’, anord. klengiask ‘auf jemand eindringen’ (‘*sich anklammern’), mhd. klingen ‘klettern’ (mit Kons.-Schärfung nhd. dial. klinken ‘sich anklammern’), ahd. klinga, nhd. Klinge ‘enge Schlucht, Klamm’, wozu mit gramm. Wechsel (also idg. *gle-n-k-) engl. clough (= ags. *clōh aus *klanh-) ‘steile Klamm’, ahd. Clāh-uelde; ahd. klunga ‘Knäuel’, Demin. klungilīn, nhd. Klüngel ds., schwed. klunga ‘gedrängter Haufen, Masse’, klänga ‘klettern’, anord. klungr (*klung-ra-, -ru-) ‘Dornbusch, Hagebutte’;
mit germ. -k- (z. T. idg. g, z. T. germ. Kons.-Schärfung) anord. klaki ‘gefrorene Erdkruste’, klakkr ‘Klumpen, Wollklumpen, Klecks, Wölkchen’, mhd. klak ‘Fleck, Klecks’; ags. clyccan ‘packen, greifen’ (engl. clutch), zu afries. kletsie ‘Spieß’, schwed. klyka (*klykja) ‘Klammer, Gabel’;
dazu (?) das auf urkelt. kk weisende mir. glacc, nir. glac ‘Hand’, glacaim ‘erfasse’;
nasaliert norw. dial. klank und klunk ‘Klumpen’, mhd. klungeler f. ‘Troddel’, glunkern ‘baumeln’, nhd. Klunker ‘Kotklümpchen, Schleimklümpchen, Augenbutter’ (ist aus ähnlicher Bed. des Unreinlichen vielleicht auch anord. klǣki n. ‘Schmach, Schande’, ags. clacn ‘Beleidigung’ geflossen?);
ndd. klinken ‘in Falten legen, einschrumpfen’, klinksucht ‘Schwindsucht’, mhd. klinke ‘Türklinke’, ahd. klenken (*klankjan) ‘schnüren, binden’, ags. be-clencan ‘festhalten’, engl. clench, clinch ‘(die Faust) ballen; umfassen; nieten’, mhd. klank ‘Schlinge; List, Ränke’.
Auf idg. gleg̑- weisen jedoch wohl russ. ksl. glez-nъ, -na, -no ‘Knöchel’, poln. glozna ds. und dehnstufig russ. glazokъ ‘Kügelchen’, glazъ ‘Auge’, poln. głaz ‘Stein, Fels; Steinchen’, głazný ‘glatt, geschickt’ (vgl. Berneker 301 m. Lit., Persson Beitr. 792);
Zupitza (KZ. 36, 236) stellt mhd. kluoc(-g) ‘klug, schlau, höflich, zierlich’ (germ. *klōʒa-), mnd. klōk (germ. *klōka-) ‘klug, listig, gewandt’ zu air. glicc (nir. glic erweist urkelt. kk) ‘sapiens’; ursprüngl. ‘wie eine Kugel so glatt und so beweglich’??
B. Dentalerweiterungen:
gel-t-: zunächst (als ‘Anschwellung - Mutterleib - fētus’, wie unten bei Kalb, kilburra): ai. jaṭháram ‘Bauch’, jarṭú- ‘Gebärmutter’; allenfalls ai. guṭikā ‘Kügelchen, Pille, Perle, Trinkbecher’ (eher dial. aus guḍikā ds.);
got. kilþei f. ‘Mutterleib’, in-kilþō ‘schwanger’, ags. cild n. ‘Kind’, engl. child.
Mikkola BB. 21, 225 verbindet auch scheinbar schwundstuf. schwed. kolla, kulla ‘Mädchen; Weibchen bei einigen Tieren’ (*kulþ-) mit kilþei; über aschwed. kolder ‘Kinder aus einer Ehe’ s. Lidén IF. 19, 335 und Wz. gol-.
*gle-t- vielleicht in ksl. glota ‘turba’, serb. glȍta ‘Familie (Weib und Kinder); arme Leute; Unkraut; Unsauberkeit, Schmutz’?
Wegen der Unsicherheit des ai. Beispiels sind die folgenden, nur im Germ. sicher belegten Wortgruppen (idg. *gel-d-, *gle-d-?) nichtidg. Herkunft verdächtig:
mit der Bed. des Tierjungen ai. gaḍi-h, gali-ḥ ‘junger Stier’ (?);
dazu tiefstufig ags. colt ‘Junges von Tieren’, engl. colt ‘Füllen’?;
aisl. kialta, kilting ‘Bausch, bauschige Falte des Kleides’, norw. dial. kult ‘Holzstumpf, Bergknollen, plumpe dicke Figur’ (schwed. auch ‘halberwachsenes Ferkel’, vgl. oben ags. colt);
nasaliert (*glend-) aschwed. klinter ‘Berggipfel, Bergknollen’, aisl. klettr ‘Fels, Klippe’, mnd. nnd. klint ‘Fels, Klippe’, ndd. klunt, klunte ‘Klumpen, Haufen; dickes Weib’ = nhd. dial. klunze, ndd. klunter ‘Klümpchen von Kot oder Mist’ (daneben mit germ. d ndd. klunder ‘Büschel, Haufe’, norw. klundra ‘Knorren, Knoten’ u. dgl.);
westfäl. klǣtern (as. *klātirōn) ‘klettern’ (eigentlich ‘kleben oder sich fest anklammern’), ndd. klāteren, klatteren ds., nnd. klāter m. ‘festhaftender Schmutz’; mit ō mndl. holl. cloet, kloet ‘Stock; Ball, Knauf des Schwertes’ (spätanord. klot ‘Schwertknauf’ ist Lw. aus mnd. klōt = nhd. Kloß);
mit expressivem -tt-: mnd. klatte ‘Lappen’ = nhd. dial. klatz ‘Schmutzfleck’, mndl. klatten ‘beschmutzen’, mhd. bekletzen ds., norw. schwed. mdartl. klatra ‘hudeln’;
daneben mit expressivem dd: ndd. kladde ‘Schmutzfleck; Klette’ (d. i. ‘die Klebende’); mit Dent. + s: norw. klessa (klass) ‘kleben, festhängen, platschen, klatschen’, klessa (kleste) ‘schmieren, sudeln’, klussa ‘beschmutzen, sudeln, lispeln’; aisl. kless ‘lispelnd’; vgl. aisl. klasi S. 362.
C. Labialerweiternngen:
geleb(h)-, glēb(h)- (: glǝb(h)-) und gleb(h)- (: gl̥b(h)-) ‘zusammenballen’.
Lat. (wohl eigentlich gall.) galba (*gelǝbh-?), nach Sueton gall. Bezeichnung für einen ‘homo praepinguis’; ein gall. *galbo- ‘Verdickung, Wade, Arm’ wird auch wohl vorausgesetzt von galbeus, -eum ‘Armbinde, als Schmuck’, vielleicht von galbulus ‘Zypressenzapfen’, deren Vokalismus vermutlich aus *gelǝbh-;
anord. kalfi m. ‘Wade’, kalfabōt ‘Lende’, engl. calf ‘Wade’, nhd. mdartl. Kalb ‘Muskel’, ahd. wazzarkalb ‘Wassersucht’ (‘Aufschwellung durch Wasser’), womit sich (als ‘Anschwellung - Mutterleib - fetus’, vgl. engl. in calf, with calf ‘trächtig’) deckt ahd. kalb, Pl. kelbir ‘Kalb’, ags. cealf, calfur n., anord. kalfr ‘Kalb’, got. kalbō f. ‘junge Kuh, Färse’, mit e-Stufe ags. cilfor-lamb, ahd. kilburra f. ‘weibliches Lamm’;
lat. globus m. ‘Kugel, Haufe, Klumpen’, dehnstufig lat. glēba f. ‘Erdscholle; Stückchen, Klümpchen’ (daraus poln. gleba ‘Erdscholle’ entlehnt).
Ist glēbō ‘rusticus’ (‘Schollen aufwerfend’??) gallisch (dann ) oder nur im Latein Galliens aufgekommen?
Ahd. klāftra f. ‘Maß der ausgespannten Arme, Klafter’ (*glēbh-); ablaut. anord. klafi m. ‘Halsjoch, Packsattel’, mnd. klave ‘Halsjoch’ (*klaƀan- ‘Zusammendrückendes’); ags. clyppan ‘umarmen’ (*klupjan mit -lu- als Tiefstufe von -le-), afries. kleppa ds., schweiz. chlupfel ‘Bündel’, engl. clasp (*claps-) ‘haken, spannen, umfassen, umarmen’ (wohl auch air. glass ‘Schloß’ aus *glabso-);
vgl. mit derselben Bed. ‘(mit den Armen) zusammendrücken’ und einem ebenfalls am besten aus einer schweren Wzf. glēbh-: glǝbh- zu erklärenden Ablaut die balt. Sippe von lit. glė́biu, glė́bti ‘mit den Armen umfassen’ (glėbỹs ‘Armvoll, Umarmung’), glóbiu, glóbti ‘umarmen, unterstützen’, lett. glêbt, glâbt ‘schützen’, lit. glabóti ‘aufbewahren, verwahren; erbitten’, lett. glabât ‘hüten, bewahren, warten’, apr. poglabū ‘herzte’ (Mühlenbach-Endzelin I 621, 623 u. 626);
vielleicht dazu lit. gélbu, -ėti ‘helfen’, gil̃bti ‘genesen’, apr. galbimai 1. Pl. Konj. ‘wir helfen’, pogalbton ‘geholfen’ als *gelǝbh- (Trautmann 92);
slav. *globi̯ǫ, *globiti in serb. z-glȍbīm, zglòbiti ‘zusammenlegen, fügen’, poln. głobić alt ‘drücken, zusammenfügen’ (dehnstufig sloven. glȃbim, glábiti ‘raffen’) mit idg. ǝ oder eher о (: lat. globus).
Ferner mit der Bed. des ‘Geballten, Runden, Klotzigen’ germ. *klapp- (intensive Konsonantenschärfung) in anord. klǫpp f. ‘Knüppelbrücke’, mnd. klampe ds., schwed. klapper-sten ‘rundliche Steine zum Pflastern’, mhd. klapf m. ‘Fels(kopf)’;
germ. expressives *klabb- in norw. dial. klabb ‘anhaftender Klumpen’, schwed. klabb(e) ‘Klotz, Bergknollen im Meer, kurzer, dicker Knаbе’ (tiefstufig anord. klubba ‘Keule’, woher engl. club);
germ. *klēp- (vgl. lat. glēba; germ. p aus express. pp oder allenfalls einer Form mit idg. b) in anord. klāp-eygr ‘glotzäugig’, klāpr ein Scheltwort (etwa ‘Klotz’) u dgl.; über idg. qlēp- s. dort;
tiefstufig *kulƀ- in ahd. kolboKolben, Keule (als Waffe), Knüttel’, anord. kolfr ‘Pflanzenknollen, Pfeil’, kylfi, kylfa ‘Keule u. dgl.’; daneben mit germ. -p- ndd. kulp-ōge ‘Glotzauge’, mrhein. Külp ‘Schlagholz am Dreschflegel’, schwed. dial. kulp ‘dicker Mensch’; mengl. cülpe, nengl. kelp ‘Salzkraut’.
Nasaliert glembh- (vielleicht z. T. durch Kreuzung von *glebh- und *glem-):
Mhd. klamben ‘fest zusammenfügen’, anord. klembra ‘klettern’, aisl. klǫmbr ‘Klammer’, mhd. klemberen ‘verklammern’, mhd. nhd. Klammer; engl. clamber ‘klettern’, eigentlich ‘sich festklammern’, wie auch ablaut. ahd. klimban ‘klimmen, klettern’, ags. climban, mhd. klimben, klimmen ‘klimmen, klettern; zwicken, packen’; anord. klumba ‘Keule’, klumbu-fōtr ‘Klumpfuß’;
mit germ. p: aschwed. klimper ‘Klumpen, Kloß’, aisl. kleppr ‘Klumpen, felsige Anhöhe’, mhd. klimpfen ‘fest zusammendrücken’; ahd. klampfer ‘Klammer’, mnd. klampe f. ‘Haken, Steg’, nnd. klamp, klampe ‘Klumpen, Klotz’ (nhd. Klampe ‘Klammer, Haken, Klotz’ ist ndd. Lw., echt nhd. Klampfe); ags. clympe ‘Klumpen’, ndd. klumpe ‘Klumpen’ (nhd. Klumpe(n) ist ndd. Lw.);
poln. głąb, čech. hloub ‘Strunk’.
glem-:
Lat. glomus, -eris n. ‘Kloß (als Speise); Knäuel’ (*glemos), glomerāre ‘ballen’;
air. glomar ‘Zaum, Knebel’ (vgl. S. 360 mhd. klammer);
ags. climman ‘klettern’, mnd. klimmeren ds., mhd. klimmen (z. T. mit mm aus mb), auch ‘beengen’ (nhd. beklommen), ags. clam(m) ‘Band, Griff, Fessel’, ahd. klamma ‘Beengung, Klemme, Bergschlucht’, nhd. Klamm, Kaus. ahd. nhd. klemmen, afries. klemma, ags. beclemman ‘einklemmen’, mhd. klam ‘enge, dicht’, nhd. (nd.) klamm ‘steif (krampfig) vor Kälte’, tiefstufig norw. dial. klumra ‘mit steifen und erfrorenen Händen arbeiten’;
mit erweit. *klam-d-: anord. klanda, klandra ‘verunglimpfen, ärgern, zu entwenden suchen’;
lit. glomó-ju, -ti ‘umarmen’; mit -g̑- erweitert lit. glemžiù, glem̃žti ‘zusammenraffen; zerknittern’, lett. glemzt ‘langsam essen, Unsinn schwatzen’;
ferner glēm-, glǝm- mit alter Bed.-Entw. zu ‘zusammenkleben, schleimige Masse’:
gr. γλάμων ‘triefäugig’, usw. (lat. glamae Lw.);
alb. nglomë, ngjomë ‘feucht, frisch’ (*glēmo-);
anord. klām ‘Schmutzrede’, engl. clammy ‘klebrig, zäh’, ostpr. klamm ‘klebrig, feucht’;
lit. glẽmės, glė̃mes, glė̃mos f. pl. ‘zäher Schleim’, lett. glęmas, glemi ‘Schleim’, glùmt ‘schleimig, glatt werden’, glums ‘glatt’ (auch glemzt ‘gedankenlos plaudern’, glemža ‘Schwätzer’, vgl. z. Bed. lett. gleîsts ‘Schwätzer’: glîst ‘schleimig werden’); über lit. gléimės s. unten S. 364.
D. g(e)l-eu-, z. T. mit weiterer konsonantischer Ableitung:
Ai. glāu-ḥ f. ‘Ballen, Kugel, geballte Masse’, npers. gulūle ‘Kugel’;
gr. γίγ-γλυ-μος m. ‘Knochengelenk, Türangel’;
air. glō-ṡnáthe, gláo-ṡnáthe ‘linea, norma’ (wörtlich ‘Ballendraht’);
anord. klē m. (*klew-an-) ‘Webstein’, ags. clyne n. ‘Metallklumpen’ (*klu-n-), schwed. kluns m. ‘Klumpen’, isl. klunni ‘klotzige Person’; ahd. kliuwa, kliwa ‘Kugel, Knäuel’, kliuwi, kliwi ‘Knäuel’ (Demin. mhd. kliuwelīn, dissimiliert nhd. Knäuel), ags. clíewen ‘Garnknäuel’ (engl. clew); tiefstufig mnd. klǖwen, holl. kluwen ‘Knäuel’; dazu mit Dehnstufe und Bed.-Entw. ‘die packende : Klaue’ die Sippe von germ. *klēwā : ahd. klāwa ‘Kralle, Klaue’, mhd. klāwe, mnd. klā ‘Kralle, Klaue, Huf, afries. klē, wozu mit Ablaut das Verbum *klawjan (geneuert *klawan) ‘mit den Nägeln kratzen, jucken’, ahd. klauuenti ‘prurientes’, mhd. klöuwen ‘kratzen’, ags. clawan = anord. klā ‘reiben, kratzen’ (anord. klǣja ‘jucken’ Neubildung nach der 3. Sg. klǣr = *klawið), wozu *klawiþan- m. in anord. klāði m. ‘Jucken, Kratzen’, ags. clæweða ds., ahd. glouuida (lies clouuida) ‘scabies’; aus dem Verbum stammt die Kürze von ags. clawu f. ‘Klaue, Huf’ (engl. claw) und clēa f. (engl. mdartl. clea) ds. (letzteres = *klau aus clawu), sowie ahd. klōa ‘Klaue’; ahd. cluwi ‘Zange’; aisl. klō f. ‘Klaue, Nagel, Haken’; aisl. klunna ‘sich festhängen’, vgl. ags. clyne, schwed. kluns ‘Klumpen’, ags. clynian ‘einwickeln’;
wahrscheinlich air. glūn ‘Knie’ = alb. glu-ri (geg.), gju-ri (tosk.) ‘Knie’ (mit idg. *g̑enu- ‘Knie’ kaum als Dissimilationsform für *g̑nū-n- vereinbar wegen der Gutturalverschiedenheit);
vermutlich lit. gliaũmas ‘schleimiger Abgang vom Schleifstein’, gliaumùs ‘glatt, schlüpfrig’, lett. glaũms, glums ‘schleimig’, wenn ‘schleimig = zusammenklebend, sich zusammenballend’, vgl. Mühlenbach-Endzelin I 622; vgl. mit -s- norw. klyse (*klūsion-) ‘schleimiger Klumpen’, das von mnd. klūs ‘Masse’, nnd. ‘Knäuel, Wirre, Masse’, ndd. klū̆ster ‘Büschel, Traube’, ags. clūster, clȳster n. ds. nicht zu trennen ist; vgl. von einer Wzf. *gle-s- anord. klasi ‘Klumpen von Beeren oder Früchten, Masse’.
Erweiterung mit -t-:
gr. γλουτός (τα γλουτά) ‘Hinterbacke, Gesäß’, τὰ γλούτια ‘zwei Erhabenheiten des Gehirns’;
sloven. glȗta, glúta ‘Beule, beulenartige Geschwulst, Baumknorren’ (Berneker 309);
ablautend ags. clūd m. ‘a mass of rock, hill’, engl. cloud ‘Wolke’ (‘Wolkenballen’), vgl. mit Geminata (*kludda-) ags. clodd (engl. clod) ‘Erdklumpen’.
Erweiterung mit -d-:
mnd. klōt m. ‘Klumpen; Hode’, mhd. klōz, nhd. Kloß, ags. cléot, engl. cleat ‘Klumpen, Keil’; ablautend mnd. klūt, klūte ‘Erdklumpen’, ostfries. klūt ‘Klumpen, Bruchstück’ (in Weiterentwicklung letzterer Bed. auch :) ags. clūt m., engl. clout ‘Lappen; Metallplatte’, spätanord. klūtr ‘Lappen, Klumpen’; mit expressiver Geminata (*klutta-) ags. clott (engl. clot) ‘Klumpen’ = mhd. kloz, nhd. Klotz.
Vielleicht hierher lit. glaudžiù, glaũsti, lett. glaũst ‘mache etwas eng anschmiegen’, glaudùs ‘anschmiegend, dicht anliegend’, glúdoju ‘liege angeschmiegt da’ (vgl. Mühlenbach-Endzelin I 622 f.);
russ. glúda ‘Klumpen, Kloß’.
Erweiterung mit -bh-:
sylt. fries. klēpi ‘küssen’, russ. glýba ‘Klumpen, Block’, g. zemli ‘Erdscholle’ (Berneker 310; vgl. zum -b- unten *gle-b-), vielleicht lit. glaũbti ‘an die Brust drücken’, glaubstýti ‘liebkosen’.
E. glei-, z. T. mit weiterer, konsonantischer Ableitung (bes. glei-t-, -d-, glei-bh-; glei-m-) ‘kleben, schmieren’, aber wohl ursprüngl. abgeleitet von gel- ‘ballen’; nach Specht Dekl. 144 Grundbed. ‘glänzend’ (zu g̑el-, gel-?); nominal: gli-i̯o-, -no-, -tu-; gloi-u̯o-.
Gr. γλία f. ‘Leim’ (sl. *glьjь, s. unten), γλίνη ds. (: sl. glěnъ, glina, ahd. klenan, air. glenim s. unten), γλοιός ‘klebrige Feuchtigkeit’, γλοιός ‘klebrig, feucht’ (*γλοιϝός: lett. glievs, slav. *glěvъ, s. unten), γλιττόν· γλοιόν Hes. (*γλιτϝ-ός: lit. glitùs usw.), γλίχομαι ‘hefte mich an etwas, verlange heftig’, γλίσχρος ‘leimig, zäh, schlüpfrig’ (vermutlich mit -ρο- von einem *γλίσχω aus *γλίχ-σκω);
lat. glūs, -tis, glūten, -inis n. ‘Leim’, glūtinō ‘leime zusammen’ (ū aus oi, vgl. das ablautende:) glis, -tis ‘humus tenax’, glittūs ‘subactis levibus, teneris’ (Grundf. *gleitos mit intensivem tt);
air. glenim (*gli-nā-mi), cymr. glynaf ‘adhaereō’; dazu ferner air. fordíuclainn ‘verschlingt’, nach Pedersen KG. II 540 aus for-dí-uks-glen- zu *glenaid (aus *gl̥-nā-ti); auch bret. geot ‘Gras’ aus *gel-tā (Marstrander Prés. nas. 30 f.);
ags. clǣg (engl. clay), mnd. klei ‘Lehm’, dän. klæg ‘zäher, fetter, lehmiger Schlamm’ (germ. *klajja-; dazu ndd. kleggen ‘klettern’); ablautend norw. dial. kli ‘Schlamm, Lehm’ (die Ableitung mnd. klick ‘Lehmerde’ wohl nach slick ‘Schlick, Lehmerde’?), ahd. klenan ‘kleben, schmieren’ (= ir. glenim, s. oben, vgl. auch nominal γλίνη usw.; ist klenan als st. V. in die e-Reihe übergetreten, daher auch anord. klunna ‘festhangen’?); hochstufig anord. klina ‘beschmieren’ (*klīnian, schw. V.), mit oi norw. kleina ds.;
lit. gliejù, gliẽti ‘beschmieren’, refl. gliẽtis ‘kleben bleiben’;
sl. *glьjь in russ. glej ‘Ton, Lehm’, poln. glej ‘schlammiger Boden’ (: gr. γλία; erweitert russ. mdartl. glëkъ ‘Schleim, Blutwasser’ aus *glь-kъ);
gleibh- (slav. Entsprechungen s. unten); an sich auch aus idg. *glei-p- herleitbar in
ahd. klëbēn ‘kleben, haften, festsitzen’, as. kliƀōn, ags. clifian, cleofian ‘kleben, anhangen’, ags. clibbor ‘klebend’, hochstufig ahd. klīban ‘haften, kleben’, as. biklīƀan ds., ags. clīfan ‘haften’, anord. klīfa ‘klettern (sich anheften, anklammern)’, mndl. clīven ds.; ahd. klība, as. klīva, ags. clīfe ‘Klette’; mit -oi- ahd. kleiben ‘befestigen (kleben machen)’, nhd. kleiben ‘kleben, kleistern’; ags. clǣfre (*klaiƀriōn-), mnd. klāver, klēver ‘Klee’; hierher auch anord. kleif f., klif n. ‘steile Anhöhe’, ags. clif n., mnd. klif ‘Klippe’, ahd. klep (-b-) ‘Vorgebirge’, mndl., mnd. klippe f. ‘Klippe’ (daraus nhd. Klippe als ‘glatter Felsen’, wie air. slīab ‘Berg’ zu Wz. *sleib- ‘gleiten’); inwieweit in ags. ahd. klimban ‘klimmen, klettern’ neben *gle-m-bh auch eine nasalierte Form von *glei-bh- unterläuft, ist unklar;
aksl. u-glьbl’ǫ ‘bleibe stecken’ Aor. uglъbǫ, ἐνεπάγησαν’, uglebъ (e = ь) ‘ἐνεπάγην’, ablautend (*oi) russ.-ksl. uglěbl’evati ‘infigere’, und (*ei) serb. glȋb ‘Kot’ (Berneker 310).
glei-d- in mir. glōed ‘Leim’, ags. clāte f. ‘Klette’, clīte f. ‘Huflattich’, engl. dial.clote, clite, cleat ‘Klette’, clite ‘Leim, Schlamm’ (: lett. glī̀dêt ‘schleimig werden’, vgl. Mühlenbach-Endzelin I 626, 627).
mit m-Formans: ags. clām ‘klehriger Stoff, Lehm’, wozu anord. Kleima ‘Name einer Riesin’ ags. clǣman ‘schmieren’, ahd. chleimen ‘leimen’;
lett. gliemezis, gliems, glieme ‘Schnecke, Muschel’; lit. gléimės ‘Schleim’, glimùs ‘schleimig’; lett. glaĩma ‘Scherz, Schmeichelei’, glaĩmuôt ‘scherzen, schmeicheln, liebkosen’(vgl. norw. dial. kleima ‘schmieren : liebkosen’); Mühlenbach-Endzelin I 621, 628 f.; Trautmann 92; über lit. glė̃mės s. oben S. 361;
sl. *glěmyždžь in čech. hlemýžd’ ‘Schnecke’.
mit n-Formans (s. o. γλίνη usw.) russ.-ksl. glěnъ ‘Schleim, zähe Feuchtigkeit’, glina ‘Ton’;
glei-t- in ags. ætclīþan ‘festkleben, anhangen’, schwachstufig cliða, clioða m. ‘Wundpflaster’, ags. cliðe ‘Klette’ (‘die anhaftende’), ahd. kledda, kletta, ndl. klis, klit ‘Klette’, nhd. klettern; auch wohl mhd. kleit, nhd. Kleid, ags. clāð ds.; mhd. klīster ‘Kleister’, nisl. klīstra ‘kleistern’ (als *gleit-tro- hierher oder mit dem germ. Formans-stra- von der einf. Wzf. *klī-, idg. glei-); norw. kleisa ‘kleben; (mit der Zunge kleben =) lispelnd oder unrein reden’, anord. kleiss ī māle ‘stotternd’.
lit. glitùs ‘glatt, klebrig’, glytė̃ ‘Nasenschleim, pl. Fischleim’, lett. glîts ‘glatt, nett, hübsch’; lett. glīstu, glīdu, glîst ‘schleimig sein und werden’, glīdēt ‘schleimig werden’, gleîsts ‘Schwätzer’; s. Mühlenbach-Endzelin I 624, 627; vgl. oben S. 363 gr. γλιττόν;
vielleicht in russ. (usw.) glistъ, glistá ‘Wurm, Regenwurm, Bandwurm’ (oder zu nhd. gleiten; Berneker 304);
mit -Formans: germ. *klaiwa-, ahd. klēo-, klē ‘Klee’ (nach dem klebrigen Saft der Blüte?) und *klīwōn-, mnd. klīe, ahd. klīwa, klīa, nhd. Kleie f. (wenn mit idg. ī, so ablautgleich mit lett. glīwe ‘Schleim’).
lit. gléivės f. Pl. ‘Schleim’, lett. glēvs ‘zäh wie Schleim, schlaff’ (ob mit ē aus idg. *ē[i]?; über lit. glė̃mės s. oben S. 361 unter glem-), lett. glievs ‘schlaff’ (= γλοιός), glīve ‘Schleim, grüner Schleim auf dem Wasser’ (: ahd. klīwa, s. oben);
sl. *glě̌vъ (: lett. gli̇vs, γλοιός) in russ. dial. glevъ m., glevá f. ‘Schleim der Fische’, poln. gléwieć (daneben gliwieć) ‘verderben (vom Käse’), ablautend klr. klýva ‘Leberschwamm (eine Pilzart’), serb. gljiva ‘Schwamm, Agaricus’;

WP. I 612 ff., WH. I 577 f., 580, 606 f., 608 f., 611 f., 617, 867 f., Trautmann 92.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal