Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

knop - (rond uitsteeksel; blad- of bloembeginsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

knop zn. ‘rond uitsteeksel; blad- of bloembeginsel’
Onl. alleen in de bijnaam van Wlfricus Cnop [1122; Debrabandere 2003], wrsch. iemand met een knobbel of gezwel of iemand met een korte, gezette gestalte; mnl. cnop, cnoop ‘verdikking, uitsteeksel, klit, verbinding’: mnl. cnop ‘knoop (in touw e.d.), knop (aan planten e.d.), samenknoping’ [1240; Bern.], te gader ghehecht ... met cnoppen ende met letsen ‘aaneengehecht met knopen en lussen’ [1285; VMNW], die cnoppe ... dar dat loef ute sal gaen ‘de knoppen waar de bladeren uit zullen komen’ [1287; VMNW], den knop van der kelen ‘de Adamsappel’ [1270-90; VMNW].
Het woord is een van de vele woorden met kn- voor ‘verdikking, verdikt uitsteeksel’ zoals beschreven onder → knot. Zie ook → nop.
Ohd. knopf ‘bult, bloemknop, knobbel’ (nhd. Knopf); ofri. knop (nfri. knop); me. knop ‘bult, bloemknop’; nzw. knopp ‘bloemknop’.
In het Middelnederlands konden cnop en cnoop beide zowel ‘rond uitsteeksel’ als ‘verbinding (van touw e.d.)’ betekenen. Later ontstond een duidelijk betekenisonderscheid tussen knop en → knoop.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

knop* [rond voorwerp als versiering, bescherming, handvat] {cnop(pe) [knop, knobbel, knot, knoop] 1201-1250} middelnederduits knoppe, oudhoogduits knopf, engels knop, noors dial. knupp [bloemknop], ijslands hnappur [knop, knoop]; nevenvorm naast knoop.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

knop znw. m., mnl. cnop m. ‘knobbel, knoest, knop, stuit, klomp, knoop’, mnd. knoppe m. ‘knoop, bundel’, knuppe, knoppe ‘bloemknop’, ohd. chnopf ‘knoop, knop, knoest, knobbel’, ofri. knop (in ersknop ‘stuitbeen’), ne. knop ‘knop, knoop’, noorw. dial. knupp ‘bloemknop’. — Een -pp-formatie naast knoop. — > ne. knop (eerst sedert de 14de eeuw en daarom misschien ontleend, vgl. Bense 169).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

knop znw., mnl. cnop (pp) m. “knobbel, knoest, knop, stuit, klomp, knoop”. = ohd. chnopf m. “knoop, knop, knoest, knobbel” (nhd. knopf), mnd. knoppe m. “knoop, bundel”, knuppe, knoppe “bloemknop”, ofri. knop (in ers-knop m. “stuitbeen”), eng. knop “knop, knoop”, noorw. dial. knupp m. “bloemknop”. Evenals knoop en wellicht lit. gniáubti “omvatten, omarmen” van een basis gnu-b- (zie knok), die uit gnu- (germ. knu-) verlengd is. Zie kneuzen en vgl. nog germ. knu-ð-in ohd. chnodo (of *knu-þ-an-?), chnoto m. “knoop, knoest, knokkel” (nhd. knoten, mnd. knodast “lomperd”), Teuth. knaide (d.i. knōde) “knoop, knobbel, knokkel” en Kil. knodde “knokkel”, knodde “knoop, knobbel” (“vetus”). On. knûtr m. “knoop, knoest”, knŷta “knoopen” kunnen direct hiermee verwant zijn en op idg. gnûdh-n- of gnût-n- teruggaan, maar ook kunnen zij van een wortelvariant knū̆t-, idg. gnū̆-d- komen. Teuth. cnoten “snoeien, knotten”, Kil. knooten (“Holl.”) “id.” behoeft niet van germ. knut- te komen: ’t kan een jongere formatie zijn, te meer wegens ’t synonieme cloten (Teuth. en mnl.). Met tt uit vóórgerm. t, d of dh + n: mnl. cnutten “aaneenknoopen, verbinden”, nnl. knot, mnl. cnotte v. “knoest, klomp, dot” (Mnl. Handwdb.) en knotten (nog niet bij Kil.), mnd. knutte m. “knoop (van vlas)”, knutten “knoopen, breien”, fri. knotte “knoop in een touw, band, doek enz.”, ags. cnotta m. “knoop” (eng. knot). Of gaat het mnl., mnd. ww. evenals ags. cnyttan “knoopen” (eng. to knit) op *knutjanan terug? Lat. nôdus “knoop” kan bezwaarlijk verwant zijn; wel lit. gniutù, gniùsti “drukken”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

knop. Over de tt van ndl. knot c.s. zie bij bakken Suppl. 1e alin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

knop m., Mnl. cnop(pe) + Ndd. knoppe, Hgd. knopf, Eng. knop: van een stam knu-ƀnʼ, verwant met knok en knot.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

knop, knopje ‘rond voorwerp als versiering, bescherming of handvat; bloemknop’ -> Engels knop ‘sierknop; sierknoop; bloemknop’; Engels knob ‘rond voorwerp als handvat; knobbel’; Russisch knopka ‘rond voorwerp als versiering, bescherming of handvat’; Azeri knopka ‘rond voorwerp als versiering, bescherming of handvat’ <via Russisch>; Indonesisch kenop, kenot ‘drukknop; bloemknop’; Jakartaans-Maleis kenop ‘drukknop’; Javaans kenop ‘knopje van machine, toestel’; Kupang-Maleis kanóp ‘rond voorwerp als versiering, bescherming of handvat’; Soendanees kĕnop ‘deurknop’; Papiaments † kònòpi (ouder: knoppi) ‘bloemknop’; Sranantongo knopo ‘rond voorwerp als versiering, bescherming of handvat’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

knop* rond voorwerp als versiering, bescherming of handvat 1240 [Bern.]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

knop: een — omdraaien, plotseling van houding veranderen; zich opeens heel anders gaan opstellen. Informeel.

Bij 8–4 dacht ik nog aan Christine Magnusson, die bij dezelfde achterstand deze week van haar had verloren. Kennelijk draait ze op het moment dat ze dreigt te gaan verliezen een knopje om, waardoor ineens alles lukt. (De Volkskrant, 16/04/88)
Maar een collega van haar hield haar tegen. Die hoorde ik, hoewel die woorden niet voor mijn oren bestemd waren, zeggen: ‘Laat die jongen maar, hij haalt de zestien niet.’ Op dat moment ging er bij mij een knop om. Ik dacht: voor mijn zestiende dood? Moet ‘jij’ eens opletten! (Nieuwe Revu, 15/09/88)
‘We lopen niet om ze heen,’ zegt Marcus. ‘Integendeel. Praten met vrouwen gaat veel gemakkelijker. Dat combineert goed. Maar het is zo vanzelfsprekend om met je gevoelens bij vrouwen aan te kloppen, dat is te gelikt. Daarom probeer ik een knop om te zetten, zo van: nee, ik ga op dit feestje niet naar wijven kijken.’ (HP/De Tijd, 18/07/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

740. Naar de haaien gaan of zijn,

d.w.z. te gronde gaan, onherroepelijk verloren zijn, dood zijn (zie o.a. Nkr. II, 17 Mei p. 3; VI, 16 Nov. p. 2; Kmz. 27) of naar de pieren gaan, zooals de Vlamingen zeggen (ook in Twee W.B. 95), naar kapitein Jas gaan (Indië; Harreb. I, 357; Ndl. Wdb. VII, 228). Oorspr. van een over boord gevallen of gezetten matroos gezegd; vgl. het eng. to go to the dogs; hd. vor die Hunde, die Hühner gehen en de synonieme uitdr. naar den kelder gaan of kelderen (in Nkr. VIII, 31 Jan. p. 2), noa beppe's kelder - (Molema, 29), naar grootje -, zijn ouwe moer -, ad patres gaan; naar de pieltjes of pieleendjes (Harreb. III, CXLVI); naar de knoppen, klooten, kwaartjes, vaantjes zijn (Rutten, 115 b; Antw. Idiot. 680; 671; 730; 1308); naar den dieperik gaan; naar den kabeljauw zijn; naar den kabeljauwkelder trekken (= verdrinken; Waasch Idiot. 173 b; 318 a; Ndl. Wdb. VII, 806); naar de kiele zijn (Landl. 6; S. en S. 6); naar 't pierenland, bij Peerken den dood zijnDe Cock, Volksgeneeskunde in Vlaanderen, bl. 337., naar 't Pierengeland gaan ('t Daghet XII, 142; Tuerlinckx, 500); in 't pîrkesland gân (Woeste, 200 a); na de bômkes gân (Korrespblatt XXIII, 33). Vgl. no. 741.

1650. Hij is in zijn nopjes (of knopjes),

d.w.z. hij is in zijn schik; eig. in die kleeren, waar noppen of knoppenZie no 1144 en het Ndl. Wdb. V, 172, waar over deze afwisseling van kn- en n- bij dezelfde of bij verwante woorden gesproken wordt; voor de ontwikkeling der beteekenis vgl. het 17de-eeewsche met iets verkuischt zijn, eig. met iets ‘versierd’, en vandaar met iets ‘in zijn schik’ zijn, en gecoiffeerd zijn met iets (fr. être coiffé de qqch), gekapt zijn met iets, er zich door gestreeld gevoelen (Ndl. Wdb. VII, 1538)., pluisjes op zitten (vgl. nopjesgoed, nopjeslaken en Heemsk. Arcadia, 21: De onderrok was van witte nopjes); dus in zijne mooie kleeren, in feestgewaad, en vandaar bij overdracht: hij is verheugd; vgl. no. 281 en 656. De eigenlijke beteekenis blijkt nog duidelijk bij Westerbaen II, 249:

 Maer sie wat schoonder verw dat op mijn koonen leyt.
 Hoe net dat ick gekleedt, hoe braef ick in de noppen,
 Hoe 'k in de plunje ben.

In denzelfden tijd komt de uitdr. ook reeds overdrachtelijk voor; o.a. in de Gew. Weeuw. II, 11: 't Is me lief, dat ik u zo in je knopjes vind. In de 18de eeuw komt goed of slecht in de noppen zijn nog meermalen voor in den zin van goed of slecht gekleed zijn; ook in dien van welgesteld of arm zijn; zie Van Effen, Spect. IV, 50; VI, 29; 55; Sewel, 526: Hy was wel in de noppen (or wel in den dos), he was very well clothed; Halma, 405: Il est en ses gogues, hij is in zijne vrolijkheid, of in zijne knopjes; W. Leevend VI, 30: Oom (kwam) van de werf, magtig in zyn knopjes, om dat het schip zoo glad als een veer was afgeloopen; Nw. Sckool V, 342: Wat ben ik in m'n nopjes, dat ze aan de Redactie van ons tijdschrift zoo goed het beulswerk verstaan; Ndl. Wdb. IX, 2154. Ook in Transvaal zegt men nog: hy is in syn knoppies (Onze Volkstaal III, 139). Synoniem was in de 18de eeuw: hy is wel in zyn lobbe (halskraag); Tuinman I, 304; Jord. 394), waarvoor men nog te Kadzand zegt: hij is wel in zijn lobbetjes (zie Nav. XI, 35); verder: in zijn goud gaan (zie het Ndl. Wdb. V, 465); in het Zaansch: hij is in zijn goed garen (of garing), hij is in zijn nopjes, in zijn element; in zijn gluur zijn, in zijn schik, blijde zijn (Boekenoogen, 228 en 1312); in Twente: in pöts wèzen, in zijn nopjes zijn; in het fri.: hy is in syn nopkes, wakker yn 'e bladeren, alhiel splinterny.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

gen- als Basis für Erweiterungen der Bedeutung ‘zusammendrücken, kneifen, zusammenknicken; Zusammengedrücktes, Geballtes’, (Persson Beitr. 88 f.); davon sind gnegh-, gneig-, gner-, gnes-, gneus- nur germ.

1. gn-ebh-:
Gr. vielleicht γνάμπτω ‘biege’ (formell wie in der Bed. aber durch κάμπτω beeinflußt);
anord. knafa ‘Päderastie treiben’, vgl. comprimere feminam; mit pp: holl. knap ‘eng anschließend (*drückend, einzwängend), knapp, schnell’, ndd. knap ‘kurz, sparsam, gering’ (daraus nhd. knapp), norw. knapp ‘enge, kurz, knapp’, mit bb: knabbe ‘mausen, wegraffen’; ferner mit den Bed. ‘die Kiefer zusammenklappen’ und ‘mit den Fingern knipsen’ und daraus fließenden Lautvorstellungen schwed. knäppa ‘knipsen, klimpern’, holl. knappen ‘bersten, knarren’, ndd. knappern, knuppern ‘knabbern’, nhd. knabbern ‘beißen, nagen’; endlich als ‘Zusammengedrücktes, Geballtes, Kugeliges’ u. dgl. anord. knappr ‘Knopf, Knorren, Knauf’, ags. cnæpp ‘Berggipfel (knollig); Brosche’ (aus ‘Knopf’), ndd. knap(p) ‘Berggipfel, Anhöhe, Stiefelabsatz’, knappen ‘abstutzen, kürzen; knapp leben’; aus dem Slav. vielleicht hierher poln. gnębić, alt gnąbić (mit sekundärem Nasalvokal infolge des vorhergehenden n) ‘drücken, bedrücken, mißhandeln, reizen’; vgl. auch genebh-, S. 378 f.
2. gnegh-:
Schwed. knagg ‘Knoten, Knorren’, mengl. mnd. knagge ‘Knorren, dickes Stück’; mit germ. kk: anord. knakkr ‘Fuß (an Tischen, Stühlen), Schemel (Fußblock)’. Hierher auch ahd. kneht, nhd. Knecht, ags. cniht ‘Knabe, Jüngling, Diener, Krieger’ (*kneh-ta-, vgl. zur Bed. Knabe, Knebel u. dgl., zum t-Suffix nhd. bair. knüchtel ‘Knüttel, Prügel’).
3. gn-eibh-:
Gr. γνίφων ‘Knicker, Geizhals’ (wenn nicht wegen des älter belegten Κνίφων, Meisterhans-Schwyzer 74, mit sekundärer Anlauterweichung, so daß mit anord. hnippa ‘stoßen’ zur Parallelwz. *ken-, kn-eib(h)-);
anord. kneif ‘Art Kneifzange’, knīfr, ags. cnīf ‘Messer’, nhd. dial. kneif ‘Messer’; daneben mit germ. pp, p: mnd. knīp, nhd. dial. kneipf ‘Messer’, norw. mdartl. knīpa, mnd. knīpen (daraus nhd. kneifen übertragen) ‘kneifen’ (z. T. auch ‘karg, sparsam sein; knapp werden; stibitzen; fortlaufen’; s. ähnliches unter gnebh-), nd. knippen ‘schneiden’, nhd. knippsen, nd. knipperig ‘karg, sparsam’, nhd. Kniff (auch = diebischer Kunstgriff u. dgl.), mnd. knippen ‘mit den Augen zwinkern’;
lit. gnýbiu, gnýbti, Iterat. gnáibau, gnáibyti ‘(mit den Fingern oder einer Zange) kneifen’, daneben šnýbiu, žnýbti ds., Trautmann 93.
4. gneig-:
Anord. kneikia ‘drücken, klemmen’, norw. dial. kneikja ‘rückwärts biegen’; mnd. nd. nhd. knicken, wozu Knicks ‘Kniebeuge, Verbeugung’.
5. gner-:
Norw. knart, knort ‘Knorren, Knoten, unreifes Obst’, mengl. knarre ‘Auswuchs, Knorren’, mhd. knorre ‘Knorren’ u. dgl.; daneben ahd. kniurig ‘knorrig’, mhd. knūr(e) ‘Knoten, Knorren, Klippe, Berggipfel’ mit Ablautneubildung.
6. gnes-:
Norw. knast m. ‘Knorren’ = nd. hd. Knast; mnd. knōster ‘Knorpel’, holl. knoest ‘Knorren’, mndl. knoes ‘Knorpel’, knoesele ‘Knöchel’; norw. mdartl. knös (*knōsia-) ‘großmächtiger Kerl’, schwed. knase ‘tüchtiger, reicher, halsstarriger Mensch’.
7. gnet-:
Ahd. knetan, ags. cnedan st. V. ‘kneten’, tiefstufig anord. knoða, -aða ‘kneten’; mit germ. tt anord. knǫttr (*knattu-z) ‘Kugel, Ball’, knatti ‘Bergkuppe’, norw. knott m. ‘kurzer und dicker Кörper, Knorren’, schwed. dial. knatte ‘kleiner Busch’; aksl. gnetǫ, gnesti ‘drücken’, apr. gnode f. ‘Trog zum Brotkneten’ (*gnōtā), Trautmann 93.
8. gn-eu-:
Anord. knȳja ‘drücken, schlagen’, ags. cnū(w)ian ‘im Mörser zerstoßen’ (ags. cnéowian ‘coire’, wie schwed. knulla ds. gegenüber mhd. knüllen ‘stoßen, schlagen’); anord. knūi ‘Fingerknöchel’; aschwed. knūla, knyla ‘Knorren an Bäumen, Fußknöchel’;
serb. gnjáviti ‘drücken’, sloven. gnjáviti ‘drücken, knüllen, würgen’.
9. gn-eu-bh-:
Ir. gnobh ‘Knoten am Holz, Knast’ (*gnubho-);
anord. knȳfill m. ‘kurzes, eben herausgekommenes Horn’, ostfries. knūfe ‘Klotz, Klumpen, Knorren’; anord. kneyfa ‘drücken’; norw. knuva ‘pressen, drücken’, ostfries. knūfen, ndd. knuffen ‘stoßen, puffen’; mit *ŭ: mnd. knovel ‘Knoten, Knöchel’; mhd. knübel ‘Knöchel’; mit germ. p(p) (Kons.-Schärfung): norw. dial. knupp m. ‘Knospe’, mnd. knuppe, knoppe ‘Knospe’, knuppel = mhd. knüpfel ‘Knüppel’ (dies ndd.), ahd. knopf ‘Knoten, Knorren, Knopf’, schweiz. chnopf ‘Knoten, Knopf, Knospe, kleines Kind’ (dazu knüpfen; eine Ableitung ist Knospe, dawohl aus *knup-sōn-), und o-stufig mnd. knōp m. ‘Knoten, Knopf, Knauf’, mhd. knouf, nhd. Knauf; mit germ. bb: norw. knubb m. ‘Klotz’, mnd. knobbe ‘Knorren’, mengl. knobbe (engl. knob) ‘Knospe, Knopf, Knorren, Knoten’, norw. knubba ‘stoßen, puffen, drücken’;
lit. gniáubti ‘umfassen, umarmen’ (*gnēubh-), gniùbti ‘Festigkeit verlieren, sich senken’; ob aus gniáužti (unten 10.) durch Einfluß von gnýbti (oben 3.)?
10. gn-eu-g̑-:
Anord. knjūkr ‘rundlicher Berggipfel’, norw. mdartl. knjuka, knoka ‘Knöchel’, anord. knykill ‘kleiner Knoten’; mnd. knoke m. ‘Knochen’, mhd. knoche ‘Knochen, Knorren, Bündel’, ags. cnycel (?), mnd. knokel, mhd. knüchel, nhd. Knöchel; aber anord. knoka ‘schlagen, klopfen’, norw. mdartl. knoka ‘pressen, drücken’, ags. cnocian, cnucian ‘an eine Tür klopfen, im Mörser stoßen’, mhd. knochen ‘drücken’ stehen im Ablaut zu aschwed. knaka ‘krachen’ und weisen auf eine Schallwurzel g̑neg- (Wissmann 79), worüber auch Kluge11 s. v. knacken;
mit germ. -kk-: mnd. knocke, mengl. knucche, engl. knitch ‘Bündel’, mhd. knock ‘Nacken’.
lit. gniáuž-iu, -ti ‘die Hand fest schließen’, gniū̃žis, gniū́žtė, gniáužta ‘Bündel, Handvoll’, gniùžti ‘sich biegen, sich senken, Festigkeit verlieren’ (‘*zusammenklappen’), lett. gnaûzt ‘mitder Hand fassen, drücken’ (lett. žńaugt ‘würgen’ aus *gńauž-?); vgl. (oben 9.) lit. gniáubti.
11. gn-eu-s-:
Anord. knosa, -aða ‘mit Schlägen mißhandeln’, norw. knysia ‘zermalmen’, ahd. knussen ‘schlagen, zerdrücken’, ags. cnyssan ‘zerstoßen, zermalmen’; mit ū aschwed. knusa = ndd. knūsen ‘drücken, quetschen’, anord. knūska ‘schlagen’, nhd. schweiz. chnūssen, chnūschten ‘prügeln’; anord. knylla ‘schlagen, stoßen’ (*knuzljan, s. auch oben unter gneut- über Knollen) = ags. cnyllan ‘schlagen’, nd. knüllen (knullen aus *knuz-lōn) ‘zusammendrücken, zerknüffeln’, mhd. knüllen ‘schlagen, stoßen, knuffen’; anord. knauss m. ‘rundlicher Bergzipfel’; mit ū mnd. knūst m. ‘Knorren’, schweiz. chnūs ‘Knorren, Klumpen’; mit norw. knust, knysta ‘verdrehter Klotz, Knorren’, schwed mdartl. knose ‘Auswuchs’ (übertragen bair. knös ‘Bursch’, schweiz. chnösi ‘dicker Mann’, nrhein. knösel ‘Männlein, verkrüppeltes Wesen, unreifes Obst’).
12. gn-eu-t-:
Ahd. knŏdo (*knŭþan-) ‘Knopf, Knöchel, Knospe’, mhd. knödel ‘Fruchtknoten, Knödel’, ahd. knoto (*knuðán-), nhd. Knoten, wovon ahd. knutil, nhd. Knüttel ‘dicker Stock’ (eigentlich ‘Knotenstock’); ags. cnotta m., mnd. knutte ‘Knollen, Flachsknospe’, mhd. knotze ‘Knorren’, mnd. knulten ‘stricken, knüpfen’ = ags. cnyttan, engl. knit ds. und mit der ursprgl. Bed. ‘zusammendrücken’ bair. knauzen ‘zusammendrücken’, nd. knutschen, mhd. knützen ‘quetschen, knuffen’; anord. knūtr (*knūdn-) ‘Knoten, Knorren’, knūta ‘Knochenkopf’, knȳta ‘knoten, knüpfen’; mhd. knūz ‘(*knorrig :) hochfahrend gegen Arme, verwegen, keck’; mhd. knolle ‘Erdscholle, Klumpen’, ags. cnoll m. ‘Bergspitze, Gipfel’ (wenn aus *knuð-lá- oder *knuz-lá zur Wzf.*g(e)n-eu-s-);
lit. gniutù, gniùsti ‘drücken’, gniutúoti ds., gniùtelė ‘Stange zum Andrücken des Strohs beim Dachdecken’, gniùtulas ‘Ballen, Papier, Klumpen’, gnùtulas ‘Klumpen, faustgroßer Klumpen’

WP. I 580 ff., Wissmann Nom. postverb. 83, 132.Vgl. auch unter ken-.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal