Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

knots - (slagwapen, knuppel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

knots zn. ‘slagwapen, knuppel’
Vnnl. kudse, knodse, kolve ‘slagwapen met verdikt uiteinde’ [1567; Nomenclator], knodts [1660; WNT]; nnl. knots ‘id.’ [1844; WNT].
De oorspr. spelling is met -d-; het woord is ontstaan als nevenvorm van kodse ‘knuppel’, onder invloed van de vele Nederlandse woorden met kn- die een betekenis ‘verdikking, verdikt uiteinde’ hebben, waarvoor zie → knot.
Kodse zelf is slechts een eeuw ouder: vnnl. een moordenaer met kudsen ende grote stocken [1529; MNW cudse], kodse, kudse [1599; Kil.]; op zijn beurt is het wrsch. een contaminatie van mnl. codde ‘slagwapen, knuppel’ en cuse ‘id.’, zoals in verbooden wapen, alse knive, zwaerde, ... codden ‘verboden wapens zoals messen, zwaarden en knuppels’ [1343; MNW cortois] resp. wie mit ... eenre kuyse ten vechtelic quame ‘wie met een knuppel ten strijde zou trekken’ [ca. 1413; MNW cuse]. Van beide Middelnederlandse woorden is de etymologie onbekend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

knots* [zware stok] {knodse 1567} met intensieve s van middelnederlands knod(de) (vgl. kodde1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

knots znw. v., sedert Kiliaen: knodse, knudse (Holl. Fris. Sicamb. Fland.). Daarnaast staat oud-nnl. knodde ‘knoop, knobbel; knots’, dat in verband staat met knot. Als intensief klankelement zal de s zijn toegevoegd (vgl. C. Kruyskamp Ts. 62, 1943, 1-13). — Zie ook: knudde, knutselen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

knots znw., sedert Kil.: “knodse, knudse. Holl. Fris. Sicamb. Fland. Clava nodosa”. Een afl. van de bij knop besproken basis knu-ð-; vgl. oudnnl. knodde “knoop, knobbel”, ook “knots”. Voor de bet. zie ook knuist en knuttel, en vooral kodde. ’t Daar geciteerde kodse heeft wsch. bij ’t ontstaan van knots in zijn alg.-ndl. bet. meegewerkt. Vgl. nog knutselen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

knots v., Mnl. cnodse, van knod.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

knótsj (zn.) rommel, viezigheid; < Duits Knutsch.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

knots, zn.: kraakbeen; afgeknaagde appel. Br. ‘knobbel, bobbel, uitwas; slag, stoot’. Afgeleide bet. < Vnnl. knodse ‘knots’, met intensieve s < knodde. Mnl. cnot(t)e ‘knoest, klomp’.

knuts, zn.: verzameling bundeltjes graanhalmen. Van knut, knot ‘bundel (draden, vlas, wol enz.)’, zie kno. Vgl. vlas knotten ‘in bundels verdelen’ (WNT).

knutsj, zn.: kop, hoofd; hoog voorhoofd. Intensivum bij knut, knot ‘kinbobbel, knoop’, zie kno.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

knots, zn.: knobbel, bobbel, uitwas; slag, stoot. Afgeleide bet. < Vnnl. knodse ‘knots’, met intensieve s < knodde. Mnl. cnot(t)e ‘knoest, klomp’. Zie ook knod 1.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

knots (B, G, L, W), zn. m.: knobbel, harde uitwas, homp; slag, stoot; mannetje. Afgeleide bet. < Vnnl. knodse 'knots', met intensieve s < knodde, Mnl. cnot(t)e 'knoest, klomp'. Vgl. kneut.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

knuts verzameling v. bundeltjes graanhalmen (Belgisch-Limburg). Grondwoord van belgbrab., belglimb. knutsel ‘bosje van diverse dingen’, (= oostfri. knutsel ‘in elkaar gedraaide knoop’). (Wschl. affectieve) afl. van knot (dial. knut ‘gewonden bundel’, = eng. knot ‘knoop’, = oeng. cnotta ‘knoop’). ~ eng. knit ‘breien’ (= oeng. cnyttan ‘breien’) en lit. gniùsti ‘drukken’.
Goossens 1963 II krt. 41, I 162-163, IEW 372-373.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

knotse (B, K, O), zn. v.: frank (munt) (B, O), klein vrouwtje, mannetje (K), buil, bobbel (B). Afgeleide bet. < Vroegnnl. knodse ‘knots’, met intensieve s < knodde (zie knoddig).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

knots* zware stok 1567 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal