Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

knutselen - (uit liefhebberij dingen in elkaar zetten, prutsen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

knutselen ww. ‘uit liefhebberij dingen in elkaar zetten, prutsen’
Vnnl. een' draeybanck ..., die hij desen somer ... soo bij een hadde weten te knuysselen [1643; WNT], knutselen “kleinigheden van houtwerk maaken om den tijd door te brengen” [1729; Halma NF].
Herkomst onduidelijk. Het WNT signaleert uit diverse Vlaamse 19e-eeuwse dialectbronnen o.a. knosselen ‘knoeiwerk verrichten’, knotsel, knutsel ‘bosje vlas of hennep’, knotselen, knutselen ‘in bosjes binden’. NEW voegt daar nog Nederduits knütsel ‘ineengedraaide knoop’ aan toe. Al deze woorden zouden afleidingen zijn van → knot. Of zij ten grondslag liggen aan het veel eerder geattesteerde knutselen is twijfelachtig.
Wrsch. is knutselen een frequentatief van vnnl. knutsen, dat vooral ‘stuk maken, verbrijzelen, stoten’ betekent, zoals in hy sal v dat hooft ... knutsen ‘hij zal uw hoofd kapotslaan’ [1546; WNT knutsen], maar ook al vroeg in een mildere betekenis voorkomt, zoals in dat saet van vloocruyt met olie van roosen oft azijn geknutst ‘het zaad van vlooienkruid, gestampt met rozenolie of azijn’ [1543; WNT vlooienkruid]. Vermoedelijk is knutsen een expressieve nevenvorm van mnl. cnutten ‘knopen, vastmaken’.
Vorm en betekenis van knutselen, kunnen verder nog beïnvloed zijn door mnl./vnnl. futselen ‘beuzelen’, zie → frutselen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

knutselen* [fabrieken] {knusselen 1785} iteratief van middelnederlands cnutten [knopen, vastmaken], van knot1; verwant met knuttel, knus.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

knutselen ww., eerst na Kiliaen, vgl. Antw. ‘vlas in knutsels samenbinden’ en knutsel ‘bosje vlas’, evenals oostfri. knütsel ‘in elkaar gedraaide knoop’. Het is dus een afl. van knot, vgl. gron. knutern ‘klein timmerwerk uit tijdverdrijf maken’. Het woord herinnert in zijn klank aan frutselen en prutsen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

knutselen o.w., bij knot.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

kutselen, ww.: prutsen, knoeien. Het woord is wrsch. beïnvloed door knutselen, futselen.

nutselen, ww.: knutselen, prutsen. Var. van knutselen, vgl. nutsen.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

nutselen (G, W), ww.: knutselen, prutsen, beuzelen. Var. van knutselen, met n < kn, vgl. Wvl. nokken 'knokken'.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

knutselen ‘fabrieken’ -> Fries knutselje ‘fabrieken’; Duits dialect knüsseln ‘fabrieken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

knutselen* fabrieken 1785 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal