Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

koers - (richting, route; marktwaarde)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

koers 1 zn. ‘richting, route; marktwaarde’
Mnl. course, coers ‘gang, loop, richting’ [1463; MNHWS], ‘waarde’ in in alsulcken penninck als in onsen ... Lande van Brabant cours ende loop sullen hebben ‘in zo'n munteenheid als in ons Brabantse land in omloop, gangbaar zal zijn’ [1497; WNT]; vnnl. cours ‘richting waarin een schip vaart’ in stellende ons cours na 't Zuytwesten ‘waarna wij koers zetten naar het zuidwesten’ [1595; WNT], ‘richting, loop der dingen’ in de reghte koers ‘de juiste aanpak’ [1660; WNT]; nnl. cours, koers ‘wisselkoers, marktwaarde’ in lyfrenten ... de cours [1711; WNT].
Ontleend aan Frans cours ‘loop der sterren’ [1170; TLF], ‘route van een schip’ [ca. 1120; TLF], ‘loop, verplaatsing’ [1080; Rey] < Latijn cursus ‘loop, rit, loopbaan, reis, koers’, zie → cursus en → coureur. De betekenis ‘marktwaarde’ is opnieuw ontleend aan het Frans waar cours de betekenis ‘prijs van waardepapieren en goederen’ [1602; TLF] ontwikkeld had, eerder al ‘verkeer van goederen en waarden’ [ca. 1370; TLF], uit de algemenere betekenis ‘gang, loop, route’.

koers 2 zn. ‘snelheidswedstrijd’
Nnl. koers ‘snelheidswedstrijd’ in te Henley de wijdvermaarde koersen ‘... roeiwedstrijden’ [1907; WNT], de koers ‘de wielerwedstrijd’ [1922; WNT], vooral in BN samenstellingen als velokoers ‘wielerwedstrijd’ [1922; WNT velo], koersfiets ‘racefiets’ [1934; WNT Aanv. koers II], kermiskoers ‘wielerwedstrijd tijdens de kermis’ [1941; WNT Aanv. kermis I].
Ontleend aan Frans course ‘snelheidswedstrijd’, onder meer ‘paardenrennen’ [1771; TLF], eerder al algemener ‘wedstrijd’ [1538; TLF], Oudfrans corse ‘het hardlopen’ [ca. 1205; TLF], vrouwelijke vorm van cours ‘gang, loop’, zie → koers 1, mogelijk ontstaan onder invloed van Italiaans corso ‘wedloop’, eerder al corsa ‘het hardlopen’ [1313; DELI], zie → corso. Het woord is in deze betekenis het eerst in het BN overgenomen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

koers [richting, route, gangbaarheid van geld] {coers [koers, loop, gang] 1463; de betekenis ‘gangbaarheid van geld’ 1497} < frans cours [idem] < latijn cursus [(snelle) loop, baan, richting], van currere (verl. deelw. cursum) [(hard) lopen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

koers znw. m., sedert de 15de eeuw < fra. cours < lat. cursus (zie voor de oudste bekende plaatsen v. d. Meulen Ts. 73, 1955, 102-3).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

koers znw., reeds 1537 in coers hebben “gangbaar zijn” (Amersfoort), laat-mnl. (Froissart) haren course doirgaen “vooruittrekken, doortrekken”. Uit fr. cours (lat. cursus). Ook in andere talen ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

koers m., uit Fr. cours en course = loop, van Lat. cursum (-us), afgel. van ’t v.d. van currere = loopen (z. kar).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

koers ‘richting’ (Frans cours); ‘wielerwedstrijd’ (Frans course)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Koers, van ’t Fr. cours en dit van ’t Lat. cursus = loop, gang, richting, van currere = loopen; vgl. koerier, en concurrent = mede-looper (n.1. in den wedstrijd; fig. mededinger).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

koers ‘richting, route; prijs van geld, waardepapieren’ -> Duits Kurs ‘richting, reisroute, traject’;? Zweeds kos ‘weg’ (uit Nederlands of Nederduits); Russisch kurs ‘scheepskoers; geldkoers; (Sovjettaal) richting in de politiek’; Oekraïens kurs ‘scheepskoers; geldkoers’ <via Russisch>; Azeri kurs ‘richting; scheepskoers; geldkoers’ <via Russisch>; Indonesisch kurs ‘prijs van geld, waardepapieren’; Sranantongo kurs ‘richting, route’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

koers richting, route 1463 [HWS] <Frans

koers prijs van geld, waardepapieren 1497 [WNT] <Frans

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

gelopen koers; — race, gezegd van iets waarvan de afloop vast staat; het is al beslist.

De kwestie van de kruisraketten is allerminst een gelopen race. In zelfs de democratisch meest bedenkelijke variant kan de meerdereidsopvatting in het land tot zijn recht komen. (De Volkskrant, 07/09/85)
Neen, het is nog geen gelopen koers, we mogen hopen en bidden. (Vrij Nederland, 09/06/90)
Ook zonder Koeman is het een gelopen koers, weten de Catalanen. (De Volkskrant, 30/05/92)
In die opzet slaagden zij slechts in het begin van de wedstrijd. Die veelbelovende fase sterkte veel Nederlanders in hun overtuiging dat de partij een gelopen koers was. (De Volkskrant, 13/06/92)
De bekerwedstrijd lijkt op voorhand een gelopen race. (Trouw, 13/06/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal