Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kot - (verblijfplaats)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kot zn. ‘verblijfplaats voor dieren, hok’; (BN) ‘studentenkamer, bordeel’
Onl. kota ‘klein huis’ in de vroegere Zeeuwse plaatsnaam Cota [1038; Künzel]; mnl. cot, cote (in verbogen naamvallen vaak niet te onderscheiden) ‘hut, armoedig verblijf; dierenverblijf’ in duve in duvekoten ‘duiven in duivenhokken’ [1290; MNW], sonder celle, huus of cot ‘zonder cel, huis of hut’ [1300-25; MNW-R], hoerenkot ‘bordeel’ [1494; MNW].
Mnd. kot, kote, naast kate (ook oostelijk mnl.; nnd. kate ‘eenvoudig boerderijtje’, zie ook → katenspek); mhd. kot, kote, Zwitsers-Duits chotte; oe. cot, cote (me. cot, cote, ne. cot naast -cote in dovecote ‘duiventil’, sheepcote ‘schaapskooi’); on. kot (nzw. kåta); alle ‘klein huisje, hut e.d.’; < pgm. *kuta- (o.), *kutō-. Daarnaast staan, steeds met ongeveer dezelfde betekenis, met umlaut pgm. *kut-ja-, waaruit on. -kytja; en ablautend pgm. *kautjō-, waaruit: oe. cyte; nno. dial. køyta. Misschien is ook mhd. *kœzze ‘draagkorf’ (< ohd. *kut-issa; nhd. dial. Kietze, Kötze) verwant, zie → kit. In dat geval zou men moeten uitgaan van een betekenis ‘vlechtwerk’.
Oudfrans *cote, dat is geattesteerd in Noord-Franse toponiemen en in de Oudfranse afleiding cotier ‘kleine boer’, is een ontlening uit het Nederlands of een Noord-Germaanse taal. Uit de Oudnormandische afleiding cottage ‘boerenwoning’ ontstond Engels cottage ‘klein huisje’. Litouws kūtė ‘stal’ is via het Oudpruisisch ontleend aan het Nederduits.
Buiten het Germaans zijn er geen duidelijk verwante woorden. De verdere etymologie is dan ook onzeker, zie ook → kuil. Indien er verband is met Kerkslavisch kotĭcĭ ‘kamer, opslagruimte’ (Russisch vero. kotéc ‘fuik’) en Fins kota ‘hut’, is gemeenschappelijke ontlening aan een niet-Indo-Europese substraattaal niet uitgesloten.
Uit de basisbetekenis ‘klein, armoedig huis’ zijn met name in het BN enkele specifieke betekenissen ontstaan, zoals ‘dierenhok’, ‘bordeel’, ‘gevangenis’ en ‘studentenkamer’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

koot2* [hokje] {cootken ca. 1550} nevenvorm van kot.

kot* [armoedig huis] {in de vroegere Zeeuwse plaatsnaam Cota 1038, cot 1290} middelnederduits kot, kote, middelhoogduits kot, oudengels cot, oudnoors kot [hut]; waarschijnlijk is het woord van germ. oorsprong en dan te verbinden met hoogduits Kietz [visserswoongebied], Kietze [draagkorf], noors dial. køyta [takkenhut]; de oorspr. betekenis zou dan zijn ‘buigen’, ‘welven’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kot znw. o., mnl. cot o. ‘hut, hok’, mnd. kot, o., mhd. kot o.m., oe. cot o., on. kot, vgl. mnl. cote v.o., mnd. kote m., oe. cote, cyte. — Zie: keuterboer.

De etymologie is onzeker. 1. Zeer aannemelijk is de verbinding met nnoorw. dial. køyta ‘hutje van twijgen gevlochten in het bos’, mhd. kœtze ‘rugkorf’, nhd. dial. kieze ‘korf van bast’ en dan zou kot dus eigenlijk zijn ‘uit takken gevlochten hut’. — 2. Men heeft ook vergeleken oi. gudam ‘darm’, maced. góda ‘ingewanden’ en dan verder bij de idg. wt. *geu ‘buigen, krommen’, waarvoor zie ook: kuit en kut (IEW 393-4). Dan kan men uitgaan van een bet. ‘hutkuil’, waarover een vlechtwerk van takken opgericht werd; hierop zou dan het woord voor kuil zijn overgedragen (Persson SVS Uppsala 10, 1912, 109 en Stender-Petersen SGL 232-4, die op de slavische ontl. osl. kotĭcĭ ‘boer’, russ. kotych ‘varkenskot’, koteč ‘viszak, buidelnet’ wijst). — 3. Opmerkelijk zijn de sterk gelijkende woorden in fins-oegrische talen, zoals fins kota ‘hut’, dat men verbonden heeft met oi. kuṭ̃a ‘hut’. V. Brøndal APhS 3, 1928, 8-9 wijst verder ook op ofra. cote ‘hut’ en ‘kleed’ en neemt een ‘wanderwort’ aan, dat van een onbekende taal over de Iraanse Skythen aan de Zwarte Zee naar Europa gekomen zou zijn. Zeer hypothetisch en voor een benaming van een primitieve woning wel onwaarschijnlijk. — 4. Daar het woord de woning van een keuterboer aanduidt, zou men kunnen denken aan de herkomst uit de taal van een onderworpen voorgerm. bevolking. H. Kuhn, Westf. Forsch. 12, 1959, 34 gaat dan uit van een grondvorm *kut, die hij vergelijkt met lit. kūtis ‘stal’, gr. kútos ‘hol, omhulling, huid’, lat. cūtis ‘huid’, waartoe met verschoven k verder behoren hut en huid. De overname zou dan geschied zijn nadat de germ. verschuiving van de k doorgevoerd was.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kot znw., o., mnl. cot (gen. cōtes) o. “hut, hok”. = mhd. (md.) kot o. m., mnd. kot o., ags. cot o. (eng. cot), on. kot o. “id.”. Voor germ. verwanten zie bij keuterboer. Misschien verder nog met ablaut noorw. dial. køyta “hutje van takken gevlochten, vischben” en nhd. kieze v. “korf, aardbeienmand.” Wellicht echter moeten wij voor kot niet van een grondbet. “vlechtwerk, hut van vlechtarbeid”, maar van “holle of gewelfde ruimte”, event. “woonhol” uitgaan; dan zouden Kil. “kute. Zeland. j. putteken. Scrobiculus”, thur. kaute “kuil, holte, ruïne, vijver, gevangenis, vrouwelijk schaamdeel”, hess. kaute, kutt(e) “inzinking, kuil” verwant zijn en een oudere bet. hebben. Vgl. verder kut. Oorsprong onbekend. Verwantschap met kuit is semasiologisch niet aannemelijk. Als wij kot en thur. kaute enz. van een uit ku-, idg. gu- verlengde basis ku-t- < gu-d- “concaaf of convex zijn” afleiden, kunnen hoogerop kuil I, kiel II enz. verwant zijn. Zie keutel.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kot. Sterk gelijkend is fins kota ‘huť en verwante woorden in andere fins-oegrische talen. Men heeft deze wel uit het Iraans afgeleid (Brøndal APhSc. 3,1 vlgg.; vgl. ook Persson Beitr. 111 noot): vgl. oi. kuṭa- ‘hut’. Brøndal t.a.p. wil ook de germ. woorden (via de Iraanse “Scythen” aan de Zwarte Zee) hieruit afleiden. Deze onderstelling die veel aanlokkelijks heeft, zou de hier en bij keuterboer Suppl. weifelend genoemde germ. ablautsvormen verdacht en alle pogingen tot aansluiting bij idg. wortels met g- overbodig maken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kot o., Mnl. cot + Ndd. kot, Ags. cot (Eng. id.), On. en De. kot; daarnevens dial. kote, kate. Mnl. cote, Mndd., Ags., Eng. id., verder Hgd. kötze = draagkorf; van denz. wortel als kuil. Ontleend aan ’t Germ. zijn Gaël. cot, Osl. kotǐci en Fr. cotage.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

kot 'klein huis, kleine boerderij'
Onl. cote 'klein huis', mnl. cot 'kot, hut, hutje, armelijk verblijf', ook 'kooi, schuur, hok', cote 'hut, huisje', oostelijk mnl. cote, cate, mnd. kot, kote, kate, nnd. kate 'eenvoudig boerderijtje', mhd. kot, kote, oe. cot, cote, ono. kot, alle met de betekenis 'hut, klein huis'. De etymologie is onzeker, buiten het Germaans is er geen duidelijke verwantschap, hetgeen aanleiding is om in kot een substraatwoord te zien, door de Germanen overgenomen uit de taal van een onderworpen bevolking. In dat geval mogelijk verwant met Litouws kûtis 'stal', Grieks kútos 'hol, omhulling, huid', een onverschoven variant van hut1. Oudste attestaties in plaatsnamen: 973 kopie 1473 Cathentol 'tol bij Katen' (→ Katerveer)2, 1038 Cota (verdwenen, bij Aardenburg)3.
Lit. 1Kuhn, WF 12 (1959) 34, 2Künzel e.a. 1989 203, 3Idem 210.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kot (in varkenskot, duivenkot enz.), is een oud woord voor: kleine woning, hut; ook kleine boerderij; dit laatste ook wel: keutstede, en de bewoner: keuterboer of keuter. Vgl. ook de dorpsnaam Koten, Kootwijk, e. a.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kot ‘armoedig huis; hoek; (Belgisch-Nederlands) studentenkamer’ -> Frans dialect cotche ‘klein hokje, toevluchtsoord’; Frans dialect kot ‘studentenkamer’; Baskisch kutxa ‘koffer, kist’ <via Frans>; Negerhollands kot, cot ‘hok’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † kot ‘hok, kennel’ <via Negerhollands>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kot* armoedig huis 1038 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1117. Keet.

In eigenlijken zin verstaat men onder een keet een loods, een hut van polderwerkersPropria Cures, XXVI, 171: Zoo is er in Utrecht een heele herrie in de hut., waar het nu niet zoo bijzonder ordelijk uitziet; vandaar de beteekenis troep, warboel, rommel, herrie, pan, lawaai, die het woord thans veelal heeft; in Zuid-Nederland verstaat men er ook een ellendig huis, een krot onder; vgl. Teirl. II, 122: keete, ellendig huis; De Bo, 507: keete, gering huis, slechte woning, huis van ontucht. - V. Schothorst, 151: et was en keet, 't was een herrie; Van Ginneken, Handb. I, 490; Nkr. VI, 14 Sept. p. 2: Van de S.D.A.P. en haar geheimen gesproken, zei toen m'n zwager, dat zal een keet worden op dien rooden Dinsdag; Köster Hencke, 31: keet, herrie, drukte, janboel; ook menigte: wat een keet gajes (volk); evenzoo in Jord. 60: kinderkeet; in Ppl. 217: 'n Heele keet knechte; bl. 9: Vandaag lijkt de heele keet wel vervloekt; Nkr. III, 18 April p. 4: Veel herrie was er in de keet, wat juichten onze kranten; 5 Sept. p. 4: Maak nu geen herrie in de keet, zoek liever arbitrage; De Arbeid, 30 Mei 1914, p. 4 k. 1: Het wordt anders een keet met al die verordeningen. Ook als bepaling van maat in Ppl. 4: Ik voel me nou 'n heele keet (vgl. een heele boel, een heele rommel) beter. Uit deze beteekenis rommel, herrie heeft zich die van lawaai, drukte, pret ontwikkeld, evenals bij herrie (oorspr. herberg? zie no. 902), het Vlaamsche kot, houten huisje, maar ook leven, gedruisch: Een kot houden (van al duivels), er geweldig huishouden. - Was dat daar een kot! (De Bo, 563; Schuermans, 283; Teirl. II, 176, enz.), en het Gron. kantoor in kantoor moaken, schuppen, leven, alarm, gedruisch, twist (Molema, 191). Ook ‘pan’ vereenigt, evenals keet, de beteekenis menigte en herrie, lawaaiBijvorm van lavei van 't ww. laveien, over straat zwaaien (Franck-v. Wijk, 373). in zich. In den zin van herrie, drukte komt keet voor in verbinding met de ww. fokken, maken, schoppen en trappen; waaarnaast ook keetjes (grapjes) maken en een wkw. keten wordt aangetroffen; zie Van Ginneken, Handb. I, 492; Weekbl. voor Gymn. en Middelb. Onderwijs VIII, 1326; IX, 420-421; 423; syn. is deining fokken en berzie makenBerzie (ook birzie) heeft ook de beide beteekenissen ongeordende troep en drukte, herrie. Voor de afleiding (vgl. nd. birsen, het onrustig heen en weer loopen van het vee) zie Ndl. Wdb. II, 1938 en vgl. Tijdschrift, XXXVII, 64: berzieboel en wanberzieboel..(Aanv.) In de 17de eeuw is keet in den zin van huis, woning reeds bekend in de uitdr. iemand de keet uitboenen (Winschooten, 103). Zie verder Ndl. Wdb. VII, 2017.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

gēu-, gǝu-, gū- ‘biegen, krümmen, wolben’, Nominalbildungen: gudo-m ‘Darm, Eingeweide’, gut-r̥ ‘Kehle, Hals’, gugā ‘Kugel, Buckel’, geu-lo-s ‘rundes Gefäß, Kugel’, gou-no-m ‘Gekräuseltes, Gewölbtes’, gupā ‘Erdhöhle, Stall’, geu-ro-s, gou-ro-s ‘gekräuseltes (Haar, Welle)’, gur-no-s ‘Rücken, Hüfte’, gū-ro-s ‘rund, gekrümmt’.

Unerweitert wohl in gou̯ǝ- : gū- ‘Hand’, s. dort; ferner norw. kaa ‘das Heu umdrehen, wenden’, anord. ‘die Ruhe stören’ (*kawōn); kā-beinn ‘krummbeinig’ (*gou̯o-; air. gāu, ‘Lüge’, falls aus *gōu̯ā, hierher, sonst mit lat. haud zu verbinden); über gr. γύης, γυῖον s. unten S. 398, über γύαλον s. unten S. 397.
a. Dentalerweiterungeu :
gud-, geud- (vereinzelt gu̯-ed-?), vor allem im Germ.; gudo-m ‘Darm’.
Ai. gudám ‘Darm’;
maked. γόδα· ἔντερα Μακεδόνες Hes.;
ndd. küt ‘Darm’, nhd. bair. kütz ‘ein Teil der Gedärme’; ndd. küt, küte auch ‘Eingeweide kleinerer Tiere, Rogenbeutel; Wade; Tasche, Beutel’, mnd. kūt ‘Weichteile im Tierkörper, Rogenbeutel, Wade’, holl. kuit (*kūt-) und kiete (*keot-) ‘Fischrogen; Wade’, engl. mdartl. kyte, kite ‘Bauch, Magen’ (vgl. zur Bedeutung unten qiþus);
afries. kāte (*kaut-) ‘Knöchel’, mnd. kōte, kūte ‘Huf, Klauen, bei Pferden das Fußgelenk’, ndd. (und entlehnt nhd.) Kote, Köte ‘Knöchel, Fessel der Pferde’, Demin. mnd. kötel, nd. Kötel (aus *kutil) ‘rundliche Exkremente z. B. von Ziegen, Pferden’, mndl. cotel, holl. keutel ‘ds., Kegel, Knirps’;
norw. dial. kyta ‘Buckel, aufgebauschte Falte, Anschwellung an einem feisten Körper, sackförmige Erweiterung eines Netzes’, schwed. dial. kūta ‘mit gekrümmtem Rücken gehen oder laufen’, nhd. kauzen = kauern (‘sich zusammenkrümmen’), geminiert schwed. kott(e) ‘Tannenzapfen’, dial. kutte, kutting ‘kleiner feister Knabe’;
mit dem Begriff der Einbiegung, Höhlung: ndd. kūte ‘Grube’, mhd. kūz, nhd. Kauz ‘Grube als Gerichtsstätte’ (formell = norw. dial. kūt ‘Verkrüppelung im Wuchs’, schwed. dial. ‘Knolle, Buckel’; mhd. kūte ‘Grube, Loch’, nhd. mdartl. Kaute ds. wohl aus dem Ndd.); norw. dial. køyta ‘Einsenkung im Erdboden, Pfütze; Gefäß, worin man Fische trägt’ (*kauti-) = mhd. kætze, nhd. mdartl. Kötze ‘Ruckkorb’, ags. cȳte ‘Hütte, Haus, Lager’ ( = īe) = norw. køyta ‘Waldhütte aus Zweigen’, vgl. nhd. dial. kieze ‘Bastkorb’ (-eu-), ags. cȳt-wer ‘Fischreuse’ mit expressiver Geminata mnd. usw. kutte ‘cunnus’ (mhd. kotze ‘meretrix’); Loch = schlechte Wohn- oder Liegerstatt: ndd. (und entlehnt nhd.) kot, kote ‘Schuppen, Stall, Hütte’, mndl. cot, cote ‘Höhle, Lagerwilder Tiere, Stall, schlechte Hütte’, ags. cot ‘(Räuber-) Höhle, Haus, Lager’, anord. kot ‘kleine Hütte’, kytia ds.;
nasaliert anord. kunta ‘vulva’ aus mnd. kunte ‘cunnus; auch Hinterer’, norw. schwed. kunt ‘Ranzen (von Birkenrinde)’; auch av. gunda-, gundā ‘Teigballen’?
gū̆-t-, geu-t-; über gu̯-et- siehe besonderen Artikel; gut-r̥ ‘Kehle’.
Lat. guttur (*gūtṛ, Bildung wie hitt. kuttar); n. (bei Plautus m.) ‘Gurgel, Kehle’, guttura (Plin.) ‘dicke Hälse, Geschwülste am Hals’;
dazu als ‘hautsackartige Gebilde am Hals’ u. dgl.:
geut- in ags. cēod(a) m. ‘Sack, Tasche’, ahd. kiot ds., mnd. kǖdel ‘Tasche’, mhd. kiutel ‘Wamme, Unterkinn’, nhd. Keutel ‘Fischnetz, Darm, Geschwulst’;
gut- in mnd. koder m., nhd. dial. Köderl, Goderl (*gut-ro-) ‘Unterkinn, Kropf’, ndd. koden ds., engl. cud ‘das Innere des Schlundes bei Wiederkäuern’, ndl. kossem ‘Unterkinn’ (*gutsmo-), norw. kusma ‘parotitis’; mhd. kuteln, nhd. Kutteln ‘Kaldaunen’;
mit expressivem dd: ags. codd m. ‘Hülse, Schote, Sack’, aisl. koddi ‘Kissen, Hode’; vielleicht ahd. kutti ‘Herde’, nhd. Kette, bair. kütt ‘Schar jagdbarer Tiere’;
hitt. ku-u-tar (kuttar), Dat. ku-ut-ta-ni (kuttani) n. ‘Nacken, Oberarm’ (= lat. guttur, s. oben); kuttanalli ‘Halskette’.
b. Gutturalerweiterungen; gugā ‘Kugel’.
Mhd. kugel(e), nhd. Kugel, mnd. holl. kogel ds., nhd. dial. Kogel ‘runde Bergkuppe’ (Persson Beitr. 113); rhein. Klugel, Krugel nach Persson wohl erst durch Verquickung mit kliuwel und Klüngel;
mit gg: ags. cyćǵel, engl. cudgel (*kuggila) ‘Knüttel’, anord. kuggr aus mnd. kogge, engl. cog ‘breites, plumpes Seeschiff’;
mit germ. k: isl. kjūka ‘Fingerknöchel’, norw. kjūka ‘Klumpen’, kokle, kukle ‘Klumpen’, kokla (und kogla), kokul ‘Fruchtzapfen der Nadelbäume’; ags. cyćel, nengl. dial. kitchel ‘kleiner Kuchen’; dazu anord. kjūklingr mit ‘Gänschen’, ags. ćiećen, nengl. chicken, mnd. kǖken, nhd. Küchlein ‘Hühnchen’;
mit germ. kk: ahd. coccho, nhd. mdartl. Kocke ‘Haufen, Heuhaufen, Misthaufen’, dän. kok(k) ‘Haufen, Heuhaufen’;
lit. gugà f. ‘Knopf, Buckel, Hügel’, gaũgaras m. ‘Gipfel eines Berges’;
russ. gúglja, poln. guga ‘Beule’ (Persson Beitr. 937); aber lit. gúogė, gógė f. ‘Kopf’, gõgas m. ‘Widerrist des Pferdes’, wohl nicht aus dehnstufigem *[u]-g-; anders darüber Trautmann KZ. 43, 176;
mit -g̑-:
npers. gūzak ‘Fußknöchel’ (?);
lit. gùžas ‘Knorren, Beule, Kropf’, gūžỹs ‘Kropf’, gaũžė ‘Kopf’, lett. gũza, guza ‘Kropf’, guzma ‘Haufen, Höcker’, gũža ‘Hüfte, Lende, Keule beim Braten’;
ačech. hýžě ‘Hüfte, Oberschenkel’, poln. giża, giza ‘Knochenkopf am Schienbein u. dgl.’ (auch ksl. gyža vinьnaja ‘Weinstock’, serb. gidža ds. als ‘Knorren, Knorrengewächs’); wahrscheinlicher hierher als zu *geng- (s. dort), poln. guz ‘Beule, Höcker’, guza ‘Hinterer’, sloven. gúza ‘Hinterer, Höcker’, wie z. T. wohl auch andere, an sich auch mit guz = gǫz- ansetzbare Worte (s. *geng-); doppeldeutig sind auch die Worte mit balt. (gunž-) gūž- wie gunžỹs, gūžỹs ‘Kropf bei Vögeln, Kopf des Oberschenkelknochens’ usw.; s. Mühlenbach-Endzelin Lett.-D. Wb. I 685, 687;
neben lett. gū̆za, guzma stehen kuza ‘Haufen’, kuzma ‘Hühnerkropf’, die formantisch mit guza usw. im Zusammenhang stehen, im anlaut. k- aber ein mit av. fra-, apa-kava- ‘vorn, hinten mit einem Höcker’ und der Sippe qeu- ‘biegen, wölben’ zusammenhängendes Wort zur Voraussetzung haben;
über das von slav. guz- nicht sicher zu trennende gǫz- s. unter geng-.
c. Labialerweiterungen; gupā ‘Erdhöhle’.
Gr. γύπη ‘Erdhöhle, Schlupfwinkel, Geiernest’ (Hes.); γύψ, γῡπός ‘Geier’ (vom krummen Schnabel oder den krummen Klauen, wie γρύψ zu γρυπός ‘gekrümmt’);
ahd. chubisi ‘tugurium’, mhd. kobe ‘Stall, Schweinestall, Käfig, Höhlung’, nhd. Koben ‘kleines, schlechtes Gemach oder Gebäude, Schweinestall’ (dazu mhd. kobolt, nhd. Kobold, z.B. Kluge11 315), ags. cofa (engl. cove) ‘Kammer, Versteck, Höhle’ (daraus anord. kofi ‘Kammer, Zelle’), westfäl. küffe (*kufjō) ‘schlechte Hütte’; Grundbed. ‘Loch in der Erde als Wohngrube’, eigentl. ‘Einwölbung’, ndd. Kübbung ‘Anbau’; mhd. nhd. Kober ‘Korb’; holl. kub, kubbe ‘Fischreuse’; mhd. kobel m. ‘(gewölbter) Kasten, enges schlechtes Haus, Stall’; hingegen stammen mhd. kobel n. ‘Felsenschlucht’, kofel ‘Bergkuppe’, nhd. bair.-allem. Kofel, Kobel, Gufel, rätorom. cúvel, ital. cóvolo ‘Höhle, Felswand’ aus lat. *cubulum (zu cubāre) ‘Lagerstätte des Viehs’ (Zinsli, Grund u. Grat 322) und ahd. miluh-chubilī ‘Milchkübel’, mhd. kübel, nhd. Kübel wohl aus mlat. cupellus;
anord. kūfr ‘runde Spitze, Haufen’, norw. kūven ‘rundlich, gewölbt’ (davon norw. kuva, kyva ‘abrunden, abstumpfen’, vgl. auch schwed. kuffa ‘bändigen, stoßen = ndd. kuffen ‘stoßen, ohrfeigen’), holl. kuif (mndl. *cūve) ‘Federbusch, Schopf, Haube, Baumwipfel’ (vgl. in ähnlicher Bed. frühnhd. Kaupe ‘Federbusch, eigentlich Haube, auf dem Kopf der Vögel’ aus ahd. *kūba, wohl aus der rom. Sippe von cūpa, ebenso ags. cȳf ‘Faß, Tonne’, as. kūvīn ‘Faß’, vgl. frz. cuve aus lat. cūpa ‘Kufe’);
germ. *kubb-: westflämisch kobbe ‘Federhüschel, buschiges Нaar, Hutkopf’, aisl. kobbi m. ‘Seehund’, bair. koppen ‘buschige Krone eines Nadelbaumes’, engl. cub ‘Junges’, cob ‘runder Klumpen, Kopf, Spinne’, vermutlich auch isl. kubbur, kubbi ‘Klotz, Stumpf’ (dazu schwed. isl. norw. kubba ‘abhauen’);
germ. *kūp-: norw. dial. kūp ‘Buckel’, schwed. kupa ‘halbkugelförmiges Gehäuse, Bienenkorb’ u. dgl.; schwed. kypa ‘rundes Gefäß aus Stroh’, ndd. küpe ‘großer Tragkorb’, engl. dial. kipe (ags. *cȳpe) ‘geflochtene Fischreuse, Korb’; ablautend norw. dial. kaup ‘hölzerne Kanne’, kaupa ‘Knolle’;
hingegen stammen wohl aus lat. cuppa f. ‘Becher’: ags. copp m. ‘Gipfel, Becher’ (mengl. auch ‘Kopf), cupp m., cuppe f. ‘Becher’, nhd. (eigentlich md.) Koppe ‘Kamm (Haube) der Vögel’, Koppe, Kuppe, ‘runder Berggipfel’, mhd. kuppe, ahd. chuppa ‘Kopfbedeckung’ (mit expressiver Verschärfung ahd. chuppha ds., mhd. kupfe, kuffe, gupfe ds., gupf, gupfe m. ‘Gipfel eines Berges, Spitze des Turmes’, worin g- wohl Substitution für roman. c-; anord. koppr ‘Kopf, Gefäß, Helmknopf, Augenhöhle’ ist Lw. aus mnd. kopp); afries. mnd. kopp ‘Becher’, ahd. kopf, chuph ‘Becher’, mhd. kopf ‘Trinkgefäß, Hirnschale, Kopf’ (ähnlich rom. testa ‘Kopf’ aus lat. testa ‘Scherbe, Schale’, mlat. testa capitis), nhd. Kopf.
Nasaliertes germ. *kumb-: ags. cumb (engl. coomb) ‘Napf’ (in der Bed. ‘Tal’ aus abrit.*kumbo-s ‘Tal’), mnd. kumm(e) f. ‘rundes, tiefes Gefäß, Kufe, Napf’, nhd. Kumme ‘tiefe Schale’, schweiz. chumme ‘Zisterne’; *kump- (aus *kumb- mit Kons.-Schärfung) mnd. kump, mhd. kumpf ‘Gefäß, Tasse’, nhd. Kumpf.
Dazu vielleicht npers. gumbed ‘Wölbung, Kuppel, Becher’;
ferner vermutlich lit. gum̃bas m. ‘Wölbung, Geschwulst, Knorren’; lett. gum̃ba ‘Geschwulst’;
aksl. gǫba ‘Schwamm, Pilz’, skr. gȕba ‘Schwamm, Aussatz’, sloven. gǫ́ba ‘Schwamm, Pilz’, gȏbec m. ‘Maul’, аčеch. húba ‘Schwamm’, jünger ‘Maul, Lippe’, russ. gubá ‘Baumschwamm’; daneben gúba ‘Lippe’; im Slav. liegt Intonationswechsel vor, die Bedeutung ‘Maul’ ist überall jünger.
Unter einer Grundbed. ‘bergen’ wurde nhd. Koben verbunden mit av. gufra- ‘tief; geheimnisvoll, wunderbar’, angeblich ursprünglich ‘in eine Grube versenkt’?
d. Mit l-Suffixen; geu-lo-s ‘rundes Gefäß’.
Ai. gōla-ḥ ‘Kugel’, gōlā, gōlam ‘Ball, runder Wasserkrug’; vielleicht ai. gula-ḥ, gulī, gulikā ‘Kugel, Kügelchen, Spielball’ (oder als gel- zu *gel- ‘ballen’);
arm. kalum ‘ich nehme, fasse’ (*gu̯elō);
gr. γυλιός ‘längliche Tasche’ (auch γογ-γύλος? s. gong-; über γωλεός s. unter *gol- ‘liegen’);
gr. γύαλον ‘Höhlung des Panzers’, später ‘Schlucht’, meg. γυάλᾱς ‘Trinkbecher’, ἐγγυαλίζω ‘händige ein’ (vgl. zu letzterem ἐγγυάω unter *gou̯ǝ-) können auch als *γυσαλο- von der s-Erw. *g(e)u-s- stammen;
lat. vola f. ‘Höhlung der Hand, des Fußes’ (*gu̯-elā);
ahd. kiol, ags. cēol, anord. kjōll m. ‘(*rundliches) Fahrzeug, Schiff’ (die jüngere Bed. ‘Kiel’ durch Einfluß von anord. kjǫlr ‘Kiel’; germ. *keula- = ai. gōla-), ahd. kiulla ‘Tasche’; ags. cȳll(e) ‘Schlauch, Gefäß’, entlehnt aus lat. culleus; woraus finn. keula ‘Steven’, anord. kȳll m. ‘Sack, Tasche’ (ndl. kuil ‘der mittlere, sackförmige Teil eines Netzes’ aber nach. Franckvan Wijk Wb. 356 aus andl. kuidel von der t-Erw. der Wz.); ahd. kūli, mhd. kiule, nhd. Keule (urgerm. *kūlōn-) ‘Stock mit dickem kugelförmigem Ende’, mnd. kūle ‘Keule, keulenförmiges Gefäß, Hode, Geschwulst, Kaulquappe; (konkav:) ‘Grube, Höhle’ (letztere Bed. auch in mhd. kūle, nhd. (md.) kaule und aschwed. kūla), mhd. kūle, nhd. Kaule ‘Kugel, kugelförmiger Gegenstand’, nhd. Kaulquappe (vom kugelförmigen Aussehen), anord. kūla ‘Beule, Kugel’; nhd. mdartl. kulle ‘Kugel, Rolle, Walze’, kullern, kollern ‘rollen, kugeln’ (: gr. γυλλός· κύβος ἤ τετράγωνοςλίθος Hes. mit Verblassen der Bed. des runden?); vermutlich auch anord. kollr m. ‘abgerundeter Gipfel, Kopf’, mnd. kol, kolle m. ‘Kopf, oberster Teil von Pflanzen’, nhd. küllbock und (hochstufig) kielbock ‘hornloser Bock’, vgl. alb. tsjap gul ‘hornloser Bock’; norw. køyla (*kauliōn) ‘Rinne, Kanal’.
e. Mit n-Suffix; gou-no-m ‘Gekräuseltes, Gewölbtes’.
Av. gaona- n. ‘Haar (bes. der Tiere); (Haar)farbe’ (vgl. oben lit. gauraĩ usw.);
speziell germ. Bildung anord. kaun n. ‘Beule’, mnl. coon f. ‘Kiefer, Kinnbacken’, nld. koon ‘Wange’ (*kaunō); dazu got. kuna-wida ‘Fessel’ (‘gekrümmter Strick’, zu ahd. widi ‘Strick’).
f. Mit r-Suffixen; geu-ro-s, gou-ro-s, gū-ro-s, gur-no-s.
Arm. kuṙn Gen., kṙan ‘Rücken’ (= lit. gur̃nas), kr-ukn, Gen. krkan ‘Ferse’, kur, Gen. kri ‘Boot, Kahn’, auch ‘Becken, Napf, Pfanne’; kray (*gūrāti-) ‘Schildkröte’; o-stufig kor (*gou̯-ero- oder -ero-) ‘gekrümmt, gebogen; verkehrt’, kori ‘Kanal’, koriz ‘Geschwulst; Obstkern, Samenkorn’;
gr. γῡρός ‘rund, ausgebogen’, γῦρος ‘Rundung, Kreis, runde Grube’, γῡρόω ‘krümme’, γυρῖνος oder γύρῑνος ‘Kaulquappe’ (wie mnd. kū-le, nhd. Kaulquappe, s. oben);
mir. gūaire ‘Haar’ (ursprüngl. ‘*Kraushaar’, vgl.:) nir. guairneán ‘Wirbelwind’;
norw. kaure ‘krause Locke (bes. von Wolle)’, kaur ‘gekräuselte Welle’ (idg. *gou-ro-; daneben germ. *kau̯-ara- in:) anord. kārr m. ‘krause Locke’, kāri ‘das Wasser kräuselnder Windstoß’, norw. kåre ‘Hobelspan’; mit -eu- das germ. Lehnwort finn. keuru ‘curvus’; mit ū (vgl. γῡρός und die ū̆ enthaltenden arm. Worte) norw. kūra ‘sich zusammenkauern; ruhen’, mnd. kūren ‘(dem Wild) auflauern’, nhd. kauern; mit Anwendung von Gerinnen der Milch norw. kjøre (*keuran-) ‘Käse im ersten Zustand’, kūr (*kūra-) ‘ds., geronnene Milch’, køyr (*kauri-) ‘Käsemasse von säuerlicher Milch’, kaara (*kau̯arōn) ‘gerinnen, käsig werden’ (fraglich hingegen sloven. usw. žȗr ‘Molken’ wegen der auf weisenden Nebenform sloven. zȗra, zọ̑ra ‘Molken’);
lit. gaũras m., meist Pl. gauraĩ ‘Haar am Körper, Flachsfaser’, lett. gauri m. Pl. ‘Schamhaare’ (vgl. oben av. gaona- n. ‘Haar’); lit. gur̃nas m. ‘Hüfte, Fußknöchel’, lett. gùrus ‘Hüfte, Gabel am Spinnrad’ (= arm. kuṙn); lit. gū̃rinti, gūrúoti ‘gekrümmt gehen’, lett. gūrâties, guôrîties ‘sich rekeln’; lit. kálno gùras m. ‘Bergvorsprung’;
serb. gȕra f. ‘Höcker’, gȕriti se ‘sich zusammenziehen, krümmen’; ob hierher skr. žúriti se ‘sich eilen’?; s. auch unter g̑eu- ‘fördern, eilen’; auch bulg. gúrkam, gúrnъ ‘tauche ins Wasser’?; die Intonation erforderte *gōurā oder *gou̯erā (vgl. oben anord. kārr usw.).
g. Mit s-Suffixen:
npers. gōšā ‘Winkel, Ecke’;
gr. γύης ‘Krummholz am Pflug’, ἄροτρον αὑτόγυον ‘Pflug, an dem Krummholz und Scharbaum noch aus einem Stück bestanden’ (s-Suffix unsicher), wozu γύης ‘Ackermaß’ (*γυ[σ]ᾱς-, aber auch *γυϝᾱς- möglich); gr. γυῖον ‘Glied Arm und Bein’, μητρὸς γυῖα ‘Schoß’, γυιόω ‘lähme’, woraus γυιός ‘gliederlahm’ (Grdf. *γυσ-ι̯ον; oder γυϝ-ι̯ον? ders. Zweifel bei γύαλον, s. oben), γαυσός ‘krumm, auswarts gekrümmt (von Beinen)’, γαυσόομαι ‘krümme mich’ (aber γαυσάδας· ψευδής Hes. vielleicht galatisch, zu air. gáu ‘Lüge’?) kann σ nach andern Adj. auf -σός für ‘gekrümmt’ bewahrt haben, doch ist auch das αυ schwierig, da ein Ablaut *gēu- : gǝu- trotz der häufigen Stufe *gū- nicht sicher steht; unklar hom. ἀμφίγυος, Beiwort des Speeres, und ἀμφιγυήεις, Beiwort des Hephaistos;
mnd. nnd. kūse ‘Kolben, Keule; Backenzahn’, norw. dial. kūs ‘Buckel’; schwed. kusa ‘cunnus’; anord. kjōss f. ‘Tasche’, kjōss m. ‘Bucht, Höhlung’, farø. kjōs f. ‘Kropf’, schwed. kjusa ‘Talschlucht’, kjus ‘Ecke eines Sackes’ u. dgl., norw. kȳsa (*keusiōn-) und køysa (*kausiōn-) ‘Haube, Kapuze’.

WP. I 555 ff., WH. I 112 f., 311, 629, 852, Trautmann 80, 100 f.

kē̆t-, kot- ‘Wohnraum’ (ursprüngl. ‘Erdloch als Wohngrube’?)

Av. kata- m. ‘Kammer, Vorratskammer, Keller od. dgl.’ (: got. hēþjō), npers. kad ‘Haus’, woraus finn. kota; aber über anord. kot ‘schlechte Hütte’, kytja ‘Hütte’, ags. cot ‘Hütte, Kammer’ usw. s. oben S. 393 f.;
got. hēþjō ‘Kammer’;
ksl. kotьcь ‘cella, Nest’ usw.; falls ‘Wohngrube, Loch in der Erde’ die ursprüngliche Bedeutung, würden sich anreihen lassen:
gr. κοτύλη, κότυλος ‘Hohlung’, weiter ‘hohles Gefäß, Schale, Becher’;
lat. catīnus ‘eine Schüssel zum Speisenauftragen’ (Demin. catillus, daraus got. katils, dt. Kessel, daraus wieder abg. kotъlъ, lit. kãtilas) = ags. heden ‘Kochgeschirr’.

WP. I 383 f., WH. I 176, 182.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal