Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

koud - (niet warm)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

koud bn. ‘niet warm’
Onl. kalt ‘koud, verlaten’ in de plaatsnaam Kaldenesse ‘onbekende plaats in Holland’ [1130-61, kopie ca. 1420; Künzel]; mnl. calt ‘koud’ [1240; Bern.], meestal al cout, coude-, in jn couden lande ‘in een koud land’ [1287; VMNW].
Os. kald; ohd. kalt (nhd. kalt); ofri. kald (nfri. kâld); oe. cald (ne. cold); on. kaldr; alle ‘koud’, < pgm. *kalda-. Eigenlijk een deelwoord bij het werkwoord *kalan- ‘koud zijn, vriezen’, dat is geattesteerd als: oe. calan; on. kala (nijsl. kala). Zie ook → kil en → koel.
Verwant met Latijn gelū ‘koude, vorst’, gelidus ‘ijskoud’; daarnaast misschien met: Grieks gelandrós ‘koud’; Litouws gelmenis, gelumà ‘grote koude’; Oudkerkslavisch golotĭ ‘ijskristal; hagel’ (Russisch vero. gólot' ‘dunne ijslaag’); bij de wortel pie. *gel- ‘koud zijn, vriezen’ (LIV 185, IEW 365-366).
De klankwettige ontwikkeling van Proto-Germaans *alt/ald naar Oudnederlands old/olt is karakteristiek voor het Nederlands, evenals de daaropvolgende vocalisatie tot oud/out. Sommige woorden, zoals → goud, hadden van oorsprong al -old en ondergingen alleen de laatstgenoemde klankovergang.
koude zn. ‘het koud zijn’. Mnl. coude ‘het koud zijn’ [1330; MNW]. Afleiding van koud. Daarnaast bestond de klankwettige vorm mnl. kelde [ca. 1450; MNW], een afleinding met het achtervoegsel Proto-Germaans *-īn- (zoals bij → diepte), dat umlaut veroorzaakte, zoals in Duits Kälte < Oudhoogduits kalt-ī, en Fries kjeld < Oudfries kelde. ♦ kouwelijk bn. ‘gevoelig voor koude’. Vnnl. koudelic, kouwelic [1573; Thes.]. Afleiding van het zn. koude. De intervocalische -d- is al vroeg overgegaan in -w-.
Lit.: Schönfeld, par. 60; M. Philippa (1997), ‘Over ou’, in: OT 66, 60

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

koud* [guur, kil] {cout, colt, caut 1287} oudsaksisch kald, oudhoogduits kalt, oudfries kald, oudengels ceald, oudnoors kaldr, gotisch kalds, teg. deelw. van een ww. dat oostmiddelnl. als kellen [vriezen] is overgeleverd, vgl. oudengels calan, oudnoors kala [vriezen]; buiten het germ. latijn gelu [vorst, koude], oscisch gelan [rijp] → kil2, koel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

koud bnw., mnl. cout, os. kald, ohd. kalt, ofri. kald, oe. ceald (ne. cold), on. kaldr, got. kalds. — Een deelwoord bij het ww. *kalan, vgl. oe. calan ‘afkoelen, koud worden’, on. kala ‘koud zijn of maken’. — lat. gelu, gelus, gelum ‘koude, vorst’, gr. gelandrós (Hes. dubieus) ‘koud’, mbulg. golotĭ ‘ijs’, lit. gelmenis, gelumà ‘grote koude’ (IEW 365-6). — Naast idg. *gel staat ook *ḱel, waarvoor zie: lauw.

omkoud [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: de verbinding is er om koud zijn. Voor de etymologie zie Ts 85, 217-218 en 247 [1969].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

koud bnw., mnl. cout (d). = ohd. (nhd.) kalt, os., ofri. kald, ags. ceald (eng. cold), on. kaldr, got. kalds “koud”. Deelwoord-formatie (vgl. dood II, oud) bij ags. calan, on. kala “koud zijn, het koud hebben”. Voor germ. verwanten zie kil II, koel; verder nog on. kuldi m. “kou”, kul (kol) o. “frissche wind”. Buiten ’t Germ. zijn verwant: lat. gelu “vorst”, gelidus “koud”, gr. Gelandrón; psukhrón (Hes.), lit. gélmenis, gelumà “scherpe kou” (ook gèlia, gélti “steken”?), misschien middelbulg. golotĭ “ijs”, russ. góloť “ijzel”. Uit ’t Germ. ontleend obg. chladŭ “koelte”; russ. chólod “kou”? Van een synoniemen wortel met anlautende komen lit. száltas “koud”, oi. çíçira- “id.”, osset. sald “koude”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

koud. Over lit. gẽlia, gélti ‘steken’ zie bij kwaal.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

koud bijv., Mnl. cout, Os. kald + Ohd. kalt (Mhd. en Nhd. kalt), Ags. ceald (Eng. cold), Ofri. cald, On. kaldr (Zw. kall, De. kold), Go. kalds, met het suff. -d- der v.d. van Germ. *kal, Idg. *gol, sterken graad van Idg. wrt. gel (z. kil).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kaajd (bn.) koud; Aajdnederlands kalt <1130-1161>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kou’de plaats (de, -en), (weinig gebr.) plaats waar niemand kort tevoren gezeten heeft. De jeje* [’geest’] is een talmer, en men biedt een gast dan ook geen ’warme plaats’ aan, dat is: een plaats waar een ander kortgeleden gezeten heeft, en men vermijdt zelf op zulk een ’warme’ (pas-bezette) plaats te gaan zitten. Met nadruk wordt de bezoeker ’een koude plaats’ toegewezen (Helman 1978: 119). - Etym.: In AN niet gebr., wel ’warme plaats’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

koud: pred. vorm v. b.nw. wat teenst. v. “warm” te kenne gee; attr. vorme is kou/koue, hou verb. m. kou II, d.w.s. m. Ndl. koud/koude (Mnl. cout), Hd. kalt, Eng. cold en verderop m. Lat. gelidus, “koud” en gelu, “ryp”, Gr. gelandron, “skerp koue”.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

koud (dat laat me --) (vert. van Frans ça me laisse froid); (erom -- zijn)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

koude Net als koele in 1881 voor het eerst gesignaleerd, in Gent. Men spreekt daar — nog altijd — van een kèwe of kèwwe. Het gaat hier vanzelfsprekend om een koud geserveerd borreltje. Bleef de borrelnaam koele beperkt tot Gent, koude is ook in Noord-Brabant aangetroffen, als kaauwe. Van een dronkeman zei men vroeger hij heeft hem koud gebruikt of hij lust ze wel koud. En in 1874 schreef een spreekwoordenboek:

Koud goed
Maakt heet bloed.

Een ‘jonge borrel met ijs’ wordt in Amsterdam wel een kouwe aap genoemd en in de jaren dertig heette jenever in de dieventaal kouwe koffie. De koek-en-zopie-tenten op het ijs verkochten vroeger jenever onder de naam koude Jan.

[Almanak 68; Herroem 41, 112; Liev.-Coopm. 643; Nav. 3:285; NZ 4:100]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kil, van den Germ. wt. kel, Idg. gel: koud zijn, vriezen; vgl. ’t Fr.: geler en ’t Lat.: gelu = vorst. Verwant zijn: koel en koud (dit staat voor kold, Hgd. kalt).

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
koud. - In het Fransch kan men zeggen: il resta froid à ce spectacle. Deze constructie wordt in het Nederlandsch soms nagevolgd: men zegt echter koel blijven à voor iets. || Thans ben ik daar volkomen koud aan geworden (nl. voor de liefde), MILLECAM, Finh. en Lieder. 2, 29. Wie koud blijft aan zoo veel ellende, … heeft een hart nog harder dan eene rots, 2, 191.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

koud ‘guur, kil’ -> Negerhollands koud, koude, kout, kot, kou ‘guur, kil’; Berbice-Nederlands kautu ‘guur, kil’; Skepi-Nederlands kout ‘guur, kil’; Saramakkaans koto ‘guur, kil’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

koud* guur, kil 1130-1161 [Künzel]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1071. Iets over (of langs) zijn kant laten gaan,

d.w.z. zich iets, een beleediging, een onaangename bejegening niet aantrekken; mnl. iet over sine side laten gaen; bij Campen, 44: hy en salt over syn boort niet laten gaan (ook op bl. 126). Vgl. Gew. Weeuw, III, 32 en Van Effen's Spect. XII, 98: Dat ik verre van door een kregel en twistziek humeur bezielt te zyn meer over myn kant kan laten gaan als meenige politiquen; Harrebomée I, 380; Ndl. Wdb. VII, 1319. De eig. beteekenis zal wel zijn: iets bij zich neer laten glijden, zoodat het nauwelijks de koude kleeren raakt. Bij Poirters, Mask. 226: Alles over zich laten gaan; Rutten, 307 b: iets laten over zijnen kop gaan, toegevend zijn; bij Harreb. II, 124 b: hij laat alles over zijn neus gaan (?); fri. ik lit dat mar stil by de rech (rug) delglide (neerglijden). Syn. iets langs zijne koude kleeren laten glijden (afglijden, loopenNdl. Wdb. V, 72; vgl. hd. Alle vermahnungen gleiten an ihm ab.).

1129. Ketelaar van iets blijven,

d.w.z. iets niet krijgen, iets zijn neus voorbij zien gaan, er kaal afkomen, er koud van blijven, teleurgesteld worden; een gezegde, dat aan de marine is ontleend. Men verstaat namelijk onder een ketelaar hem, die door den dienst verhinderd is aan den bak te komen, een naëter. De ketelaar krijgt dus niets, terwijl de anderen eten; als allen klaar zijn, mag hij zijne portie, die in den ketel (een ijzeren pot) bewaard wordt, verorberenZie Tijdschrift van de vereeniging Het Nederlandsche Zeewezen, 1901, bl. 10; Nav. XXIII, 206; Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederl.-Indie, 67, bl. 547.. Vgl. Winschooten, 199: keetelquartier; Marin, 256: kwartier, ketelkwartier, vierde gedeelte van 't Scheepsvolk dat op de wagt staat, terwyl de andere eeten of slaapen. - Vandaar de zegswijze ketelaar van iets blijven, met betrekking tot eenige zaak ketelaar zijn, iets niet krijgen, van iets niet meekrijgen: daar blijf je ketelaar van, dat zou je wel willen, maar dat gebeurt (lekker) niet! Zie Tijdschrift XXIII, 316-319Bij Boekenoogen, 417: Hij is ketelaar, hij kan niet betalen, hij is bankroet. en vgl. Het Volk, 9 Juni 1901, waar onder de verkiezingsrijmen tegen den candidaat Th. M. Ketelaar voorkomt:

't Vet is van den ketel, man!
Ketelaar blijft er ketelaar van.

Nkr. I, 23 Febr. p. 4: De heer Ketelaar blijft er nu eens niet ketelaar van; Het Volk, 7 Aug. 1915, p. 7 k. 2: Kommandant Meier dreef af; we kegen een nieuwen burgemeester, misschien gevoelde die iets voor onze grieven. Maar wel kreeg de politie wat, doch de brandweer was weer ketelaar; Nkr. IX, 24 Dec. p. 3: Bij deze begrooting geen salaris-verhooging man: Je blijft er dezen keer ketelaar van!

Bij de koopvaardij noemt men den ketelaar ‘koksgast’. Vgl. Handelsblad 9 Oct. 1918 (A) p. 6 k. 4: Korndörffer heeft van de mislukte poging tot berooving aangifte gedaan bij de politie met de mededeeling er bij, dat hij ƒ1000 in zijn zak had, waarvan het trio ‘koksgast is gebleven’.

1170. Dat gaat me niet in de (koude) kleeren zitten,

d.w.z. dat pakt of tast mijne gezondheid of mijn gevoel aan, dringt door tot in mijn binnenste, mijn hart. Vgl. Asselijn, bl. 208: 't Zyn dingen die niet in de Kleeren gaan sitten, maar aan 't Hart raken; Tuinman I, nal. 25: ‘Het gebruik eigent dit spreekwoord ook toe op iets, dat de ribben vermagert. Men zegt daar van mede, Dat gaat niet in de kleêren zitten, want dat raakt het herte’; Sewel, 393: Dat gaat in de kleeren niet zitten (dat krenkt het lichaam), that does not touch only the skin but the very heart; Harreb. I, 411; Afrik.: dit raak my koue klere nie; M.z.A. 125: Dat verblijf in Indië is mij niet in de kleeren gaan zitten; Slop, 195: Och ie begriept, ziekigheid gaot 'n mensch niet in de kleeren zitten; Nkr. VII, 15 Maart p. 2: Die jarenlange ellende blijft je niet in je kleeren zitten; Sjof. 35: En 't ging je niet in je kleeren zitten, ze voelde zich met den dag slapper worden; Slop, 242: Tien jaartjes (in de gevangenis) gaat je niet in je kouwe kleeren zitten, wat jij? Prikk. V, 28: 't Is ondertusschen een lamme geschiedenis om aan dien jongen te vertellen - zoo iets gaat je niet in je kouwe kleeren zitten; Lev. B. 134. Ook in het Oostfri. dat ferdrêt blift mi nêt in de kolle klêr sitten (Dirksen I, 28).

1258. Koude drukte,

d.w.z. onnoodige, onbeteekenende, flauwe (lat. frigidus) drukte; ook koude kippendrukte (in Het Volk, 19 Aug. 1915, p. 1 k. 3); syn. van koude kak (no. 1055; Boekenoogen, 1322) en koude complimenten (in Kmz. 255); fri. kâlde drokte; vgl. het 17de-eeuwsche een koude tijd, d.i. een slechte tijd (Lichte Wigger, 16 r), en koude grimassen, malle, flauwe, onnoodige fratsen, lat. frigidi joci (Ndl. Wdb. V, 774); het door Halma geciteerde een koude praat, een slegte of onnozele praat, un sot discours, un discours où il n'y a point de sel; dat is een kaal zeggen, voilà qui est bien fade, ou bien plat; en het door Sewel vermelde wat is dat koud, laf, flauw, how cold, how insipid is that!, waarmede te vergelijken is het fr. une plaisanterie froide, qui n'est pas plaisante, dus flauw (Hatzfeld, 1124). In het hd. kent men volgens Grimm V, 81: kalte bossen, d.i. frigidi joci, grove grappen; kalt ding, unnützes zeug; kalte und unnütze fragen; kalt ding reden, dicere languidius, jejune, frigide; eine faule, kalte, lame entschuldigung (d.i. een kale uitvlucht; zie Van Dale); daarnaast vindt men kahle bossen en ein kühler spasz, ein schaler, kahler, eig. gehaltloser, denn aller gehalt erwärmt irgendwie (V, 2562); fri. in kâld plezierke, geen vermaak, een koude pret.

In sommige streken spreekt men van familie van den kouden kant, aangetrouwde familie, eig. familie die ons koud laat; van een kouden oom of een kouden zwager voor een aangetrouwden oom of zwager; van een kouden vader voor een stiefvader; zie Boekenoogen, 502-503; W. Dijkstra, Uit Frieslands Volksleven II, 266; Fri. Wdb. II, 35 a; Schuermans, 283 b; Leuv. Bijdr. X, 95-96 en no. 502.

1259. Dat raakt mijn koude kleeren (niet),

d.w.z. daar trek ik mij in het geheel niets van aan; dat laat mij koud; dial. ook dat komt niet aan mijn japonnaise; fri. dat komt my net oan 'e kâlde klean; hd. das kommt mir nicht an die kalten Kleider; nd. dat kummt mi nich an mîn kolle Klêr (Eckart, 269). Eig. dat raakt mijn buitenste kleeren (niet), dus in 't geheel niet mijn hart; vgl. iets langs zijne koude kleeren laten (af)glijden, zich een onaangename bejegening niet aantrekken (o.a. Jord. 126A. Jodenh. II, 13: 't Gaat me zoo langs me kouwe kleere.), iets over zijn kant laten gaan. In de 16de eeuw bij Sartorius I, 4, 93: die praet komt hem aen sijn koude klederen niet, nostrates ajunt sermonem ne superas quidem aut frigidas vestes penetrare (ook I, 9, 7). De, uitdr. komt sedert de 17de eeuw dikwijls voor, o.a. bij Coster, 21 vs. 159; 487 vs. 416; 511 vs. 473; Bank. II, 2; 245; 334; H. Dullaert, Ged. 62:

Geveinsde Farizeen, verdraaide schriftverstanden,
Wier wetspreuk, weits gezoomt rondom de tabbaardranden
Bewyst dat u de Wet, zo zielnut, zo volmaakt,
Niet eens aan 't harte, ô smaad! ô schanden!
Maar pas aan 't uiterste der koude kleedren raakt.

Huygens V, 167:

Aen lichte Griet.
'Ten raeckt Jans koude kleeren niet,
Wat hij aen syn licht wijfje siet:
My dunckt hij heeft dat wel.
'Traeckt, niet syn' koude kleeren, Griet,
Maer 'traeckt uw warme Vell.

Zie verder Brederoo I, 28, 407; Antonides II, 282; Focquenbr. Eneas 84, 37; C. Wildsch. VI, 65; 117; Langendijk, Wederz. Huw. Bedr. vs. 1421; Tuinman, I, 178; Halma, 267; Sewel 393; Harreb. I 411; O.K. 166; Potgieter I, 2: Jan is voor lof en voor laster zoo onverschillig geworden, dat zij hem niet eens meer aan zijne koude kleêren raken - laat staan aan zijne onderzielVgl. Vondel, Een Otter in 't Bolwerck, vs. 63: Dit speulen raeckt mijn ongdersiel (onderlijfje, dus: de warme kleeren, hier voor: het diepste der ziel).; Schoolm. 124; Nkr. II, 27 Mei p. 2; III, 1 Mei p. 6; V, 10 Juni p. 4; VI, 28 Dec. p. 2; VII, 26 Juli p. 5; Jord. 357: Ze zag wel dat Neel zich heel moeilijk bewoog, maar dat raakte haar de koude kleeren.(Aanv.) Vgl. nog De Vrijheid, 28 Mei 1924, 2de bl. p. 1 k. 1. Hoe langer ik zijn (Minister) optreden volgde, hoe meer starre bewondering ik kreeg voor de schier bovenmenschelijke onaandoenlijkheid, waarmede hij alle critiek langs z'n jaquetje liet afdruipen.

1260. Van een koude (kale of slechte) kermis (reis of markt) thuiskomen,

d.w.z. ergens slecht wegkomen, in iets niet slagen, met de kous op den kop thuiskomen, op de koffie komen, van den bok droomen (Ndl. Wdb. III, 260; Bergsma, 61); op de appelmark kommen (Bergsma, 61); er met blekken buizen afkomen, zooals men in Zuid-Nederland wel zegt (Ndl. Wdb. III, 1770). Voor de beteekenis van koud en kaal in den zin van onbeteekenend, slecht zie no. 1258 en vgl. voor bewijsplaatsen: Boekenoogen, 415; Opprel, 64 en W. Leevend IV, 240; Nkr. II, 4 Oct. p. 3; 20 Dec. p. 2; VI, 7 Dec. p. 5; Het Volk, 12 Juni 1913, p. 1 kol. 2: De debaters die tegen Duys optreden, komen in den regel van een koude kermis thuis; 11 Sept. 1913 p. 3 k. 1; 24 Dec. 1913 p. 1 k. 3; Handelsblad, 16 Mei 1914, (ochtendbl.) p. 1 k. 3; 26 Aug. 1914 (avondbl.) p. 2 k. 6; Het Zevende Gebod, 115: U komt nog is van 'n slechte reis thuis; Dievenp. 65: Inwendig verkneukelde ik me al over de kouwe kermis, waarvan de toffe jonges thuis zouden komen. Syn. is van een verloren reis komen (Sewel, 670); van ne bedroofde reize in hoes kommen (Twente); slecht van iets thuis komen (Schuerm. 212); Waasch Idiot. 316 a; Antw. Idiot. 607); van een kale merkt komen, een slechten, beschamenden uitslag van iets bekomen, straf van iets te wachten hebben (Schuermans, 363; Joos, 73; Rutten, 143); van eene kale reis afkomen (Rutten, 186); van een kalen stroom afkomen (Rutten, 224); van iet tehuis komen (Tuerlinckx, 279; Rutten, 119; Waasch Idiot. 649 b; Antw. Idiot. 583); van een kaal reis komen, ter kaal van afkomen (Tuerlinckx, 297); ieverans van thuis komen, iets kwaads ondervinden (Tuerlinckx, 337); fri. fen in kâlde merk thûs komme.In het Mnl. komt coudemarc(t)e voor in den zin van een markt, die in den winter gehouden wordt (Mnl. Wdb. III, 1996).(Aanv.) Nog te vergelijken is Hij komt van dooie prikken, eig. visschersterm, wanneer een beuger huiswaarts moet keeren, omdat de prikken gestorven zijn.

1261. Van den kouden grond,

in eene zegswijze als: een dichter, een philosoof van den kouden grond, d.i. van weinig beteekenis. Het beeld is ontleend aan den tuinbouw, waar men onder den kouden grond verstaat den onbeschutten moes- of tuingrond in tegenstelling van kunstmatig verwarmd terrein, een trekkas, een broeikas. In de laatste worden bloemen en vruchten met zorg gekweekt; in de open lucht, op den kouden grond wordt er minder zorg aan besteed. Vandaar wordt in oneigenlijke toepassing van den kouden grond gezegd van personen, die niet goed onderlegd of voorbereid zijn, aan hunne ontwikkeling niet alle zorg hebben besteed; onbeduidend in hun soort zijn: pooverNdl. Wdb. V, 959.. Vgl. Harreb. II, LXXXIII: Het is een Latinist van den kouden grond; Lvl. 89: De zanger van den kouwen grond; Falkl. IV, 110: Zulk een kwibus, zulk een komiek van den kouden grond te begeleiden was moordenaarswerk; Het Volk, 17 April 1914, p. 2 k. 3: De eerste de beste ouderling te beslissen over een inzicht op grond van jarenlange akademische studie. Dit is inderdaad wel een ‘kultuur van den kouden grond’; Nkr. IX, 26 Juni p. 6: Mijnheer Chagrijn was anti-revolutionair. Booze tongen vertelden, dat-ie 'n anti van den kouden grond was, omdat ie niet in de kerk kwam. - Dat ook de eerste beteekenis ‘niet gekweekt’, ‘van nature’ nog gevoeld wordt, blijkt uit hetgeen W. Kloos van Mr. C. Vosmaer zegt: ‘Als ik met éen woord moest zeggen, wat Vosmaer voor een dichter is, dan zou ik zeggen, dat hij een kunstdichter is. Niet in den zin, zooals men kunstlicht en kunstboter, en kunstbeenen heeft. Want een kunstdichter is toch après tout een dichter, die echt is; alleen maar is 't geen dichter van den kouden grond. 't Is een ongemeene plant, gekweekt in de kassen, van een gladde reinheid en sierlijke deftigheid, maar die dan ook de frissche groening en zelfsgewilde uitgroeiing mist van de vrijtierende planten in de buitenlucht.’Veertien jaar Literatuur geschiedenis (anno 1896) II, 64. In het Westvlaamsch spreekt men van: een filosoof uit een helletje erwten (De Bo, 419 b); in Friesland: in spul fen kâlde foetten.(Aanv.) In de 18de eeuw: een huishoudster op schillen, een slechte huishoudster. Zie Ndl. Wdb. XIV, 652.

1666. Er om koud (of omkoud) zijn (of raken),

d.w.z. verloren zijn, het leven kwijt zijn, een kind des doods zijn; in Drente: om koud zijn. Volgens De Vries, Taal- en Letterbode I, 43 vlgg. en Ndl. Wdb. X, 350, is deze uitdr. van vreemden oorsprong en ontleend aan het Deensche at falde (styrte, tumle) omkuld, omvallen, -storten, -tuimelen, eig. over den kop vallen, zoodat omkoud letterlijk zou beteekenen omver, op den grond. Een onoverkomelijk bezwaar hiertegen is, dat de d in dit woord nooit wordt uitgesproken, en in het Deensch de uitdr. niet bekend is in den zin van doodvallen. Wellicht mogen we in onze uitdrukking een versmelting zien van om hals zijn of raken (zie no. 783 en Ndl. Wdb. V, 1656) en koud zijn, dood zijn, indien tenminste dit laatste in de 16de eeuw bekend was. Vgl. iemand koud maken, iemand dooden, vermoorden (Köster Henke, 36; Antw. Idiot. 2243; fri. immen kâld meitsje; fr. être refroidi; hd. kalt sein en einen kalt machenVoorbeelden van versmelting of contaminatie vindt men bij Verdam, Uit de Geschiedenis der Ned. Taal4, bl. 272 vlgg. naast iemand om koud maken in Nkr. IX, 27 Maart p. 7: As jij em niet vóór ben, zal die jou er om koud maken. Door contaminatie met ‘iemand om 't leven brengen’ zegt men ook iemand om koud helpen of brengen; zie Handelsblad, 28 Juni 1913 (avondbl.), p. 1 k. 2: De clericale kapitalist die de openbare school en den vrijhandel om koud wilde helpen; Het Volk, 25 Nov. 1913, p. 1 k. 3: Lijken, waarop de recruut kan leeren hoe hij op de meest doelmatige manier den vijand om koud brengt.

De uitdr. komt sedert de 16de eeuw voor; zie Ogier, De Seven Hooft-Sonden, 198: Soo synwer dan om kout; Winschooten, 208: Hij is in groote nood: hij isser om koud, en soo goed als om hals; Rusting, 21: Hou moet! gy zijt 'er niet om kout. Hiernaast er om koud raken, o.a. in de Klucht v.d. Pasquil-maecker, 23; Kluchtspel III, 169; Van Moerk. 379; enz.; zie ook Tuinman I, 319; II, 237: Hy is 'er om koud, 't geen gezegt word van ymand, wiens leven men opgeeft; Sewel, 415: Hy is 'er om koud, t is done with him, he is a dead man; Langendijk, Krelis Louwen, vs. 870; Nkr. VII, 3 Mei p. 4; 18 Oct. p. 4; Jord. 154; enz. In W. Leevend V, 110 komt voor er aan koud zijn, dat thans nog dialectisch bekend is in den zin van er leelijk aan toe zijn.

2536. Bang zijn zich aan koud water te branden,

d.w.z. uit vrees voor een (denkbeeldig) gevaar alle mogelijke voorzorgen nemen alvorens iets te ondernemen; meestal gebruikt ‘om eene ongerijmde voorzichtigheid bespottelijk te maken’; Ndl. Wdb. II1, 971; Harreb. I, 31 a; De Telegraaf, 7 Jan. 1915 (avondbl.) p. 5 k. 1: Een onbegrijpelijke angst zich aan koud water te branden; Handelsblad, 10 Sept. 1913 (avondbl.) p. 1 k. 2: Hoe gereserveerd en deftig en fatsoenlijk bleven duizenden (in 1813) de kat uit den boom kijken. Hoe waren er velen bevreesd zich aan koud water te branden; 25 Maart, 1915 (ochtendbl.) p. 2 k. 5: Mits wij geen vrees koesteren om ons aan koud water te branden en op kleine wijze in onze principiëele schulp gaan kruipen; Het Volk, 24 Febr. 1914 p. 6 k. 2: Het is een stumperige manier van doen en teekent den geest van de leiding der voerliedenvereeniging, die bang is zich aan koud water te branden; in het Friesch: hy is bang dat er him oan kâld wetter barne scil; afrik. hy brand hom aan kou water. De zegswijze is ontleend aan de vrees der honden en katten, die wanneer ze zich eens aan heet water gebrand hebben, ook bang zijn voor koud water. Vgl. lat. tranquillas etiam naufragus horret aquas; mlat. igne semel tactus timet ignem postmodo cattus; De Brune, Bank. I, 99: Een gheschoude kat heeft oock vreeze van koud water; fr. chat échaudé craint l'eau froide; hd. eine gebrühte Katze (oder ein verbrühter Hund) scheut auch das kalte Wasser; eng. a scalded cat (or dog) fears cold water (Wander II, 1175).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

gel(ǝ)-3 ‘kalt, frieren’

Lat. gelū (auch gelus, -ūs und gelum, ) ‘Kälte, Frost’, gelidus ‘kalt’, gelō, -āre ‘gefrieren’; osk. γελαν ‘πάχνην’ (Steph. Byz.);
gr. γελανδρόν· ψυχρόν Hes. ist vielleicht falsch überliefert (WH. I 867); das gallorom. *gelandron ‘Frost’ (Hubschmied VRom. 3, 130) ist besser mit Bertoldi (ZrPh. 56, 187) und Wartburg (s. v. *gelandron) durch Einfluß von lat. gelū auf gallorom. *calandron ds. (mit mediterr. Endung) zu erklären, zu air. caile ‘(weißer) Fleck’; wieder anders Specht Dekl. 130; über gallorom.*gelabria ‘Frost’ s. Wartburg s. v. *calabra und gelabria; Hubschmid Praeromanica 18 ff.
über lat. glacies s. unten;
anord. kala, kōl ‘kalt sein, frieren’ (unpers. m. Akk. mik kelr), ags. calan ds. (hine oderhim cælþ ‘ihn friert’) mit a durch Umbildung eines Kaus. *kaljan = *golei̯ō ‘kalt machen’, woher auch die impers. Konstruktion mit Akk.; ags. ciele m. (nengl. chill) aus *kali ‘Kälte’; als Partiz.dazu got. kalds, ahd. (usw.) kalt, nhd. kalt (dazu anord. kelda aus *kaltiōn- ‘Quelle’, finn. Lw. kaltio; mit Ablaut, auf Grund der älteren Form *kul-da- des Partiz., anord. kuldi m. = mnd. külde f. ‘Kälte’); dehnstufig ags. cōl, ahd. kuoli, nhd. kühl, wovon ags. cēlan, ahd. kuolen, nhd. kühlen, anord. kø̄la ds., schwachstufig anord. kul (kol) n. ‘kühle Brise’, kylr m. ‘Kälte’;
mit gebrochener Redupl. idg. *gla-g- (die Basis scheint also *gelǝ- gewesen zu sein), anord. klaki m. ‘gefrorene Erdrinde’, womit lat. glacies ‘Eis’ unter der Annahme zu verbinden ist, daß *glagiēs nach aciēs (und anderen Worten auf -aciēs) umgestaltet wurde;
hierher auch schweiz. challen ‘erstarren (von Fett)’, ags. cealer, calwer m. ‘dicke Milch’, mnd. keller ds. (‘Erstarren’ ist zunächst das Erkalten, z. B. von Fett); ahd. chalawa, mhd. kalwe ‘Schauder’, wohl ursprüngl. ‘sich vor Schauer wie vor Kälte schütteln’; nach Machek (Slavia 16, 195) vielleicht hierher mit expressivem ch- aksl. chladъ ‘Kühle, Kälte’ (*gol-do-).

WP. I 622, WH. I 585 f., 603, 867 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal