Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

krieken ww. ‘aanbreken van de dag’
Vnnl. crieken ‘aanbreken van de dag’ in Met crieken van den daghe ‘bij het aanbreken van de dag’ [1562-92; MNW].
Er bestaat een werkwoord krieken ‘tsjilpen, piepen’, zoals al in de afleiding vnnl. kriecker(ken) ‘krekel’ [1599; Kil.], en kricken ‘met lawaai barsten’ (zie ook → krekel). Men heeft daarom gedacht aan het geluid van vogels bij het aanbreken van de dag. Dan zou het gaan om een klanknabootsend woord dat met → kraken verwant is. De betekenis ‘dageraad’ is echter opvallend. Daarom lijkt een andere mogelijkheid meer voor de hand te liggen. In het Middelnederlands verschijnen de werkwoorden grieken en graken ‘grijs worden’ die afleidingen zijn bij mnl. grau (zie → grauw), zoals → naken bij → na. Ook deze woorden werden gebruikt in verband met de ochtend: Morgen vroe, alst sal graken, sal hi hem betide wech maken ‘morgenochtend vroeg, als het grijs gaat worden, zal hij op tijd weggaan’ [1340-50; MNW] en Dagheraet, morghenstonde, int griekingen van den daghe ‘dageraad, ochtenstond, bij het krieken van de dag’ [1483; MNW]. Zo ook vnnl. griekelinghe, krieckelinge ‘ochtendgloren’ [1599; Kil.], en zie ook Smerghens vroech met 't craecken vanden daghe ‘'s ochtends vroeg bij het krieken van de dag’ [1614; WNT]. In dat geval is gr- overgegaan in kr- zoals wel vaker gebeurt, zie bijv.krols.
Het woord is uitsluitend Nederlands.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

krieken2* in de uitdrukking het krieken van de dag [het aanbreken van de dag] {crieken, grieken 1562-1592} naast middelnederlands grieken, van graken [schemeren bij het aanbreken van de dag], van gra [grauw].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

krieken 2 ww. ‘aanbreken van de dag’, Kiliaen kriecken, krieckelen en znw. kriecke, krieckelinge ‘dageraad, ochtendschemering’, vgl. schots, creek ‘dageraad’ (naast screak, screek), dat Bense 62 echter als aan het nl. ontleend beschouwt.

Het is de vraag, of dit woord hetzelfde woord is als krieken 1. H. Brunnhofer heeft AfdA 35, 1911, 298-300 een bericht van Gmelin (1738-41) over het noorderlicht in Siberië aangehaald, waarin hij vertelt, dat de inwoners van mening zijn, dat daarbij geluiden als sissen en kraken voorkomen; maar het verschijnsel van het noorderlicht is geheel anders dan dat van de dageraad. Mag men misschien denken aan het levend worden van de natuur (het kwetteren der vogels) bij het aanbreken van de dag? — Maar mnl. kent ook griekinghe waarnaast grāken staat, dat eigenlijk ‘grauw worden’ betekent. Men kan dus denken aan een variant van een ouder *grieken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

krieken ww. Kil. vermeldt naast de ww. kriecken, krieckelen de znww. kriecke, krieckelinghe “dageraad, ochtendschemering”. Blijkbaar met vervormden anlaut: vgl. mnl. (Velthem) griekinghe v. “id.”. Het synonieme grâkinghe v. is een afl. van grâken “grauw worden, schemeren” (van mnl. grâ; zie grauw I. Voor de formatie vgl. genaken). De ie is bevreemdend. De eenige mogelijke verklaring, die de ie- en â-vormen combineert: *grieken, waarvan griekinghe, een frisisme, met ie uit ê uit wgerm. â — heeft twee dingen tegen: 1. wij mogen nauwelijks voor zoo’n oude periode fri. ie < ê aannemen, 2. een fri. vorm bij Velthem is zeer bevreemdend. Vormen, op krieken gelijkend, komen ook in ’t Ndd. voor; ook schotsch creek “dageraad, schemering”. Ingeval de anlaut kr- ospr. is, bij kraken? Voor de bet. vgl. aanbreken (van den dag), doorbreken (van de zon).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

krieken. Wil men mnl. griekinghe met grâkinghe verenigen, dan is de ie < friese ê < wgerm. â geen onoverkomelijk bezwaar (Tschr. 40, 268 noot 1), maar het voorkomen bij Velthem blijft vreemd. De ie-vorm zou gemakkelijker te verklaren zijn uit een kruising van grâken en krieken, maar het laatste is eerst sedert de 16e eeuw overgeleverd. Hoe ook mnl. griekinghe te beoordelen is, met ospr. kr- moet voor krieken ernstig worden gerekend. Het kan dan hetzelfde woord zijn als krieken ‘een piepend geluid maken’ — niet uit het Mnl. bekend, maar voor de 16e eeuw aan te nemen blijkens Kil. kriecker(ken) ‘krekel’ ‒, dat een jong onomatop. ww. is en zich bij de onder krekel genoemde woorden aansluit. — Vgl. nog W.de Vries Tschr. 34, 285.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

krieken 2 o. (aanbreken van den dag), + Ndd. krik vam dage, Eng. creek of the day: oorspr. onbek.; daarnevens Mnl. grieken, graken = grauw worden, denom. van grauw (vergel. naken).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3kriek ww. (verouderend; t.o.v. 'n nuwe dag)
Aanbreek.
Uit Ndl. krieken (Mnl. crieken).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Krieken van den dag. Krieken bet. eig.: geluid, gedruisch maken; bijv. kriekende of krijtende tienden (van vee); ’t krieken der krekels. Uit dit begrip van gedruisch maken, ontwikkelde zich vermoedelijk de bet. van „breken”, „doorbreken” van den dag; te meer waarschijnlijk is dit, daar men vroeger ook sprak van het „kraken” van den dag.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

krieken ‘het aanbreken van de dag’ -> Schots creek, greking ‘dageraad’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

krieken* aanbreken van de dag 1562-1592 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal