Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

krokus - (plant (geslacht Crocus))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

krokus zn. ‘plant (geslacht Crocus)’
Vnnl. crocus ‘saffraan’ [1511; Herbarius i.D.], crook ‘(bloem van) bolgewas’ in tulp of geele croock [1608; WNT], crocus ‘(bloem van) bolgewas’ in de purpere narcis ... end peerse crocus [1613; WNT Aanv. aandoen].
Ontleend, al dan niet via Frans crocus ‘crocus’, eerder ook ‘saffraan’ [1372; TLF], aan Latijn crocus, ontleend aan Grieks krókos ‘saffraan, krokus’, dat wrsch. ontleend is aan een Semitische taal, gezien Hebreeuws karkōm ‘krokus, saffraan’, Aramees kurkem ‘saffraan’ en Arabisch kurkum ‘saffraan’, maar dat uiteindelijk wrsch. teruggaat op Perzisch of Sanskrit kurkum.
Al veel eerder ontleend zijn: ohd. kruogo ‘saffraan’; on. krog ‘id.’. Nfri. krookje is ontstaan uit *krookjes ‘krokus’, dat als een verkleinwoord in het meervoud werd opgevat.
De betekenis ‘saffraan, specerij’ is na de 17e eeuw uit het Nederlands verdwenen.
In het Middelnederlandse citaat crocus etewi sulferaen ‘crocus noemen wij saffraan’ [1287; VMNW] kan crocus als Latijn beschouwd worden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

krokus [plantengeslacht] {1591} < latijn crocus [saffraan] < grieks krokos [idem (gele krokus)], uit het semitisch, vgl. hebreeuws karkōm, arabisch kurkum [saffraan] (vgl. kurkuma).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

krokus znw. m., eerst nnl. < lat. crocus < gr. krókos, dat eigenlijk ‘saffraan’ betekent. Het woord werd reeds vroeg ontleend, vgl. ohd. kruogo m., oe. crog (> on. krog) ‘saffraan’.

Volgens E. Starkenstein Lotos 70, 1922, 262 zou de naam afgeleid zijn van gr. króke ‘draad van inslag’ en wel omdat van de plant alleen de draadvormige nerf zou gebruikt zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

krokus znw. Nnl. uit lat. crocus (< gr. krókos) oorspr. “saffraan”. Ook in andere talen ontleend. Reeds ohd. kruogo m., on. krog o. “saffraan”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

krokus. Gr. krókos is van semit. oorsprong.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

krokus m., uit Lat. crocus, van Gr. krókos, van Hebr. karkām, Ar. kurkum = saffraan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kro’kus (de, -sen), naam voor een aantal tropisch Amerikaanse, kleine, als sierplanten gekweekte, bolgewassen met roze, witte en gele bloemen (Zephyrantus-soorten, Jozefstaffamilie*). Zie Ost. 216. - Etym.: Er is gelijkenis met de soorten die de wet. genusnaam Crocus (Gladioolfamilie*) dragen en onder deze naam ook in Ned. bekend zijn. - Zie ook: meisjesnagels*, kleine pingping*.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

krokus (Latijn crocus)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

krokus ‘plantengeslacht’ -> Duits Krokus ‘plantengeslacht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

krokus plantengeslacht 1591 [WNT vuilboom] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal