Meehelpen? Ga naar etymologieWiki
|
liederlijk - (losbandig, lichtzinnig)Etymologische (standaard)werken
M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdamliederlijk bn. ‘losbandig, lichtzinnig’ P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpenliederlijk [losbandig] {1709} vermoedelijk < hoogduits liederlich, van dezelfde stam als lodderen, vgl. middelnederlands lodderlijc [wulps, dartel]. P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, BaarnLiederlijk Dat liederlijk niets met lied te maken heeft is uit de betekenis wel duidelijk. Men verstaat er immers onder: losbandig, zedeloos, ontuchtig. Het woord komt pas in de 18e eeuw voor en is wellicht uit het Duits overgenomen waar liederlich toen al oud was. De oudste betekenis in het Nederlands is: geweldig. Die komt alleen nog voor in de zegswijze: zich liederlijk vervelen. Dan gebruikt men het woord ook voor: slordig, onverzorgd. Bilderdijk noemt het rijm klein–zijn een liederlijk rijm (omdat volgens hem ei niet op ij mag rijmen). Voor de verklaring van het woord gaat men uit van het Oudhoogduitse liodar dat oorspronkelijk betekende: vrolijk, lustig, dan: zorgeloos, lichtvaardig en zo de betekenis: lichtzinnig kreeg met de nadruk op het seksuele, dus vooral: wulps, ontuchtig. J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leidenliederlijk bnw., sedert de 18de eeuw < nhd. liederlich, vgl. oe. līeðre ‘nietsnut, slecht’ en daarnaast ohd. lotar ‘lichtvaardig, wuft’. — Zie verder: lodder en luier. N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haagliederlijk bnw., nog niet bij Kil. Wsch. evenals de., zw. liderlig uit het Du. ontleend. Mhd. liederlich “licht, fijn, gering, lichtvaardig” (nhd. liederlich), ags. lŷðre, lŷðerlîc “gemeen, slecht”, waarmee lodder ablautet, wordt wel met gr. lússa “razernij”, obg. ljutŭ “wreed, vreeselijk” (vgl. lied) gecombineerd. Deze etymologie is mogelijk, hoewel voor de germ. woorden een grondbet. “licht, ijl” meer voor de hand zou liggen. Ook kan obg. ljutŭ een ontl. uit germ. *leuta- (vgl. bij leuteren) zijn. De combinatie van germ. leuþ-, idg. leu-t- met de bij lieden behandelde idg. basis (e)leudh- is, aangezien de bet.-gelijkheid niet frappant is, te gevaarlijk. Mogelijk is verwantschap met russ. lytáť “rondzwerven” of met slodderen, desnoods met beide tegelijk. De combinatie met ark. leuton, als tegenw. deelw. leútōn opgevat (“uit lichtzinnige achteloosheid”), is al te hypothetisch. C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haagliederlijk. Sedert de 18e eeuw. J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gentliederlijk bijv., + Mhd. liederlîch (Nhd. id.), Ags. lýđerlíc: van denz. wortel als lodder. Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands
S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kunsliederlik: morsig, slordig, vuil (ook fig.); Ndl. liederlijk (sedert 18e eeu) ontln. aan Hd. liederlich, misk. verderop verb. m. Gr. (e)leutheros, “vry”, maar onseker (vgl. Scho TWK/NR 7, 2, p. 12). Thematische woordenboeken
N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboekliederlijk (Duits liederlich)
Uitleenwoordenboeken
N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015liederlijk ‘losbandig’ -> Negerhollands liederlik, liderlig ‘losbandig’. Dateringen of neologismen
N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdamliederlijk losbandig 1709 [WNT] <Duits Overige werken
Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.(s)leu- ‘schlaff herabhängend, schlaff’, bes. mit Erweiterungen; außerhalb des Germ. nur spärlich nachweisbar, in diesem aber sehr reich entfaltet
Unerweitert vielleicht in: got. slawan ‘schweigen’ (*slawēn ‘*matt sein’ von einem Adj. *slawa-?); WP. II 708 ff., Wissmann Nomina postverb. 84, Vasmer 2, 76. Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW. |