Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lieveheersbeestje - (soort insect)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2021

Lieveheersbeestjes

Lieveheersbeestjes vormen met hun opvallende rode kleur en zwarte stippen een vrolijke aankondiging van de zomer. “Pimpampoentje, Vlieg over ’t groentje, Vlieg overal, Waar ons lief heertje ’t vinden zal”, zongen kinderen omstreeks 1900 in Zeeland als er een lieveheersbeestje op hun vinger was geland. Vlaamse kinderen maakten ervan: “Pimpampole, Vlieg over (h)ole, Vlieg over al, En zeg waar dat mijn zieltje woonen zal.” De naam pimpampoentje, ook gespeld als piempanpoentje en pimpaljoentje, is vermoedelijk een variant van papeljoentje, een naam die voor allerlei vliegende insecten wordt gebruikt en ontleend is aan het Franse papillon (‘vlinder’).

Deugniet
Het lieveheersbeestje heeft in de Nederlandse dialecten een groot aantal namen. Bijvoorbeeld kapoentje – een woord dat we vooral kennen uit het sinterklaasliedje ‘Sinterklaas kapoentje, gooi wat in mijn schoentje’. Het gaat hier om een en hetzelfde woord. Kapoen betekent ‘gecastreerde haan’ en ‘deugniet’; het woord is ontleend aan het Noord-Franse capon, dat ook beide betekenissen kent. Volgens Henk van Benthem, die in 1991 het boekje Sint-Nicolaasliederen schreef, verwijst kapoentje in het sinterklaaslied naar die tweede betekenis: ‘deugniet’. Het lied, dat sinds 1893 bekend is, is geïnspireerd op volksprenten over een zekere Klaas Kapoen, die allerlei ondeugende streken uithaalde. In de iets latere variant ‘Klaaskapoentje, legt wat in mijn schoentje’, van rond 1900, is kapoentje een liefkozende benaming, net zoals men kinderen wel ‘deugniet’, ‘dondersteen’ of ‘boefje’ noemt. Dit liefkozende kapoentje zal op dezelfde manier overgedragen zijn op het insect.
Diverse namen voor het lieveheersbeestje verwijzen naar de maagd Maria, de moeder van Jezus, denk aan lievevrouwebeestje, mariabeestje en maria-tor in Nederlandse dialecten, of het Duitse Marienkäfer, het Engelse ladybird en het Franse bête de la Vierge. De vernoeming heeft te maken met het uiterlijk: Maria wordt vaak afgebeeld in rode kleding, waarschijnlijk als verwijzing naar het bloed van Jezus, en ze wordt geassocieerd met het getal zeven, vanwege de zeven vreugden en de zeven smarten die ze doormaakte. Het meestvoorkomende lieveheersbeestje is rood met zeven stippen.

Christelijk geloof
Het kevertje wordt dus geassocieerd met het christelijk geloof, wat ook blijkt uit een naam als hemelbeestje, en uit de bekendste benaming van het kevertje: lieveheersbeestje of onzelieveheersbeestje, ook wel (onze)lieveheershaantje, herenkuikentje en jezusbeestje. Deze benaming is van betrekkelijk recente datum, want lieveheersbeestje of een variant daarvan is in de Middeleeuwen niet aangetroffen. Misschien heeft men deze naam in de achttiende eeuw, toen men zich ging bezighouden met de wetenschappelijke nomenclatuur van planten en dieren, toegekend, en daarbij gespiekt bij andere talen. Een ander Frans woord voor lieveheersbeestje is bijvoorbeeld bête à bon Dieu. Ook die naamgeving is gebaseerd op de stippen, die in dit geval worden gerelateerd aan de kruiswonden van Jezus.
In de Groningse naam meneertiekje is sprake van de aanspreekvorm meneer, eigenlijk mijn Heer, oftewel God. Het tweede gedeelte, tiek, is waarschijnlijk hetzelfde woord als teek, dat in Groningen ook voor kevers en andere insecten wordt gebruikt, of een afleiding van het werkwoord tikken.

Oliebeestje
Stippelbeestje en zevenpunt(ertje) verwijzen uiteraard naar de stippels op het schild, terwijl gouden tor betrekking heeft op de kleur van het schild, dat bij sommige soorten niet rood maar oranje of geel is. Die opvallende kleuren vormen een waarschuwing voor vogels en andere predatoren: ‘Eet mij niet op.’ Als dat toch dreigt te gebeuren, scheidt het lieveheersbeestje een gelige, olie-achtige, bittere substantie af, en die heeft geleid tot de namen oliebeestje, in het Zuid-Nederlands smoutbeestje of smoutwormpje, en boterbeestje. Ook de Overijsselse naam koffiekuiken zal hiermee te maken hebben.
De namen zonnekever en zonnekoekje verwijzen waarschijnlijk naar het feit dat het lieveheersbeestje vooral wordt gezien als de zon schijnt – daarop is ook het volksgeloof gebaseerd dat een lieveheersbeestje het weer kan voorspellen. Van dit idee is het bijgeloof afkomstig dat het slecht weer wordt als je een lieveheersbeestje plattrapt.
Lieveheersbeestjes brengen, kortom, volgens het volksgeloof mooi weer en geluk. Ze krijgen dan ook allerlei lieve naampjes – zo noemt men ze in Ermelo zoentje. En dan te bedenken dat het diertje met succes als vraatzuchtig roofdier wordt ingezet om bladluizenfamilies te decimeren.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2016), ‘Lieveheersbeestjes’, in: Onze Taal 7/8, 25.]

Allemaal beestjes

In Nederland leven meer dan 20.000 soorten insecten. Met de etymologie van de namen van al die beestjes zouden heel wat jaargangen van Onze Taal te vullen zijn. In deze aflevering staat de komaf van drie merkwaardige woorden uit het rijk der insecten centraal: drone, bug en lieveheersbeestje.

Drone
Over het gebruik van onbemande vliegtuigjes voor militaire doeleinden in landen als Pakistan en Afghanistan worden felle discussies gevoerd. In navolging van het Engels worden deze radiografisch bestuurbare luchtvaartuigen drones genoemd. Weinig mensen zullen beseffen dat dit woord uit het rijk der insecten stamt. De oudere betekenis van het Engelse woord is: ‘mannetjesbij’, oftewel ‘dar’. In het klanknabootsende drone is het gezoem van bijenvleugels te horen.
Afgaande op de vindplaatsen in de Oxford English Dictionary lijkt het Engelse woord in de militaire betekenis voor het eerst te zijn gebruikt in de jaren veertig. Wellicht is er verband met een serie van 380 onbemande vliegtuigjes die vanaf 1935 in Engeland werden gebouwd als trainingsdoelen voor luchtafweerschutters. Deze droegen de naam Queen Bee. Misschien is men voortbordurend op het bijenmotief latere onbemande vliegtuigjes drones gaan noemen.
Etymologisch gezien zijn het Engelse drone en het Nederlandse dar identiek. In het Middelnederlands ontwikkelde drone zich door verplaatsing van de r tot darne of dorne. De meervoudsvorm darnen sleet vervolgens af tot darren, en daarvan werd de enkelvoudsvorm dar afgeleid. In het Duits wordt de mannetjesbij nog steeds Drone genoemd. Het grammaticale geslacht van dit Duitse woord is vrouwelijk; in vroeger eeuwen wist men niet dat de koningin en de werksters de vrouwtjesbijen en de darren de mannetjes zijn.

Bug
Van oudsher is bug in het Engels de algemene aanduiding voor kevers, torren, spinnen, slakken, wormen en andere ongewervelde dieren – allemaal beestjes dus. Hiervan is door beeldspraak de betekenis ‘verborgen microfoon, minuscuul afluisterapparaat’ afgeleid. Het Duits heeft hiervoor het woord Wanze, ook een insectennaam (wants). De afgelopen decennia heeft bug er een betekenis bij gekregen: ‘fout in een computerprogramma of website’. De Amerikaanse entomologe May R. Berenbaum publiceerde in 1994 een insectenboek met in de titel een woordspeling: Bugs in the System.
Het Nederlands heeft het woord bug in de computerbetekenis in de jaren tachtig uit het Engels overgenomen. Rond de jaarwisseling 1999-2000, toen de vrees heerste dat alle computers het op 1 januari 2000 zouden begeven, werd het leenwoord bekend in de samenstelling millenniumbug.
Het allereerste gebruik van bug in computertechnische zin wordt vaak gedateerd op 1947. In dat jaar zou een nachtvlinder een computer van de Harvard University zijn binnengevlogen, waardoor kortsluiting ontstond. Maar dat verhaal is een etymologische mythe. In werkelijkheid is bug in de betekenis ‘storing in een apparaat’ al in gebruik sinds de negentiende eeuw. In 1896 wordt bug omschreven als “any fault or trouble in the connections or working of electric apparatus”. Nog eerder, in 1878, beschreef Thomas Edison de tegenslagen waarmee hij bij het uitvinden te kampen had: “‘Bugs’ – as such little faults and difficulties are called”.
De derde betekenis van bug gaat dus niet terug op een concreet incident met een insect in een computer. In het Nederlands heeft bug uitsluitend betrekking op computers en websites.

Lieveheersbeestje
Wespen, kakkerlakken en vlooien zijn insecten die we liever uit de weg gaan, maar het lieveheersbeestje kan rekenen op onze onverdeelde sympathie. Zelfs kleine kinderen zijn niet bang voor het bolle torretje met zijn gekleurde dekschildjes en zwarte stippen. Boeren en tuiniers beschouwen dit diertje als hun vriend omdat het bladluizen uit de weg ruimt. In deel negen van de Natuurlyke historie van Holland (1811) schrijft J. le Francq van Berkhey vertederd: “dit torretje bemint bij uitstek het hooigras, doch doet er weinig schade aan”.
Waarom noemen wij dit insect lieveheersbeestje? Berkhey geeft als benamingen Onzelievenheers-Beestje en Lieve Vrouwen-Torretje. Dergelijke christelijke volksbenamingen komen in tal van talen en dialecten voor. In het Duits Marienkäfer, in het Frans (naast coccinelle) bête de bon Dieu of bête de la Vierge, en in het Engels ladybird (waarbij lady eveneens naar de H. Maria verwijst). In het Brabants jezusjesbeestje, liefvrouwebeestje, liefvrouwemuisje, lieve marijtje, lieveheerhennetje en mariabeestje. In het Limburgs: onzelievevrouwpulletje, lieveherebolletje en hemellammetje.
Al deze christelijke benamingen zijn te herleiden tot de kleuren- en getallensymboliek rond de maagd Maria. De moeder Gods wordt van oudsher afgebeeld in een blauw-rood gewaad, waarbij het blauw naar de hemel verwijst en het rood naar het bloed van Christus. Ook het getal zeven speelt een rol in de Mariacultus: zij kende zeven vreugden en zeven smarten. Dit kwam mooi overeen met het aantal zwarte stippen op het rode dekschild van het zevenstippelige lieveheersbeestje.
Aldus kon het lieveheersbeestje uitgroeien tot een religieus symbool. Nog steeds beschouwen veel mensen dit insect als geluksbrenger. In een onderzoek van de universiteit van Bazel bleken in de studiejaren 1997-1999 maar liefst 80 van 676 eerstejaars studenten geneeskunde een geluksbrenger mee te nemen naar hun eerste schriftelijke tentamen. In 29 gevallen was dat een lieveheersbeestje. Het dragen van de talisman had op het tentamenresultaat overigens geen statistisch meetbare invloed ...
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2013), ‘Allemaal beestjes’, in: Onze Taal 4, 98.]

Natneus, molenaar, hypocriet; insectennamen uit de zeventiende eeuw

Hoe noem je een rups die telkens zijn kop in het water steekt en vervolgens zijn voorlijf omhoogbrengt om het genomen slokje naar beneden te laten zakken? In 1635 koos de toen nog maar 18-jarige insectenkundige en kunstschilder Johannes Goedaert (1617-1668) voor dronckaerdt: “Ick heb hem den Dronckaerdt ghenaempt om dat hy seer tot het drincken genegen was.” Goedaert, die ruim vierhonderd jaar geleden in Middelburg werd geboren, was de eerste die de metamorfose van insecten beschreef: de gedaantewisseling die ze doormaken van larve via pop tot volwassen dier. Daarvoor kweekte hij veel larven, maden en rupsen op.
De vraag hoe insecten ontstaan en opgroeien, was in de zeventiende eeuw een nog niet opgelost mysterie, dat vele geleerden bezighield. Goedaert beschreef in zijn driedelige levenswerk Metamorphosis naturalis, ofte Historische Beschryvinghe vanden Oirspronk, aerd, eygenschappen ende vreemde veranderinghen der wormen, rupsen, maeden, vliegen, witjens, byen, motten ende dierghelijcke dierkens meer (1660-1669) op basis van eigen waarnemingen zo’n 150 insectensoorten in woord en beeld. Verreweg de meeste insecten die hij behandelde, hadden nog geen naam. Hij rekende het tot zijn wetenschappelijke taak daar verandering in te brengen.

Malende kaken
Net als tegenwoordig was het in de zeventiende eeuw gebruikelijk om nieuwe insectennamen te baseren op een opvallend uiterlijk kenmerk. Ook Goedaert hield zich aan deze naamgevingsconventie, en dat leidde tot vaak schilderachtige insectenbenamingen, zoals ook blijkt uit het kader hiernaast. Goedaerts taalkundige vondsten verschillen van de moderne Nederlandse namen, en dat maakt zijn werk ook taalkundig interessant. Voor de meikever bedacht Goedaert bijvoorbeeld de naam molenaer. Goedaert vertelt dat dit in zijn omgeving de gebruikelijke aanduiding was, en dat zal zeker kloppen, want in het Zeeuwse dialect is het woord voor ‘meikever’ nog steeds meulenaer. De verklaring die Goedaert erbij verstrekt, is bepaald origineel. Volgens hem zijn de molenaren zo gaan heten “om datse de toppen vande jonge scheuten ende uytterste bladeren der perse-boomen, abrykosen, keersen, willige-boomen, pruymen, popelieren ende haeselaer geern eten, ende die weten te vermalen ende te verbrijselen”. Hij ziet dus een etymologisch verband met de malende kaken. Moderne etymologische woordenboeken verklaren de naam uit het feit dat een meikever er door zijn donzige beharing uitziet alsof er een laagje wit meel op zijn dekschilden zit. Voor beide verklaringen valt zeker iets te zeggen.

Wolf
De larve van de meikever werd volgens Goedaert in zijn tijd door de boeren kooren-worm genoemd “om dat hy inde kooren-landen groote schaede doet”. Zo ook weten we dankzij Goedaert dat de rups van een fraai paarsgestreept vlindertje in de zeventiende eeuw al “van ouwds her” bekend was als wolf, dit omdat het diertje de bloesem van de fruitbomen opat en daardoor aan de landbouw grote schade berokkende. Tegenwoordig kennen we dit vlindertje alleen onder de door Linnaeus in 1758 toegekende wetenschappelijke naam Lythria purpuraria.
Zo krijgen we dankzij Goedaert een indruk van de insectenbenamingen en etymologische verhalen die in de zeventiende eeuw in omloop waren. Maar bij hem komen ook namen voor die nog steeds springlevend zijn: “Deze kleine diertjes zijn zelfs de kinderen bekent, die noemende in Holland, en Zeeland, en elders onze-Lieven-Heerens-beestjes (…), on-getwijffelt, om hare frayheid, ende nettigheid.” Goedaerts vermelding van de “onze-Lieven-Heerens-beestjes” in Holland en Zeeland, en de “onze-Lieve-Vrouwens-beestjes” in Vlaanderen en Brabant, is de oudste vindplaats van deze woorden in onze taal.

Lering
De insectenwereld was in Goedaerts ogen een spiegel van deugden en ondeugden die God de mens ter lering voorhoudt. Veel namen hebben betrekking op vermeende karaktereigenschappen, bijvoorbeeld al-te-traag, bedrieger, luyaard en hypocrijt; die laatste naam licht Goedaert zó toe: “alsmen hem eens aenraeckt, so rolt hy in malkanderen, ende blijft een tijdt langh gansch stil liggen, als of hy doot waer”. En de natneus heet zo “om dat hy so tot den dranck gheneghen was”.
Goedaert schrijft dat de gortworm “haeren oirspronck uyt ghemaelen gort” heeft, en hij is ervan overtuigd dat de kemps-haens made is “gesproten uyt een doodt ende bedorven kemp-haen”. Hoewel hij op basis van eigen waarnemingen de gedaanteverwisseling van de insecten van het eitje tot het volwassen dier beschreef, blijkt uit deze door hem toegekende namen dat Goedaert nog een aanhanger was van de leer der ‘generatio spontanea’, het aloude idee van Aristoteles dat insecten ‘vanzelf’ ontstaan uit dode materie.
Goedaert had kennelijk niet altijd talige inspiratie, want soms koos hij een wat minder sprekende naam, die de minimale verdienste had dat hij verschilde van andere namen. Zo komt hij op de rupsnaam onder-scheider (“Om onderscheid te maken; geve ik deze Rups den naam van Onder-scheider”).

Pijlstaart
De meeste van Goedaerts speelse woordvondsten zijn, sinds Linnaeus’ naamgeving is ingevoerd, in de vergetelheid geraakt, maar minstens twee zijn er in omloop gebleven, zij het via omwegen. Ten eerste is er de insectenbenaming pijlstaart. Deze is in het werk van latere entomologen als Steven Blankaart (1688), Jan Christiaan Sepp (1762) en Maarten Houttuyn (1767) overgenomen. Sepp herleidt het woord tot de driehoeksvorm van de rustende vleugels van de vlinder, en niet, zoals de bedenker Goedaert, tot de vervaarlijke stekel op de staart van de rups. Bovendien paste Sepp de benaming toe op een hele familie van vlinders en niet op een enkele soort. Hetzelfde deed Houttuyn in zijn Nederlandse vertaling van Linnaeus’ Systema naturae. Hierin koos hij pijlstaart voor de vlinderfamilie die Linnaeus in het Latijn Sphingidae (‘sfinxachtigen’) had genoemd, omdat de rups soms zijn bovenlichaam verheft en er dan uitziet als een sfinx. Tot op de dag van vandaag heet deze vlinderfamilie (1460 soorten wereldwijd, waarvan er 18 in Nederland voorkomen) in het Nederlands pijlstaart. De ene vlindersoort die Goedaert pijlsteert had genoemd, staat tegenwoordig bekend als pauwoogpijlstaart.

Drinker
En dan is er Goedaerts rupsennaam dronckaerdt. Sepp en Houttuyn noemen het insect rietvink, omdat deze nachtvlinder zich bij voorkeur in rietland ophoudt, en deze benaming is in het Nederlands de gebruikelijke geworden. Maar in 1758 had Linnaeus het diertje met een olijke knipoog en onder verwijzing naar Goedaert getooid met de wetenschappelijke naam Potatoria (‘drinkerachtige’). Vermoedelijk via Linnaeus is het beestje in het Engels bekend geworden als de drinker moth dan wel de drinker caterpillar. En ook in het Nederlands heet de rups nog steeds drinker.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2018), ‘Natneus, molenaar, hypocriet. Insectennamen uit de zeventiende eeuw’, in: Onze Taal 7/8, 26-17.]

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

endjelevreuke, enslevreuke, zn.: lieveheersbeestje. Eigenlijk omkering van lievevrouw endje, d.i. lievevrouwhaantje. Maar enslevreuke kan net zo goed een variant zijn van onslievrouwke. Zie lievevrouwebeestje

lievevrouwebeestje, -vogeltje, -hennetje, -musje, - kuikje, -pulletje, onzelievevrouwbeestje, onslievevrouwebeesjke, onslievevrouwke, hanslievevrouwke, vrouwbeestje, zn.: lieveheersbeestje. Vgl. Vlaams hemelbeestje, in de Eifel himmelstierchen, Zwitserland en Wallonië bête du paradis, in Piëmont en Pommeren: hemelkevertje. Zoals lieveheersbeestje, onzelieveheersbeestje, onzelievevrouwebeestje gaat de naam terug op Germaanse opvattingen. Het kevertje stond als bode van de lente in verband met Freia, de zuster van Freir, de zonnegod, die gebiedt over regen en zonneschijn. Met het christendom werd dat geloof gekerstend en ging het kevertje over in de dienst van de Heer en Onze-Lieve-Vrouw. Een soortgelijk kevertje, maar zwart, wordt in Kortrijk hellebeestje genoemd, naar analogie van hemelbeestje. - Bibl.: L. Grootaers - J.L. Pauwels, Het Onze-Lieve-Heersbeestje in de Zuidnederlandsche dialecten. Hand. KCTD 4 (1930), 141-164. - E. Mooijman, Het lieveheersbeestje in de Germaanse talen. TT 39 (1987), 21-53.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

lievevrouwebeestje, zn.: lieveheersbeestje. Vgl. Vlaams hemelbeestje, in de Eifel himmelstierchen, Zwitserland en Wallonië bête du paradis, in Piëmont en Pommeren: hemelkevertje. Zoals lieveheersbeestje, onzelieveheersbeestje, onzelievevrouwebeestje gaat de naam terug op Germaanse opvattingen. Het kevertje stond als bode van de lente in verband met Freia, de zuster van Freir, de zonnegod, die gebiedt over regen en zonneschijn. Met het christendom werd dat geloof gekerstend en ging het kevertje over in de dienst van de Heer en Onze-Lieve-Vrouw. Een soortgelijk kevertje, maar zwart, wordt in Kortrijk hellebeestje genoemd, naar analogie van hemelbeestje. - Bibl.: L. Grootaers - J.L. Pauwels, Het Onze-Lieve-Heersbeestje in de Zuidnederlandsche dialecten. Hand. KCTD 4 (1930), 141-164. - E. Mooijman, Het lieveheersbeestje in de Germaanse talen. TT 39 (1987), 21-53.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

lievevrouwbeestje zn. o.: lieveheersbeestje. Zoals lieveheersbeestje, onzelieveheersbeestje, onzelievevrouwebeestje gaat de naam terug op Germaanse opvattingen. Het kevertje stond als bode van de lente in verband met Freia, de zuster van Freir, de zonnegod, die gebiedt over regen en zonneschijn. Met het christendom werd dat geloof gekerstend en ging het kevertje over in de dienst van de Heer en Onze-Lieve-Vrouw. Een soortgelijk kevertje, maar zwart, wordt in Kortrijk hellebeestje genoemd, naar analogie van hemelbeestje. - Bibl.: L. Grootaers - J.L. Pauwels, Het Onze-Lieve-Heersbeestje in de Zuidnederlandsche dialecten. Hand. KCTD 4 (1930); 141-164. – E. Mooijman, Het lieveheersbeestje in de Germaanse talen. TT 39 (1987), 21-53.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

lieweheersbesie s.nw. Ook liewenheersbesie en selde liewenheerbesie.
Skilpadvormige kewertjie wat swart, geel of geelbruin is met teenstellende rooi, geel of swart kolletjies of strepe en wat op plantluise teer.
Uit Ndl. lievenheersbeestje, so genoem na die Maagd Maria uit die Christelike mitologie waarin die rooi kleur van die kewertjie die maagd se mantel verteenwoordig en die swart kolletjies op sy dop haar vreugdes en verdriet.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal