Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lintworm - (platworm uit de klasse der Cestoda)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

lintworm zn. ‘platworm uit de klasse der Cestoda
Mnl. .i. serpent lentworem hetement ‘een slang; lintworm noemt men hem’ [1287; VMNW], die lintwurm dat is een kleen wuorm, en wit ‘de lintworm is een kleine witte slang’ [1270-90; VMNW], lintworm ‘draak’ [1300-50; MNW-R], lyntworm, linx ‘lynx’ [1477; Teuth.], die lijndworm, dat een groot serpent is [1488; MNW]; vnnl. lindworm ‘krokodil’ [1599; Kil.]; nnl. lintworm ‘zeer lange worm in de menselijke ingewanden’ [1766; Sewel NE], lintworm ‘klasse van platwormen’ [1768; WNT].
Tautologische samenstelling van *lind ‘slang’ en → worm. In het Nederlands is het simplex *lind niet geattesteerd, maar vergelijk Oudnoords linnr ‘draak, slang’ en Oudhoogduits lind, lint ‘slang’. Dit woord is verwant met Latijn lentus ‘buigzaam’ en met Oudhoogduits lind(i) ‘zacht’ (Duits (ge)linde ‘zacht’), Oudsaksisch līði en Oudengels līþe ‘id.’, zie → linde. Het ging daarbij om een dier dat men zich voorstelde als een grote slang of draak, soms ook als krokodil. De naam werd in het Middelnederlands wel verward met die van een ander enigszins mythisch dier, de lynx; ook bij Kiliaan treft men lincksdier, linctworm ‘lynx’ aan [1599]. In het vroege Middelnederlands is door associatie met → linde de naam ook wel geïnterpreteerd als worm die het binnenste van bomen aantast. Later kreeg het woord ook de huidige betekenis ‘lintworm’, wrsch. omdat deze ingewandsworm het uiterlijk en de lengte van een lint heeft.
Ohd. lindwurm ‘slang, lintworm’; on. linnormr ‘draak’ (nzw. lindorm ‘lintworm’). Voor de lintworm heeft het nhd. Bandwurm en het ne. tapeworm.
De betekenis ‘lynx’ komt nog in de 16e eeuw voor en de betekenis ‘draak’ nog archaïsch in de 19e eeuw: St. Joris te paard, den lindworm doorstekende [1832; WNT].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lintworm* [klasse van platwormen] {1773, vgl. lintworm [reuzenslang, krokodil] 1287} de vormen oudhoogduits lindwurm, middelhoogduits lintwurm [draak], oudnoors linnormr zijn tautologisch gevormd van oudhoogduits lind, lint en oudnoors linnr [slang], verwant met lenig.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

Lintworm

Iedereen vat dit woord op als: lintvormige (ingewands)worm, maar in wezen is lintworm een der betrekkelijk zeldzame woorden, waarvan de samenstellende delen elk hetzelfde begrip uitdrukken. Een duidelijk voorbeeld daarvan is het woord: brokstuk. Zowel lint als worm betekent namelijk oorspronkelijk: slang en een lintworm was oorspronkelijk de benaming van een mythologisch monster, de draak. Men sprak van Sint Joris die de lintworm versloeg. Merkwaardig is dat men het woord ook gebruikte om het dier aan te duiden dat wij als: los of: lynx kennen, maar dat men zich soms als een serpent of draak voorstelde. Van veel later tijd dateert de huidige betekenis van het woord.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lintworm znw. m. ‘ingewandswormʼ, zal wel naar de vorm samengesteld zijn uit lint + worm. Maar er is ook een woord lintworm ‘draakʼ, mnl. lindeworm, lintworm, ohd. lindwurm, on. linnormr, waarvan het 1ste lid ohd. lind, lint, on. linnr ‘slangʼ betekent; dit verbindt men met lat. lentus ‘buigzaamʼ, waarvoor zie verder: linde.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lintworm znw. Wordt nnl. gevoeld als “lintvormige worm”; mnl. had lindeworm, lintworm m. de bet. “draak”. ’t Is in die oudere bet. evenals ohd. lindwurm (nhd., oorspr. archaïstisch, lindwurm), on. linnormr m. “id.” een oorspr. tautologische samenst.

[Aanvullingen en Verbeteringen] lintworm. In de nnl. bet. wellicht te scheiden van ’t mnl. woord; dan uit lint + worm: vgl. nhd. bandwurm. m. “lintworm”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lintworm. Het is niet onmogelijk, dat nnl. lintworm een van mnl. lindeworm, lintworm onafh. samenst. van lint en worm is: vgl. hd. bandwurm m. (v.Wijk Aanv.). Is dit juist, dan heeft de nieuwe samenst. het oude homoniem (= ‘draak’) doen verouderen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lintworm m., vergel. Hgd. bandwurm. Het ware dus een samenst. met lint; daar het Vla. echter lindeworm zegt, moet men aan volksetymol. vervorming denken van lindworm + Hgd. lindwurm, een pleonastische samenstelling met Ohd. lind, On. linnr = slang, dat bij lenig behoort.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

lintwurm s.nw.
Plat ingewandswurm wat parasities in die dermkanaal van mense en diere lewe.
Uit Ndl. lintworm (1773), wat teruggaan op Mnl. vorme met ander bet. Die bet. 'ingewandswurm' het ontstaan omdat die wurm uit 'n groot aantal bandvormige litte bestaan en daar verkeerdelik gemeen is dat die lint in lintworm 'band' beteken.
Mnl. lintworm, lindeworm 'draak, reuseslang, krokodil' hou verband met Oudhoogduits Lindwurm, Middelhoogduits Lintwurm en Oudnoors linnormr. Hierdie samestellings is almal toutologies gevorm deurdat beide die stamme in die genoemde samestellings 'slang' beteken.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

lintworm: (eint. nog net bek. in bet.) ingewandswurm; Ndl. lintworm (Mnl. lindeworm/lintworm), ss. v. twee wd. wat albei vroeër “draak, slang” bet. het; sprekers voel lint hier net as “band” aan, vgl. Eng. tapeworm.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs, in: Medisch Contact 60 (2005)

Lintworm
Een lintworm is een lange, witte, lintvormige ingewandsworm. Het ligt dus voor de hand om te veronderstellen dat deze worm zijn naam te danken heeft aan zijn verschijningsvorm. Voor het huidige bewustzijn is dat inderdaad het geval, maar in oorsprong heeft het woord niets te maken met de naam van het weefsel lint. In het dertiende-eeuwse Nederlands betekende lintworm, lindeworm ‘draak, slang’, ook ‘krokodil’. Men verhaalde van Sint-Joris die de lintworm versloeg, en in de dertiende-eeuwse Roman van Lancelot was te lezen: ‘Nu hevet [God] hier int lant enen lintworm gesant, die es so utermatene groot, hi heeft vele des volcs doot ende dit land verwoestet sere’.
Lintworm was een zogenoemde tautologische samenstelling: lint alleen betekende al ‘slang’; het woord is verwant met lenig. Ook worm betekende onder andere ‘slang’. Een lintworm was dus vroeger een slangachtig monster, en dat is het momenteel eigenlijk nog steeds, hoewel het dier enorm gekrompen is. De huidige betekenis is voor het eerst genoemd in 1768 door de beroemde natuurbeschrijver M. Houttuyn, die het driedelige Natuurlyke Historie, of uitvoerige beschryving der dieren, planten en mineraalen, volgens het samenstel van Linnaeus publiceerde tussen 1761 en 1785. Houttuyn schreef hierin eens het over de ‘Leedjes van den Lintworm’.
[Nicoline van der Sijs (2005), ‘Lintworm’, in Medisch Contact, jaargang 60, nr. 37, 1484]

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lintworm* klasse van platwormen 1768 [HOU I, 12, 138]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

lento- ‘biegsam, nachgebend’

Ai. latā ‘Ranke, Liane’ (*ln̥tā);
lat. lentus ‘biegsam, zähe; langsam’;
gall. (?) lantāna ‘Schlinggewächs’; vgl. Bolelli Ital. Dial. XVIII 182; cymr. ‘glatt, glänzend’ (*ln̥t-ro-), ablaut. bret. lintr (*lent-ro-) ds., corn. ter-lentry ‘glänzen’, cymr. llethr f. ‘Abhang’ (*lent-rā), mir. leittir f. ds. (brit. Lw.); dagegen cymr. llithr ‘Gleiten’ aus *slip-tro- zu *(s)leib- oben S. 663;
ags. līðe, as. līði ‘gelind, mild’ (*lentii̯o-), engl. lithe ‘biegsam, geschmeidig’, ahd. lind, lindi ‘weich, zart, nachgiebig’, nhd. lind, gelinde, nnorw. linn ‘biegsam, gelenk, gelinde’;
ostlit. leñtas ‘still, ruhig’;
dazu wohl der germ.-slav. Name der Linde (*lentā), wegen ihres biegsamen Bastes; anord. lind f. ‘Linde (auch Speer, Schild aus Lindenholz’), ags. lind(e) f. ds., ahd. linta, lintea, linda ds., nhd. Linde, wozu als ‘Band aus Lindenbast’ anord. lindi m. ‘Band, Gürtel’, mnd. lint n. ‘flaches Band’ (daraus lit. linta ‘Zierbaud’), anord. lindi n. ‘Lindenholz’, nhd. dial. lind, lint n. ‘Bast’;
wohl lit. lentà ‘Brett’ (‘aus Lindenholz?’);
mit o-Stufe slav. *lǫtъ in russ. dial. lut, lutь ‘Lindenbast’, klr. łút’é n. ‘Lindenbast; Weidenzweige’, łut ‘Gerte, Haut’;
vielleicht als ‘der sich Biegende, Windende’ ahd. lind, lint (*lento-s), anord. linnr, linni m. ‘Schlange’, poet. ‘Baum, Feier’, linn-ormr ‘Drache’ = ahd. lindwurm.

WP. II 437 f., WH. I 784 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal