Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lok - (krul, pluk; wolgras)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

lok zn. ‘pluk haar’
Onl. lock ‘haar, pluk haar’ in sceihtlon lockis (genitief ev.) ‘schedels met haar’, locka houidis minis (accusatief mv.) ‘de haren van mijn hoofd’ [beide 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. loc ‘haarlok’ [1240; Bern.], locke, loc ‘lok haar’ in haer haer ... met groten locken [1300-50; MNW-R].
Os. lokk ‘lok, haar’; ohd. lock ‘lok, haar’ (nhd. Locke ‘lok, haar’); oe. locc ‘haar, lok, krul’ (ne. lock); ofri. lokk ‘haarlok’ (nfri. lok, lokke); on. lokkr ‘haarlok’ (nzw. lock); < pgm. *lukka- ‘lok’, wrsch. uit ouder *lukna-. Daarnaast zonder geminatie: vnnl. loke ‘lok, vlok, bosje’ [1599; Kil.], oe. loca ‘vlok’.
Vermoedelijk verwant met Grieks lúginos ‘gevlochten’, lúgos ‘tak’; Sanskrit rujáti ‘trekt, breekt’; Litouws lùgnas ‘buigzaam’; < pie. *leug- ‘buigen’ (IEW 685). Wrsch. is de oorspr. betekenis ‘bosje (loof, haar)’, eigenlijk ‘wat geplukt is, pluk’, zoals in oe. lūcan ‘wieden’, ohd. arliohhan ‘uitrukken’ en Litouws láužti ‘breken’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lok* [haar] {oudnederlands lockis (2e nv.) 901-1000, middelnederlands loc} oudsaksisch, oudfries lok, oudengels locc (engels lock), oudnoors lokkr; buiten het germ. latijn luctari [worstelen, eig.: zich krommen], grieks lugos [buigzame tak], litouws lugnas [buigzaam].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lok znw. m. v., mnl. loc, locke m. ‘lok, krul, bosjeʼ, onfrank, lock, os. lok, ohd. loc (nhd. lock, locke), oe. locc (ne. lock), on. lokkr. — germ. *lokka < idg. *lugno, vgl. lit. lugnas ‘buigzaam, smijdigʼ, gr. lúginos ‘gevlochtenʼ, lúgos ‘takʼ, oi. rujati ‘trektʼ (IEW 685). Verder te verbinden met germ. *lūkan ‘uittrekkenʼ, vgl. oe. lūcan ‘wiedenʼ (J. H. van Lessen, Ts. 53, 1934 28-31). Eerder is te wijzen op ohd. liohhan ‘plukkenʼ en lit. lúzti ‘brekenʼ. J. Trier, Venus (1963), 154-160. wijst op de bet. ‘bosje gras of wol, kleine bundel stroʼ in duitse dialecten, (vgl. ook nnl. lok ‘wollegrasʼ in Drente, Groningen) en denkt daarbij aan het afplukken van takken met bladeren, die tot wintervoer van het vee dienden; die takken werden gebundeld gedroogd en opgestapeld.

Reeds Holz (1952) 135 had hij dit woord behandeld, maar daar dacht hij meer aan de jonge takken, die voor vlechtwerk gebruikt worden. — Zonder geminatie staan naast lok nog Kiliaen loke ‘lok, vlok, bosjeʼ, oe. loca m ‘vlokʼ. — De wortels *leug ‘buigenʼ en *leug ‘brekenʼ, die IEW 685-686 scheidt, zijn dus eerder als identiek te beschouwen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lok znw., mnl. loc, locke (m. v.?) “lok, krul, bosje (haren e.dgl.)”. = onfr. lock, ohd. loc (ck) m. (nhd. locke v.), os., ofri. lok (kk), ags. locc (eng. lock), on. lokkr m. “lok”. Uit idg. *lug-nó-: = lit. lugnas “buigzaam, smijdig” en verwant met gael. lùgach “krombeenig”, gr. lúgos “buigzame tak”, lugóō, lugízō “ik buig, wind, draai”. Mnl. en bij Kil. komt ook lōke “lok, vlok, bosje” voor, = ags. loca m. “floccus”, idg. *lugon-, dat evenals on. lykna “zich buigen” en vla. luik, luike, loke “buiging van knie of elleboog” een enkele k uit idg. g heeft.

[Aanvullingen en Verbeteringen] lok. Adde: lat. luctor “ik worstel”, luxus “verrekt”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lok. Over germ. -kk- < idg. -gnʼ- waarvan dit woord een der weinige werkelijk aannemelijke voorbeelden is, zie bij bakken Suppl. 1e alin. Lat. luxus ‘verrekt’, luctor ‘ik worstel’ (v.Wijk Aanv.) kan hierbij behoren, evengoed echter bij mnl. lûken ‘hennep of vlas uitplukken’ en de germ. en verdere verwanten, die op een grondbet. ‘breken’ wijzen: zie lokken. Intussen aarzelt Ja.v.Lessen Tschr. 53, 28 vlgg. niet lok en lokken bij deze laatste woordgroep te brengen met veronderstelling van een grondbet. ‘trekken’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lok 2 v. (wolgras), hetz. w. als lok 1.

lok 1 v. (krul), Mnl. locke, Onfra. lock. Os. lok + Ohd. loc (Mhd. id., Nhd. locke), Ags. locc (Eng. lock), Ofri. lok, On. lokkr (Zw. lock. De. lok) = bosje wolpluizen of haren: vertoont den zw. graad van den wortel van *luiken = plukken (z. luik). Anderen brengen 't in verband met Gr. lúgos = buigzame tak, Gaël. lugach = krombenig, Lit. lugnas = buigzaam.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

loks s.nw.
Afvalstukkies wol of sybokhaar, dikw. vuil en gekoek, wat verwyder word voordat die vag afgeskeer word.
Uit Eng. locks (1300).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

lok I wollegras (Groningen, Drente). = ono. lok ‘onkruid’. ~ oeng. lucan ‘wieden’, ~ ohgd. liohhan ‘trekken’, ~ lit. láužas ‘hoop afgebroken twijgen’ ~ oind. rujáti ‘breekt’. De wortel heeft dus oorspr. ‘breken’ betekend.
Crompvoets 171, NEW 408, IEW 686.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

loke 1 (GG: FV), zn. v.: vod. Mnl. loke ‘vlok, dot haar, haarlok’, Vroegnnl. loke oft vlocke van wille ‘loque ou floccon de laine’ (Lambrecht), loke, locke ‘floccus’ (Kiliaan). Os., Ofri. lok, Ohd. loc, D. Locke, E. lock, On. lokkr < Germ. *lokka-. Verwant met Lat. luctari ‘worstelen < zich krommen’, Gr. lugos ‘buigzame tak’ < Idg. *lugno-’haarkrul’. Het Franse woord loque ‘vod < haarlok’ is ontleend aan het Mnl. loke.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

loks: mv., minderwaardige wolstukkies wat apart v. vagskeersel gehou word; Eng. locks, hou verb. m. Ndl./Afr. (haar)lok, Hd. locke.

Thematische woordenboeken

E. Paque (1913), De Vlaamsche volksnamen der planten van België, Fransch-Vlaanderen, Noord-Brabant, Hollandsch-Limburg, enz., Bijvoegsel, Brussel

Lok, v. — Nederland — Id. als Heipluiskens (Vl. Wk.). — Lok = fr. boucle de cheveux. Zinspeling op de witte vlokken die, na den bloeitijd, de stengels dezer moerasplanten bekroonen.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Lok (haarlok), vermoedelijk van den Idg. wt. lug = buigen, krommen, krullen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lok ‘haar; (verouderd) vlok, wol’ -> Frans loque ‘flard, vod; menselijk wrak; bijenziekte; velletje op gekookte melk’;? Ambons-Maleis pake lōkīs ‘haardracht waarbij het haar kort langs het voorhoofd weggeschoren wordt, maar zo dat er een streep haar langs de haarlijn blijft’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lok* haar 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal