Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

maart - (derde maand van het jaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

maart zn. ‘derde maand van het jaar’
Mnl. merte ‘maart’ [1240; Bern.], marte ‘id.’ [1253; VMNW], vpden eersten dach van maerte ‘op de eerste dag van maart’ [1282; VMNW], Dinxdaghes wtgaende Maert int jaer van zeventienen ‘op dinsdag in het laatst van maart in het jaar zeventien (1317)’ [1318-19; MNW utegaen].
Ontleend aan de Latijnse maandnaam Mārtius, verkort uit mēnsis Mārtius ‘de maand gewijd aan Mars’. Mars (genitief Martis) was aanvankelijk de Romeinse god van de landbouw en de vruchtbaarheid, later vooral die van de oorlogvoering. Deze maand was bij de Romeinen tot in de 2e eeuw v. Chr. de eerste maand van het jaar en het begin van het landbouwseizoen.
De -t in de Nederlandse maandnaam wijst erop dat deze al vroeg aan het vulgair Latijn is ontleend, d.w.z. voor de Romaanse overgang /t/ > /ts/. De -e- in mnl. merte ontstond door umlaut (< *marti-); de huidige vorm ontstond vervolgens door rekking en verandering van de -e- voor -r- + dentaal zoals in → haard.
Een oudere Nederlandse benaming voor deze maand is lentemaand: onl. lentinmanoth [ca. 1050; CG II-1, 122], de maand waarin de lente begon. Een andere inheemse naam is vnnl. dorremaant [eind 16e eeuw; WNT dorremaand], wrsch. een vereenvoudiging van dondermaand, genoemd naar de Germaanse god Donar, die evenals zijn Romeinse tegenhanger Mars de god was van gewas en oorlog.
Lit.: H. Hogerheijde (1984), ‘Maart’, in: Croonenberg, 31-33

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

maart [derde maand] {Martium 1050, maerte 1253} < latijn (mensis) Martius, mensis [maand], Martius [van Mars, gewijd aan Mars (de oorlogsgod)]; zo genoemd omdat het krijgsbedrijf, dat 's winters stillag, in het voorjaar weer beginnen kon; oorspr. was maart de eerste maand van het jaar (vgl. januari).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

maart 1 znw. m. ‘maandnaam’, mnl. maerte, marte, meerte, merte m., mnd. merte, ohd. merzo (nhd. märz). — In de 5e eeuw overgenomen < lat. (mensis) Martius (nog met de uitspraak t!); de eerste maand van het Romeinse jaar was gewijd aan de krijgsgod Mars. — Het ne. march (me. marche) < ofra. marche naast marse (nfra. mars).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

maart znw., mnl. ma(e)rte, me(e)rte m. De vorm meert bestaat nog in die diall., waar a vóór r + dentaal umgelautet kan worden. = ohd. merzo (nhd. März), mnd. merte m. Uit lat. (mensis) Martius (met ti, niet tsi gesproken) “Maart” vóór de ohd. klankverschuiving ontleend. Eng. March is uit ’t Fr. ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

Maart m., Mnl. maerte, uit Lat. marti, genit. van martius = maand toegewijd aan Mars, god van den oorlog. Hgd. märz en Ofra. march (Nfra. mars, Eng. March) komen van den accus. martium. Ndl. Meert, Mnl. merte behooren tot deze dial. waar alle a’s voor r + dentaal e worden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

miert (zn.) maart; Vreugmiddelnederlands merte <1240> < Latien (mensis) Martius.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

Maart s.nw.
Derde maand van die jaar.
Uit Ndl. maart (Mnl. maerte).
Ndl. maart uit Latyn mensis Martius, met mensis wat 'maand' en Martius wat 'van of gewy aan Mars (Romeinse oorlogsgod)' beteken, so genoem omdat die oorlogsbedryf wat in die winter rustend was in die eerste gedeelte van die jaar weer kon begin. Maart was oorspr. die eerste maand van die jaar volgens die Romeinse kalender.
Vgl. D. März, Eng. March, Fr. Mars.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

maart (Latijn (mensis) Martius)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Maart(e), mnl. maerte, dienstmaagd, eigenl. Martha, de bekende zorgende zuster van Maria uit den Bijbel (Lucas 10), in ’t W.-Vla. nog gewoon. Bredero, 2, 49: “De Maartens en knechts”.
De overgang van bet. kan men nog begrijpen uit de volg. plaatsen: Wolff en Deken, W. Leevend 2,121: “Hy gooit het maar neer, en denkt myn wyf is toch een een regte Martha”; en uit de Griseldis-novelle: “In u huys, daer ghi my maecktet een vrouwe, heb ic altoos . . . geweest als Martha ende een bode ende niet anders” (aangeh. Ts. 17, 11).

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Maart, Lat. Martius = maand aan Mars gewijd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

maart ‘derde maand’ -> Indonesisch Maret ‘derde maand’; Javaans maret ‘derde maand’; Madoerees marēt ‘derde maand’; Makassaars mârá ‘derde maand’; Minangkabaus mar ‘derde maand’; Nias mareti ‘derde maand’; Soendanees Marĕt ‘derde maand’; Singalees māratu, mārtu ‘derde maand’; Negerhollands maert ‘derde maand’; Papiaments mart (ouder: maart) ‘derde maand’; Sranantongo mart ‘derde maand’; Sarnami maart ‘derde maand’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

maart derde maand 1240 [Bern.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal